Home
Kritisch Lezen
 

Filosofie voor een betere wereld

Auteur:  Floris Van den Berg
ISBN:  9789045016474
Uigeverij:  Houtekiet, Antwerpen
Commentaar: 
“Dit boek is niet alleen een ethische en politiek-filosofische verhandeling over de rechtvaardiging van de moraal en over wat een rechtvaardige samenleving is, maar ook een moreel appel om moreel te handelen en om het goede leven te leven op weg naar een betere wereld.’ (p. 265)  In deze woorden kenmerkt
Van den Berg zelf de inhoud van zijn boek “Filosofie voor een betere wereld” en dat is inderdaad in een notendop de inhoud.

De rijkdom van zijn pennenvrucht houdt uiteraard veel meer in dan in die enkele woorden tot uiting kan komen.  De belangrijkste bronnen van zijn ethisch denken worden gevormd door het utilitaristische gelijkheidsprincipe van Peter Singer, dat streeft naar een gelijke behandeling van gelijke belangen; de individuele vrijheid zoals ze werd beschreven door John Stuart Mill en dat de nadruk legt op het principe van niet schaden; en het concept van een hypothetisch sociaal contract van John Rawls, dat gericht is op het verbeteren van de slechts mogelijke positie waarin iemand kan terecht komen, of, anders gezegd, het verbeteren van de situatie van de meest benadeelde.  De principes van Singer, Mill en Rawls worden samen gebundeld in wat Van den Berg zijn universeel subjectivisme noemt en dat als methode aangewend wordt in een gedachte-experiment.  Dit gedachte-experiment mondt uit in een ecohumanistisch manifest. 
De benaming ‘universeel subjectivisme’ zou kennistheoretisch kunnen geïnterpreteerd worden als een subjectief ervaren moreel oordeel dat tegelijk algemeen geldend is.  Hoewel hij het woord subjectivisme niet als zodanig verklaart, moet het slaan op het persoonlijk ervaren van goed en kwaad, maar dan uitstijgend boven de eigen vooroordelen, waardoor dat ervaren universeel wordt.
Hij reikt dan vanuit de drievoudige inspiratiebron de criteria aan waaraan dat oordeel dient te voldoen, en vanuit de Verlichtingstraditie argumenteert hij op rationele gronden zijn standpunt.  De individuele mens krijgt voorrang op het collectief, steunend op de niet te ontkennen impact van de realiteit van pijn en vernedering.

Als kritiek op deze manier van redeneren zou kunnen aangemerkt worden dat de levende moraal of de morele gevoeligheid in een samenleving niet afhankelijk is van een redenering, maar dat moraliteit voortvloeit uit de dagelijkse praktijk en minder rationeel zuiver is, terwijl de premissen van de ethische redenering uiteindelijk toch ook op gevoelsmatige gronden steunen, zoals de negatieve waardering van pijn. Vernedering en pijn worden dan niet alleen criteria voor morele oordelen, maar morele drijfveren.  Anderzijds maakt de ethische redenering deel uit van de morele groei in een gemeenschap, omdat de mens nu eenmaal een rationeel en waarderend wezen is.  In dit perspectief moet het boek van Van den Berg gezien worden als een bijdrage aan een ethische bewustwording dat zich niet beperkt tot de bestaande situatie, maar dat verder wil gaan in het verbeteren van de wereld.

In zijn gedachte-experiment houdt vooreerst de uitwerking van het gelijkheidsprincipe van Peter Singer onder andere in dat dieren, die eveneens pijn kunnen lijden, geen ondergeschikte plaats toegewezen krijgen ten overstaan van de mens, en wel in de mate dat zij pijn kunnen lijden.  Hij ziet de uitbreiding van de ethische bekommernis in een historisch perspectief: achtereenvolgens kwamen de slaven, de vrouwen en de holebi’s aan bod in het wegwerken van discriminerende houdingen, en thans moet ook de gevoeligheid ten overstaan van dieren in de schijnwerpers worden geplaatst.  Als het criterium pijngevoeligheid is, dan mag er geen uitzondering gemaakt worden voor de dieren.  Dan is het logisch sluitend om ook aan hén rechten toe te kennen.  Dat is de betekenis van gelijke rechten voor gelijke belangen.

