Home
Kritisch Lezen
 

Godenslaap

Auteur:  Erwin Mortier
ISBN:  97890XX
Uigeverij:  De Bezige Bij, Amsterdam
Commentaar: 
Op 11 november 2008 was het precies 90 jaar geleden dat de 1ste WO eindigde.  Het is tegen de achtergrond van ‘de Grote Oorlog’ dat de nieuwe roman van Erwin Mortier zich afspeelt.  
Met ‘Godenslaap’ gooit Mortier, vooral bekend als schrijver van plattelandsromans, het over een heel andere boeg.  Zijn vijfde roman is een schitterend en tegelijk ongrijpbaar boek geworden.

In ‘Godenslaap’ blikt Helena Dumont, een stokoude vrouw die de dood voelt naderen ,terug op haar jeugd: “Elke ochtend lees ik in braille de grijns van de doodskop af in mijn vlees. Als memento mori volstaat dat” . Van kindsbeen af schrijft Helena.  Niet om te publiceren maar voor zichzelf. ”Men moet wachten tot men dood is om zijn geschriften prijs te geven.”  Ze is haar leven lang een observator geweest.  Als kind al waren boeken voor haar een ‘soort doden’.  Ze hield van het anonieme, het postume dat elk boek in zich draagt.  Nu haar man, haar dochter en haar broer overleden zijn, is haar Marokkaanse verpleegster, de enige persoon waarmee Helena nog contact heeft.

Helena is de kleindochter van een Frans-Vlaamse herenboer en de dochter van een Vlaamse groothandelaar.  Haar wereld is die van de burgerlijke Belle Epoque.  Elke zomer gaat ze, om een paar maanden aan te sterken, met haar moeder en broer naar de grootouderlijke hofstede aan de Noord-Franse kust.  Zelf beschrijft ze het huis als volgt: ”Het Scheef Kasteel hing tussen twee manieren van wonen in, tussen nut en praal, alsof het ooit in een moeilijke metamorfose van boerenwoonst tot buitengoed was blijven steken.’
Het huis lijkt op een termietennest waar een hardnekkig matriarchaat regeert over de seizoenen.  
Wat Helena vooral mist uit haar kindertijd is de feestelijke chaos: het gekrioel van de massa’s, het gewemel tussen de paardentrams, de koetsen, de karren en bovenal de familiefeesten voor oudejaar. Het milieu waarin ze opgroeit heeft “het noodgedwongen gewroet en hard labeur” van het werkvolk omgesmeed “tot een ideaal van vlijt en nijverheid”.  We beschouwden onszelf als het ‘heilzame midden’.  En zoals haar broer het wel eens lachend durfde te stellen had God met de burgerman
‘de ideale thermostaat geschapen.’
Ze herinnert zich nog goed de dienstmeid Emilie, die woont in de nok van het dak “en haar doet denken aan een brede, kruikvormige, gehavende eeuwenoude gebarsten amfoor”.
Op school bij de Zusters Cisterciënzerinnen gaat haar fascinatie voornamelijk uit naar de grotendeels onzichtbare nonnen in hun goddelijke ‘termietenburcht’, tot ze begint te vermoeden dat de rituelen de immense vrees in toom moeten houden dat de godheid wel eens zou kunnen exploderen en aldus een storm van losgeslagen betekenissen zou ontketenen.
Haar broer Edgard is haar halfgod.  Als hij haar uit wandelen neemt voeren hun tochten langs wijken en stadsdelen die voor haar verboden en dus onbekend terrein zijn.  “Daar overleefde een mensdom dat ‘ons soort volk’ beschouwde als een werkmierenkolonie.”
Al deze herinneringen zijn erg fragmentarisch; het gaat immers vooral om het observeren, waarbij noch de volledigheid, noch de chronologie van belang zijn.

De zomer voor dat de oorlog uitbreekt vertrekken ze naar het vakantiehuis aan de Noord- Franse kust. Wat begint als een gewone vakantie, zal vanwege die oorlog een noodgedwongen verblijf worden van drie jaar.  In dat eerste jaar lijkt de oorlog voor haar iets schitterends en zoals ze zelf zegt “bezoop ik me aan de drukte die de aanwezigheid van de legers over de landerijen wierp.”  Pas later komen de verhalen over de verschrikkingen van de oorlog, de loopgraven, het vernielde stadje Ieper - dat ze meermaals bezoekt met de Engelse officier- persfotograaf Matthew Herbert, die later haar echtgenoot en de vader van haar dochter zal worden.  
In de beschrijvingen van de oorlog dringt zich vooral de term ‘obsceen’ op.  Niet dat de gruwelijkheden zelf obsceen zijn, wel de achteloosheid waarmee ze gepleegd worden, de ogenschijnlijke banaliteit ervan.  Zo merkt Helena de lijken, die in de modder liggen op een verlaten slagveld, niet op totdat ze de foto’s ziet.  Zo is ‘obsceen’ ook het woord dat ze gebruikt voor de ordentelijkheid van de rijen soldatenhelmen, die op de helling van een dijk liggen.  Ze doen haar denken aan zeeschildpadden die aan land zijn gekropen.
‘Obsceen’ is ook de dood van de kleine Amélie Bonnard die, als uit het niets, getroffen wordt door een schrapnel.
Dat Helena ook in haar oorlogsvertellingen een toeschouwer blijft, mag blijken uit volgend citaat:
“Het is vreemd om vier jaar lang iets te doorstaan wat later een Wereldoorlog zal heten, terwijl die oorlog voor ons de wereld herleidde tot een dorp waar wij verbleven.”

Toch zal de oorlog Helena niet sparen en een hypotheek leggen op haar verdere leven.  Erwin Mortier toont hier subtiel aan hoe weerloos de mens is tegenover de geschiedenis: ”We zijn muizen die in het looprad van het noodlot trappelen (…)  Geen sonnet heeft ooit de koers van de geschiedenis verlegd. De wereld is de wereld.”

‘Godenslaap’ is inhoudelijk een ijzersterk opgebouwd en meeslepend verhaal met herkenbare personages in een herkenbare, voorbije tijd.  Maar bovenal is het een fijnmazig kantwerk van taal, een bedwelmende muziek van zinnen die de lezer dwingen om trager te lezen.

“Hoe graag had ik niet een oneindig lange zin uitgesproken, die al wat er was in zich opnam, zoals een hofdame uit de pruikentijd, in wier lokken een armada van parels kapseist, haar talloze rokken optilt terwijl ze de trappen van de opera betreedt- of de ladder van het schavot.”

Om niets van de schitterende, bij vlagen poëtische taal te missen, een goede raad aan de lezer: lees dit boek langzaam of lees het tweemaal.


Sonja De Schaepdryver


 

Valide CSS!