Jongeren
Grijze Geuzen
Zedenleer
Pers
Home
Nieuws
Activiteiten
Kalender
Fotoalbums
HVV
Structuur
Wie is wie?
Vrijzinnig Humanisme
3 Pijlers
Voorzitter/Woordvoerder
Lid/vrijwilliger worden?
Jobs
Infopakket
Onze Media
Pers
Nieuwsbrieven
Tijdschriften/ Krant
Campagnes
Films
Radio/ Tv
Ons Aanbod
Documentatiecentrum
Didactisch materiaal voor leerkrachten
Wilsverklaring Euthanasie
Vrijzinnige Plechtigheden
Kritisch lezen
Kerkuittreding
Ontmoetingscentra
Workshops
Tentoonstellingen
En nog veel meer!
Webshop
Voor de afdelingen
Links
FAQs
Contact
Sitemap
Home
Kritisch Lezen
De Egoïst Max Stirner
Auteur:
Hans Jansen
ISBN:
978 90 6728 225 3
Uigeverij:
Papieren Tijger & de Vrije gedachte
Commentaar:
‘Als één persoon lijdt aan waanvoorstellingen dan heet dat ‘krankzinnigheid’.
Als veel mensen lijden aan waanvoorstellingen dan noemt men dat religie.’
Robert Maynard Pirsig ( Amerikaans filosoof 1928)
Wie is Max Stirner? Deze vraag stelde de auteur zich toen hij begin jaren tachtig van de 20ste eeuw, zijn naam tegenkwam in een brochure van de Britse anarchist Nicolas Walter, getiteld ‘Wat is een anarchist?’ In deze brochure werd naast de verschillende stromingen van het anarchisme ook het egoïsme behandeld. De filosofie van het ‘egoïsme’ werd toegeschreven aan de Duitse denker
Max Stirner (1806- 1856). Geïntrigeerd door deze eerste kennismaking ging Jansen op zoek naar meer informatie.
Hij ontdekte dat deze zijn opvattingen verwoord had in het boek: ‘Der Einzige und sein Eigentum’, verschenen in 1844 dat in het Nederlands pas werd vertaald in 1906 door J.C. Lansen onder de titel ‘De eenige (enkeling) en zijn eigendom’. Het lukte hem echter niet één uitgave in zijn bezit te krijgen. In 2001 kreeg hij per toeval een boek over Max Stirner ‘Max Stirner, zijn leven en zijn werken’ van de anarchistische propagandist Gerhard Rijnders, uitgegeven in 1930, in handen. Dit boek bleek gebaseerd op ‘Max Stirner, sein Leben und sein Werk’ van J.H. Mackay. Gezien deze laatste in 1925, vlak voor zijn dood, zijn uitgebreide privécollectie van en over Stirner vernietigde, met inbegrip van diens brieven, is Mackays boek nu de voornaamste bron over Stirners leven, inclusief alle hiaten die erin voorkomen.
Toen Jansen besloot een biografische schets over Stirner te schrijven, aangevuld met een korte uiteenzetting van zijn filosofie, ging hij op zoek naar zoveel mogelijk nieuwe gegevens over diens leven en de mensen met wie hij omging. Verder verzamelde hij materiaal over het milieu waarin hij leefde en bezocht zijn geboortestad Bayreuth en Berlijn – de stad waar hij vanaf zijn studententijd tot zijn dood heeft gewoond. Hij verwerkte ook historische gebeurtenissen in het boek om zo Stirners leven in een breder perspectief te plaatsen.
Het leven van Max Stirner
In 1806, de Napoleontische oorlog woedt in alle hevigheid, wordt Max Stirner, oftewel Johan Caspar Schmidt, geboren in het markgraafschap Bayreuth, sinds 1792 een Pruisische enclave in Beieren. Over zijn jeugd hangt een ondoordringbare sluier. In 1826 duikt de dan 20-jarige Johann op in de hoofdstad Berlijn, die op dat moment 250.000 inwoners telt. Hij schrijft zich in voor de filosofische faculteit van de Friedrich-Wilhelms Universiteit, waar hij onder andere godsdienstfilosofie volgt bij F. Hegel, wiens denkbeelden het maatschappelijk debat in die dagen beheersten.