Vervolgens positioneert hij de individuele vrijheid zoals beschreven door John Stuart Mill tegenover het communisme en het paternalistische denken dat de eigen opvatting over het goede leven aan anderen wil opdringen en dingen verbiedt die niemand tot last zijn (‘victimless crimes’) (p. 92).  Zolang geen schade wordt berokkend aan anderen kan ieder doen wat hem of haar belieft, en dat schade berokkenen moet in zeer enge betekenis worden verstaan.  Zo is het feit dat een moslim zich beledigd voelt door cartoons over de profeet Mohammed nog geen reden om censuur toe te laten.  De gewelddadige reacties daarop zijn wel fout.  De vrijheid wordt dus negatief ingevuld: dit betekent dat wat niét schaadt aan anderen ook niet mag verboden worden - vanuit welke principes dan ook.  Maar vrijheid mag niet uitsluitend negatief ingevuld worden, want dan belandt men in het libertarisme.  De auteur noemt het voorbeeld van de VSA.  In de lage landen heerst liberalisme, waar ook positieve vrijheid haar plaats krijgt.

Ten slotte houdt het maximaliseren van de minimale positie waarin iemand had kunnen terecht komen in dat een hypothetisch uitgangspunt genomen wordt in het bepalen van wat rechtvaardig is.  Niet vanuit de positie van de blanke, rijke, gezonde, mannelijke, hetero wordt bepaald wat ethisch noodzakelijk is, maar vanuit de benadeelde positie van de kleurling, de arme, de zieke en gehandicapte, de vrouw, en de homo.
Van den Berg maakt dan ook de gedachteoefening in de veronderstelling dat iemand respectievelijk in een rolstoel zit, een vrouw is in Saoedi-Arabië, een homoseksueel in Iran, een koffieboer in Ethiopië,….  Hij stelt dat iemand geboren wordt in een derdewereldland of ter wereld komt over 500 jaar, dat je Anne Frank bent, en ten slotte dat je een koe bent in een geïndustrialiseerd productieapparaat.  Één voor één worden deze situaties aan een onderzoek onderworpen en worden er besluiten getrokken die als criterium gelden voor een betere wereld.

Van den Berg is een seculier humanist en daarin gaat hij consequent vrij ver.  Hij verdedigt niet enkel het atheïstische gedachtegoed, maar klaagt ook de nefaste invloed aan van de godsdiensten.  En dan gaat het niet uitsluitend om ontsporingen van enkele gelovigen, maar om de intrinsieke kwade invloed die in elke godsdienst schuilt.  En inderdaad, als vrijheid en menslievendheid centraal staan, komt de botsing met dogma en morele dwang vanzelf.  Zo verfoeit Van de Berg de indoctrinatie van kinderen.  Godsdienst met de paplepel ingeven staat haaks op een volwassen vrije keuze.  Pas als een persoon in staat is om in alle vrijheid en redelijkheid zijn levensbeschouwelijke keuze te maken en dat op een leeftijd waar hij daartoe bekwaam is, kan godsdienst aan bod komen.  Ondertussen dient hij opgevoed te worden in een sfeer van kritische verantwoordelijkheid.  Van den Berg weet ook wel dat de religies dan minder kans maken, maar dat kan geen reden zijn om de levensbeschouwelijke vrijheid in te perken.  Sommige praktijken in de opvoeding van kinderen zouden alleszins moeten verboden worden, omdat ze een beperking inhouden van de ontplooiing van de persoonlijkheid.  Als grootste uitwas haalt hij de clitoridectomie (verminking van de vrouwelijke geslachtdelen) aan, maar ook de besnijdenis van jongens, die hij als kindermishandeling beschouwt.  ‘Het thuis onderwijzen van kinderen of het stichten van privéscholen zou om dezelfde redenen niet toegestaan mogen zijn.  De overheid dient door middel van verplicht algemeen openbaar onderwijs de vrijheid van meningsvorming mogelijk te maken.’ (p. 187)  Dit is een wel verregaand standpunt en de vraag kan gesteld worden of zoiets niet indruist tegen de vrijheid van onderwijs.

De grote verscheidenheid aan levensbeschouwingen noodzaakt een modus vivendi om het samen leven mogelijk te maken.  Daartoe ontleent Van den Berg het begrip ‘moreel Esperanto’ aan Paul Cliteur.
Het moreel Esperanto is als het ware een morele taal die door iedereen kan aanvaard worden.  Het veronderstelt een minimale overeenstemming.  Vanzelfsprekend zullen fundamentalistische en extreme standpunten dan niet kunnen.  Wie zijn eigen religieuze waarheid als de waarheid vooropstelt zal inderdaad moeite ondervinden om zich te vinden in sommige principes van het moreel Esperanto.  Er zal bijvoorbeeld geen plaats zijn voor groeperingen, zoals ze in de VSA bestaan, die menen dat ze moorden mogen plegen in naam van een goddelijke wet die de legalisering van abortus verbiedt.  Zij mogen het wel oneens zijn, gewelddaden zijn ongeoorloofd.
Volgens Van den Berg impliceert vrije meningsuiting dat in een beschaafde samenleving kwetsende en beledigende taal toegelaten is.  Nochtans wil dat niet zeggen dat dit beschaafd individueel gedrag is. Anderzijds mag de angst voor gewelddadige reacties niet leiden tot autocensuur.
De democratisch aangenomen wetten staan boven elke andere wet.  Ze vertegenwoordigen niet een bepaalde levensbeschouwing naast de andere, maar laten toe dat alle aanvaardbare levensbeschouwingen naast elkaar kunnen bestaan.  Ze zijn niet gebaseerd op een bepaalde opvatting van het goede leven, maar moeten de verschillende opvattingen mogelijk maken.

