José de Sousa Saramago, zoals hij voluit heet, werd op 16 november 1922 geboren op het Portugese platteland, in het dorpje Azingha. In 1924 verhuisde het straatarme gezin naar Lissabon, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbracht, zij het wel op veel verschillende locaties aangezien het gezin vaak verhuisde, al dan niet in het gezelschap van de Barata’s, een familie die blijkbaar af en toe met hen samenwoonde. Wegens geldgebrek moest hij na een tijdje het lyceum inruilen voor de ambachtsschool. Dankzij het briljante onderwijs dat hij genoot op zijn eerste school, leerde hij echter heel vlug lezen en verbaasde zijn familie toen hij op zekere dag quasi moeiteloos uit de intussen historische krant de Diário de Notícias voorlas. In het huis, of beter, de enkele kamers die het gezin bewoonde, was welgeteld één boek te vinden, De grasmus van de molen. Die roman zou zijn eerste grote leeservaring worden. Hij had de eerste stap gezet naar de bibliotheek van het Palácio das Galveias.
Het milieu waarin hij opgroeide was niet bepaald een El Dorado voor een leergierig kind. Het was een wereld van armoede en hard zwoegen om rond te komen.
De meeste personages, die hij in dit boek ten tonele voert, zijn met een bijna volks realisme en met een groot gevoel voor humor beschreven. Zoals zijn oom Francisco Dinis, die als bewaker werkte op het landgoed Mouchão de Baixo op de linkeroever van de Taag. Hij was een kleine, stramme man, thuis een tiran maar zo mak als een lammetje in de omgang met bazen, meerderen en mensen uit de stad. Op een nacht speelde hij de jaloerse Othello en liep schreeuwend de echtelijke slaapkamer binnen, zwaaiend met zijn geweer, ervan overtuigd dat zijn vrouw in bed lag met een andere man. Tante, die in een witte nachtpon rechtop zat, met haar handen aan haar hoofd, kreunde “je bent gek!”. De jonge knul van veertien, die José toen was, moest zweren dat zijn tante geen andere man bij zich in bed had, terwijl hij natuurlijk zelf had liggen slapen als een blok. Hij vertelt : “Als ik deel had uitgemaakt van het laffe ras der Jago’s (ik weet van niets, ik heb niets gezien, ik lag te slapen) dan was de nachtelijke stilte van Mouchão de Baixo wellicht doorbroken door twee schoten uit een jachtgeweer en lag er een onschuldige vrouw dood tussen de lakens die geen andere mannelijke geuren en sappen hadden gekend dan die van haar eigen moordenaar”.
Zijn ervaringen met meisjes, op weg naar intieme ontdekkingen, staan ongetwijfeld nog fris in zijn geheugen. Hij vertelt over zijn nichtje Maria da Piedade die met hem een halve avond heeft geslapen (of niet geslapen). “We lagen in één bed, zij met haar hoofd aan het hoofdeinde, ik met mijn hoofd aan het voeteneinde. Nutteloze voorzorgsmaatregel van de naïeve moeders. Terwijl zij in de keuken de draad weer oppakten van het gesprek dat wij niet mochten horen en dat ze onderbroken hadden om ons naar bed te brengen, waar ze ons liefdevol toedekten, begonnen wij na een paar minuten vol bange spanning, met bonzend hart onder het laken en de deken, in het donker aan een minutieuze wederzijdse verkenning van onze lichamen, met een meer dan gerechtvaardigde gretigheid en haast, maar ook op een manier die niet alleen methodisch maar tegelijk uit anatomisch oogpunt gezien het meest haalbaar en leerzaam was. Ik herinner me dat de eerste beweging van mijn kant, de entering bij wijze van spreken, was dat ik met mijn rechtervoet de reeds behaarde pubis van Piedade betastte. We deden alsof we sliepen als twee engeltjes toen tante Maria Mogas haar later op de avond uit bed kwam halen om naar huis te gaan. Dat waren nog eens tijden van onschuld!”
Uiteraard waren er ook verdrietige gebeurtenissen in zijn jeugd zoals de dood van zijn vierjarige broer Francisco, bezweken aan een longontsteking. José was toen hooguit twee jaar en de enige herinnering die hij bewaart aan zijn broertje speelt zich af in een souterrain in de zomer of de herfst dat Francisco zou sterven. Er staat een ladekast waarvan de twee onderste laden zijn uitgetrokken, één iets verder dan de andere zodat het ventje deze als trappen kon gebruiken om iets naar zijn gading van de commode te pakken. Het is José’s oudste herinnering en hij koestert deze als een kleinood, waarschijnlijk omdat het leven van zijn broertje zo vroeg werd afgebroken.
Later, in 1933 of ’34, hij was ongeveer tien jaar oud, liep hij op zekere dag naar de Rua São Vicente en zag bij de deur van een tabakszaak een krant met op de voorpagina de levensechte tekening van een hand die zich opmaakt om iets te grijpen. Er stond het volgende onderschrift bij: “Een ijzeren hand in een fluwelen handschoen”. De hand moest die van Salazar verbeelden. Tegen de achtergrond van het nakend fascisme van Hitler en Mussolini, was Salazar voor hem uit hetzelfde hout gesneden, of zoals hij zegt “neven van één familie”. Die hand is hij nooit vergeten. Later bleek Salazar tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) diensten te verlenen aan Franco.
De verteltrant van José Saramago mag wel uniek genoemd worden. Het soms ademloze ritme, alsof hij niet snel genoeg iets kan vertellen, en de meestal lange zinnen kunnen in het begin irritant zijn maar gaan na verloop van tijd toch bekoren. Soms komt hij terug op een bepaalde herinnering omdat hij zichzelf op een onjuistheid betrapt en de eerlijkheid hem gebiedt een detail te corrigeren. Deze apropos en overpeinzingen komen regelmatig voor en geven de indruk dat hij met de lezer converseert wat een bijzondere charme verleent aan zijn verhalen.
Op 8 oktober 1998 kreeg de Portugese literatuur met José Saramago haar eerste Nobelprijswinnaar. Daarvóór sleepte hij nog een twintigtal prijzen en onderscheidingen in de wacht, zowel in Portugal als in het buitenland.
Zijn eerste roman, Terra do Pecado (Land van zonde, schreef hij op vierentwintigjarige leeftijd. Na een tweede en derde roman werd het een hele tijd stil rond Saramago tot hij in 1966 de dichtbundel Os Poemas Possìveis (De mogelijke gedichten) publiceerde. In 1980 maakt hij dan zijn doorbraak met de roman Levantado do Chao (Opgestaan van de grond).
Bij Meulenhoff werden volgende romans, vertaald in het Nederlands, uitgegeven: Memoriaal van het klooster Het jaar van de dood van Ricardo Reis Het Beleg van Lissabon Het evangelie volgens Jezus Christus De stad der blinden Alle namen Het schijnbestaan Het stenen vlot De man in duplo De stad der zienden Het verzuim van de dood
Edith Clabots
> Uitbreiding euthanasie- wet, ook voor mensen met een verstandelijke beperking
> Als leven te veel pijn doet - Euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden
> Week v/d Religies en Levensbeschouwingen 20 tot 27 mei
> Vrijzinnige Trefdag 23 juni - Provinciale denk- avonden deGemeente.nu – Enquête
> Debat over GGO's: een reactie
> Levensbeschouwelijke vakken in evolutie
> Opinie: Onverdoofd slachten? Onverantwoord!
> Andere kerk- financiering: debat is eindelijk geopend