Home
Kritisch Lezen
 

Print is dead. 21 nieuwe schrijvers in Vlaanderen.

Auteur:  meerdere auteurs
ISBN:  978 90 8542 209 9
Uigeverij:  Meulenhoff/Manteau
Commentaar: 
Het boek is honderddrieënzeventig pagina’s lang en bevat een mengeling van proza en gedichten. 
In “Print is dead” komen jonge schrijvers aan het woord die de vigerende onheilsprofetieën de mond willen snoeren.  Het plezier van schrijven staat voorop, met de melding dat de literatuur nog wat te zeggen heeft en dat het geschreven boek nog niet dood is.  Om dat kracht bij te zetten werd de omslag gezeefdrukt en met de hand van stempels voorzien.  Zodoende is elk exemplaar van deze bloemlezing verschillend en dus uniek.
Deze pennenvruchten vertonen over het algemeen inderdaad een hedendaags taalgebruik en schrijfstijl, ze zijn vaak kleurrijk en vernieuwend.
De inleiding is verzorgd door de criticus Jeroen Maris.  Hij betoogt dat het tijd is voor nieuwe zangers, aangezien hij vindt dat de Vlaamse letteren in crisis verkeren.  Ik ben het daar niet mee eens, want er verschijnt nog geregeld goede, nieuwe Vlaamse literatuur.
Achteraan het boek is informatie opgenomen over alle auteurs, hun prestaties, publicaties, prijzen enz.  Ik geef hier alleen maar mijn mening over wat in dit verzamelboek voorgeschoteld wordt.
Het zou te lang worden om hier alle stukjes een voor een te bespreken. Ik houd het bij een korte bespreking van de stukjes die mij het meest getroffen hebben.

Jan Aelberts begint een verhaal met: “Misschien bestaan we, misschien ook niet”.  Dat is typerend voor zijn tekst over twee drugsverslaafde doelloze zwervers.  Zijn verhaal eindigt met: “Wie het wat kan schelen, heeft er meer van begrepen dan ik”.  Daar ben ik het volmondig mee eens.
Ivo Allewaert schreef een gedicht getiteld: “Let niet op de rommel”.  OK, ik let er niet op…  Verder brengt hij nog “Identificatiekit” en “De Pelgrim” -  inderdaad in een nieuwe stijl en met nieuwe beelden.
Y.M. Dangre schreef het essay ”Vulkaanvrucht”.  De tekst getuigt van een scherpe observatie van onze sociale leefcultuur.  Hoogdravendheid, gebarenspel, pesterijen, grapjes en dergelijke meer tegenover menselijke warmte en hartelijkheid.  Sarah De Mul schreef met “Onze-Lieve-Vrouwen” proza.  Het werd een prachtige schets van een bedaarde oude vrouw in een rusthuis in confrontatie met haar jonge kleindochter spring-in-‘t-veld.  Emilie Dewittes gedicht “Sebastian” (brideshead revisited) is echt en gevoelig doorleefd.  Lotte Dodions “Kruis” III en IV hoort thuis in de categorie poëzie.  “De telefoon” vind ik goed gemaakt.  “IV” dan weer, is voor mij betekenisloos. Sylvie Marie schreef “Jij, de stilte” – volgens mij een verdienstelijke poging.  Het thema stilte wordt zowel figuratief als abstract uitgedrukt.  Het vormt onwerkelijke beelden.
Eva Mouton brengt “Woensdag, kip-met-frietdag”, over een misgelopen chatsessie en de nadelige gevolgen daarvan.  Dit stukje valt op door compacte en heldere verwoording. 
Christophe Van Gerreweys “Regen of niets” toont aan dat de man het schrijven in zijn vingers heeft.  Het gaat over het einde van een relatie, maar zijn uitvoerige beschrijving van de regen vertoont meesterlijke trekjes.

“Print is dead” vind ik in zijn geheel zeker de moeite waard.

Willy Raats



 

Valide CSS!