De ecologie krijgt een belangrijk aandeel in het boek.  Daarom introduceert Van den Berg de term ecohumanisme.  Iedereen is immers verantwoordelijk voor het welzijn van de toekomstige generaties en de schadelijke invloed van een niet in te tomen economische groei.  Wat die economische groei betreft, zal niet iedereen het met hem eens zijn.  Voor heel wat ecologisten is niet per se de groei de boosdoener, maar wel het afwezig blijven van duurzaamheid, dat dan met groei te verzoenen valt.  Van den Berg daarentegen denkt dat dit onmogelijk is.  Hij wijst dan ook op de nefaste invloed van de bevolkingstoename, een onderwerp dat wel eens in het debat over ecologie ontbreekt.  Hij oppert zelfs de suggestie van een ecotaks op het krijgen van kinderen, althans in geval van een overtal.  De Gezinsbond zal het niet graag horen, maar er valt niet te ontkennen dat meer mensen meer ecologische voetafdrukken nalaten.
Verder komt de gehele gamma van ecologische problemen en aspecten aan bod: de zoetwaterschaarste; de vervuiling van de oceanen en de overbevissing; de uitstoot van broeikasgassen; duurzame energie en technologie, maar vooral hun implementatie; de biodiversiteit; de natuurreservaten; zelfs het mogelijks uitsterven van de mens; de bescherming van de ongerepte natuur; het dierenleed; de uitbreiding van de mensenrechten tot de mensapen en dolfijnen (p. 257) wegens hun grotere capaciteit om te lijden; de wereldwijde ontbossing; water- en luchtvervuiling; het massale uitsterven van soorten; de toename van CO2 en andere broeikasgassen; de versnelde toename van de wereldbevolking; de uitputting van de fossiele brandstoffen en onvervangbare natuurlijke hulpbronnen.  Deze ongeordende opsomming geeft een idee van de grote verscheidenheid en de volledigheid van zijn ecologische benadering.
Bovendien benadrukt Van den Berg dat het niet volstaat om aan goede doelen te geven, als de ecologische voetafdruk verder die goede bedoelingen meervoudig teniet doet.  Het geven aan goede doelen blijft vanzelfsprekend in se goed, maar kan geen excuus zijn om er verder maar onecologisch op los te leven.  Dat is het appel van Van den Berg om moreel te handelen.  Er is een ook collectieve verantwoordelijkheid die niet kan afgewenteld worden op anderen.  Iedereen is verantwoordelijk. 
In die context behandelt de auteur het verborgen dierenleed.  Het vlees opgestapeld in de warenhuizen staat voor de consument los van het leed dat de dieren is aangedaan om dat vlees daar te krijgen.  Dat is uiteraard niet het geval voor de dierenartsen die controle moeten uitoefenen.  De overheid blijkt te laks om te springen met het probleem en de bestaande wetgeving is uiteindelijk slechts symbolisch.
Van den Berg wijst de ‘deep ecology’ op kennistheoretische gronden af.  ‘Deep ecology’ gaat uit van de intrinsieke waarde van de natuur, terwijl het toch altijd de mens is die waardeert.  De natuur kan uit zichzelf geen waarde hebben.  Zij krijgt die waarde doordat mensen er belang aan hechten, stelt hij.  De standpunten die hij verder inneemt sluiten verder evenwel vrij dicht aan bij deze van de ‘deep ecology’-beweging.

Als afsluiting kan nog worden vermeld dat Van den Berg zijn boek doorspekt met een aantal parabels dat zijn vertoog moet illustreren.  Hij wil duidelijk een zo breed mogelijk publiek bereiken, zijn denkbeelden zo levendig mogelijk voorstellen en zo duidelijk mogelijk laten overkomen.

Hendrik Vanmassenhove



 

Valide CSS!