Identiteit

  • strict warning: Declaration of views_handler_filter_node_status::operator_form() should be compatible with views_handler_filter::operator_form(&$form, &$form_state) in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/modules/node/views_handler_filter_node_status.inc on line 13.
  • strict warning: Declaration of views_plugin_style_default::options() should be compatible with views_object::options() in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/plugins/views_plugin_style_default.inc on line 24.
Non-fictieNon-fictie
boek-afbeelding: 
Auteur: 
Paul Verhaeghe
Uitgeverij: 
De Bezige Bij, Amsterdam, 2012
ISBN: 
978 90 234 7303 9

De cover toont het helemaal: pseudo beautykindje ‘Savanha’ kijkt ietwat hypnotiserend met een ingelepelde identiteit voluit in de camera.  Ze is ‘klaar’ voor de neoliberale ‘meritocratie’.  Eén vingernageltje is echter afgebrokkeld…

In ‘Identiteit’ meet Paul Verhaeghe de sociale, morele en mentale schade op van dertig jaar neoliberalisme en vrije markt denken.  Verpletterend: ‘Dit economisch bestel brengt het slechtste in onszelf naar boven.’  We zijn verdwaald in een maatschappij van sociale ontwrichting en op hol geslagen individualisme.  Mensen zijn competitieve diertjes, uit op eigen gewin, ingesteld op de ‘struggle for life’ en de ratrace.  Deze nieuwe invulling van het sociaal darwinisme ziet geen ruimte voor empathie, solidariteit of rancune.  De meritocratie stelt iedereen aansprakelijk voor het eigen succes.  En voor het eigen falen…

Dat de westerse maatschappij vandaag problemen heeft met het individuele en collectieve identiteitsgevoel, valt amper te ontkennen.  Overal rommelt het debat over eigenheid en diversiteit, identiteit en het verlies van normen en waarden.  Want we zitten opgescheept met een ‘achterlijke' islam, een ‘sociaal profitariaat', verwende ‘fopspeenjongeren', een graaicultuur, …  Welja: “Nooit had de westerse mens het zo goed, nooit voelde hij zich zo slecht.” (p. 112)  Foute identiteit!
Misschien is het wel een probleem dat op gezette tijden élke cultuur treft.  Niks nieuws onder de zon, maar ook niks om stoïcijns of fatalistisch van te worden.  Toch legt Paul Verhaeghe de westerse maatschappij - ‘What’s in a name ?’- op de psychoanalytische sofa en peilt naar de mogelijke oorzaken, gevolgen én oplossingen van de malaise.  Het viel te verwachten dat hij daarbij een nefaste verandering vaststelt in de vorming van onze identiteit(en) en in de normering (waardevorming) daarvan.  Ook niet zo onverwacht: het neoliberale ‘meritisme’ dat het sociale weefsel domineert, is de schuldige.  Samengevat: wie geen succes heeft, moét wel abnormaal en ziek zijn.  Terwijl eigenlijk het opgedrongen streven naar succes, erkenning en geluk een kwalijke terugslag blijkt te hebben.  We zijn allemaal slachtoffers en lijden aan een verlies aan zelfbesef, zijn gedesoriënteerd en vertwijfeld. Een plausibel en herkenbaar verhaal, al is het maar omdat we dat eigenlijk allemaal reeds lang weten. De vraag moet dan eigenlijk zijn of de psychoanalyse, bijvoorbeeld, ons zelfbesef, ons geluk en ons welbevinden kan herstellen.  Een hele opgave…  Maar heeft Paul Verhaeghe daar dan een oplossing voor?  Want de westerse wereld is danig groter dan de sofa van de psychoanalyticus… 

‘Identiteit’ is een kernbegrip in de psychoanalytische filosofie, al dan niet terecht.  Maar kan zij wel accuraat, functioneel en coherent genoeg bevonden worden om - bijvoorbeeld - deze persoonlijkheidsproblemen aan te pakken?  In de optiek van Freud werden de diepere fundamenten van de persoonlijkheid vooral gesitueerd in de eerste levensjaren en in de ouderlijke bindingen. Daarbij ging hij er nogal eens wollig en mystificerend tegenaan.  De wetenschappelijke en therapeutische geldigheid van de psychoanalyse wordt tot vandaag nog steeds bediscussieerd en gecontesteerd.  In afwachting van een definitief verdict breidt Verhaeghe - en hij niet alleen - het bereik van de psychoanalyse zondermeer uit tot de ontspoorde samenleving.  Grondigheid was daarbij in het bestek van ‘Identiteit’ zeker niet haalbaar, maar een minimum aan diepgang en consistentie zou toch meer overtuigd hebben.  Scientisme en religie (?) worden dan wel in vraag gesteld (p. 75), de eigenlijke vraag blijft: heb je de psychoanalyse wel nodig om de ontsporing van de westerse collectieve identiteit te verklaren en te keren?