Zijn studietijd wordt meerdere malen onderbroken door reizen en ziekten. Het is pas in 1834 dat hij zich, na zeven jaar studie, aanmeldt bij de ‘Koninklijke Wetenschappelijke Toetsingscommissie’ voor het lerarenexamen. In 1939 krijgt hij een aanstelling als docent in een particuliere school voor ‘deftige meisjes’.
Vanaf 1941 zal hij samen met Bruno en Edgar Bauer, Ludwig Buhl, Friedrich Köppen en
Eduard Meyen, het gezicht vormen van ‘De Vrijen’. Dit is geen vereniging, er zijn geen reglementen of statuten. In wisselende samenstelling maken ook, naast de eerder genoemde schrijvers en docenten, ook journalisten, dichters, studenten, artsen, filosofen en kunstenaars er deel van uit. Ze huldigen uiteenlopende progressieve opvattingen, maar hebben met elkaar gemeen dat ze ontevreden zijn met de bestaande sociale verhoudingen. Er worden felle filosofische en politieke debatten gehouden over onder meer censuur, de socialistische ideologie, de wijdverbreide Jodenhaat, de vrouwenstrijd en de religieuze- en de studentenbeweging. Het is vermoedelijk in ‘De Vrijen’ dat Johann Smidt zijn pseudoniem krijgt. Stirner zou afgeleid zijn van diens opvallend hoog voorhoofd (In het Duits Stirn).
Stirner is 37 jaar als hij voor de tweede maal trouwt met Marie Dänhardt, die zich in de kring van ‘De Vrijen’ beweegt op een vrijgevochten en rebelse manier. Ze rookt sigaren, speelt biljart en ze drinkt bier ‘uit even grote glazen als de mannen’. Geweten is dat Stirner en zijn vrouw het huwelijk slechts beschouwden als een wettelijke verbintenis. Noch hun verschillende opvattingen, noch hun karakters zouden het toelaten elkaar in een keurslijf te dwingen.
De auteur toont in deze monografie goed aan dat Stirners gesloten karakter een schaduw werpt over diens leven. De mensen die hij ontmoet weten nauwelijks iets van hem. Hij verbergt zijn privéleven en door zijn gereserveerde houding worden er ook geen vragen gesteld.
In 1944 verschijnt ‘Der Einzige und sein Eigentum’ (De enkeling en zijn eigendom) bij de bekende Uitgeverij Wigand te Leipzig. De meningen lopen zeer uiteen, zoals altijd bij het verschijnen van een controversieel boek. Er is bewondering, maar ook hoongelach en minachting. Ook onder ‘De vrijen’ zijn de meningen verdeeld. Niettemin beseffen zij wel dat het boek getuigt van scherpzinnige inzichten en dat het een grote zeggingskracht heeft.
De verwerpelijke reputatie die Stirner krijgt door de publicatie van zijn omstreden denkbeelden zullen hem de rest van zijn leven blijven achtervolgen. Als hij in 1956 overlijdt aan een bloedvergiftiging is hij dan ook een armoezaaier die totaal vereenzaamd was geraakt. Na zijn begrafenis nemen slechts een paar kranten notie van Stirners dood. Zijn literaire nalatenschap komt in handen van Ludwig Buhl. Wat hij verder aan spullen nalaat is vrijwel waardeloos.
Stirner en zijn filosofie
‘De Enkeling en zijn Eigendom’ gaat lijnrecht in tegen de nieuwe stromingen. Hij rehabiliteert het individu in een tijd dat het Hegeliaanse anti- individualisme overheerst. In zijn boek neemt Stirner ‘letterlijk’ geen enkel beginsel als vaststaand en onherroepelijk aan, behalve het eigen Ik. Volgens Jansen legt hij de werkelijke aard van de mens bloot: die van egoïst.
Stirners strikte en ‘compromisloze’ logica is nergens mee te vergelijken. Hij verheerlijkt niet de absolute vrijheid, noch de totale losbandigheid. Evenmin gelooft hij in een ideale, vervolmaakte mens of wereld. Hij verkondigt veeleer de soevereiniteit van het individu. Volgens Stirner heeft de mens geen roeping, bestemming of taak. In een tijd dat bijna iedereen in Europa geloofde dat men in dienst van God moest leven, was dat een regelrechte aanval op het Christendom. Toch, meent de auteur, was Stirner geen werkelijke bedreiging voor de kerk omdat hij beschouwd werd als een ontspoorde excentriekeling.
Stirner liet zich 150 jaar geleden door niemand iets wijsmaken. Voor hem is God niet meer dan een waanvoorstelling die de mens ooit uit ontzag en vrees voor al het onverklaarbare geschapen heeft. Vervolgens reduceert hij alles wat als heilig wordt vereerd – niet alleen God, maar ook de Staat, de ‘ware mens’, de partij, het volk - tot zoethouders die ooit als dogma’s boven het individu in stelling zijn gebracht door profeten en ideologen.
Volgens Stirner wordt de mens gedwongen zijn egoïsme te ontkennen onder druk van de alles overheersende moraliteit. Toch meent hij dat egoïsme de innerlijke drijfveer is van alle gedragingen, waarbij dient worden aangetekend dat de mens heel vaak door misleiding allesbehalve zijn persoonlijke belangen behartigt, al is hij er zelf heilig van overtuigd dat hij dat wel doet. Bovenal, meent Jansen, ontmaskert Stirner op sublieme wijze de werkelijke ‘aard’ van de Staat, door op zijn vele haatopwekkende machinaties tegen buitenlandse mogendheden te wijzen. Niettemin is hij er zich van bewust dat een wereld zonder staten het verstand van de huidige mens ver te boven gaat.
Eens het individu verlost zal zijn van alle ideologische en religieuze valkuilen zal hij zich kunnen bezighouden met zijn medemens en zal hij enkel zijn egoïsme dienen. Vanaf dat moment spreekt hij van een bewuste egoïst. Deze zal beseffen dat het in zijn belang is zich met anderen te verenigen om zijn materiële eigendommen te behouden.
Ondanks zijn defaitistische kijk op de wereld, was Stirner - paradoxaal genoeg - van mening dat bewuste egoïsten met hun belangenverenigingen ooit over hun wereld zouden heersen.
‘De enkeling en zijn eigendom’ is vooral een filosofie van de groei van het ego. Door Stirner werd het existentialisme voor het eerst modern geformuleerd: ’Je hoeft enkel jezelf te herkennen, te erkennen wat je werkelijk bent en je schijnheilige inspanningen op te geven. Je waanzinnige pogingen iets anders te zijn dan je bent.’
Stirner houdt zijn lezer een spiegel voor, trekt de sluier van hypocrisie en zelfverloochening weg en opent de ogen: meedogenloos, provocerend, ironisch. Hoewel Stirner zich niet in een hokje laat duwen, is hem zowat alles naar het hoofd geslingerd gaande van nihilist, individualist, anarchist, hedonist, profeet, dissident, advocaat van de duivel tot zelfs ‘Don Quichote’.
In zijn nawoord stelt de auteur voor het gemakshalve maar te houden bij Egoïst, met een hoofdletter… vandaar de titel van dit boek.
De laatste jaren wordt Stirner weer vaker gezien als een invloedrijk denker. Niet alleen op internet kan men honderden sites vinden die zijn denkbeelden behandelen, vorig jaar was er in België een nieuwe Nederlandse vertaling van ‘De Enige en zijn Eigendom.’
Sonja De Schaepdryver
[ terug ]