Hoe komt onze identiteit tot stand?  Wat is daarbij het aandeel van het maatschappelijke?  Geen simpele aangelegenheid en op een intrigerende manier in de psychoanalytische traditie reeds aan de orde sinds ‘Das Unbehagen in der Kultur’.  Allereerst poogt Verhaeghe te verduidelijken hoe identiteit tot stand komt.  Het gaat om een proces van spiegeling (‘mirroring’) versus afscheiding (separatie). Onze identiteit ontwikkelt zich doorheen de verhouding met (de) andere(n).  Dergelijke verhoudingen zijn daarbij zelfs een noodzakelijke voorwaarde (p. 90).  Oké, maar de bedenking kan dan zijn dat je ‘identiteit’ minstens ‘operationeel’ moet definiëren.  Over welke samenstellende elementen van die identiteit hebben we het: morele eigenheid, existentieel besef, schuldbesef, emoties, gevoelens, strevingen? Enz.  Hoe kan je anders nagaan hoe de samenleving de identiteit van haar leden vormt en wat daarin de rol is van het individu zelf?  Identiteit, stelt Verhaeghe, is het resultaat van sociale interactie en wordt doorgegeven van generatie op generatie.  Een mix van gezin, onderwijs, communicatie, media, productieverhoudingen, enz. zorgt voor de transitie van waarden, normen, gedrag, gevoelens, emoties, overtuigingen, …  De verantwoordelijkheid voor dit stuk identiteit ligt daarbij dus blijkbaar buiten het individu.  “Elke identiteit krijgt immers haar invulling door de gemeenschap waarin ze gevormd wordt en bijgevolg door de typische manier van uitwisseling binnen die bepaalde maatschappij.” Wat verder in het boek staat: “Verschillende economische systemen bepalen verschillende vormen van uitwisseling, en bijgevolg andere identiteiten binnen de andere socialer verhoudingen.” (p. 98)
 
Hoe zit dat dan in de neoliberale samenleving?  Anders gesteld: “Wat zijn de effecten van pakweg 30 jaar neoliberale identiteit op onze identiteit?” (p. 118)  Vaststelling: “De veranderde maatschappij weerspiegelt een veranderde identiteit, met daarin een andere ethiek.” (p. 177) Op dit punt schort  nogal wat aan de consistentie van het verhaal.  Verhaeghe poneert een soort ‘onzichtbare hand’, een Big Brother, een Moloch, … (misschien wel een ‘Überich’?)  Andermaal: “Wij zijn het systeem waarover wij klagen.” (p. 231)  Iedereen doet dapper mee, maar niemand is verantwoordelijk. ‘L’enfer, c’est les autres.’  En toch zijn wij zélf die andere…  Zodat oorzaak en gevolg, object en subject eigenlijk inruilbaar zijn.  Wij zijn ons eigen slachtoffer.  Maar waar loopt het dan fout?
“Elke maatschappij, zonder uitzondering, is ziekmakend, net zoals elke maatschappij ook gezondmakend is.  De verklaring is eenvoudig: iedere gemeenschap definieert en kneedt haar vormen van normaliteit, waarmee ze in dezelfde beweging definieert en kneedt.” (p. 211)  Mag het iets  ‘concreter’, want zo blijf je natuurlijk veilig op het droge.  ‘Normaal’ is per definitie een ‘sociale’ norm. Daarmee holt Verhaeghe Michel Foucault achterna. Terecht, want de maatschappij maakt (ons) ziek in twee betekenissen:
1.    door de ‘norm’ te bepalen.
2.    door als ziekteverwekker te doen afwijken van die norm.
“Identiteit heeft alles te maken met ethiek” lezen we op pagina 39.  Natuurlijk, want het gaat om normen en morele keuzes.  Maar de vraag naar de ethische grond daarvan blijft onbeantwoord.  Want wat ís een verwerpelijke identiteit?  Hoe komt die tot stand?  Waarom moet je die verwerpen?  En wat is dan wel een aanvaardbare identiteit?  Voer voor ‘moraalfilosofen’ of ‘moraalridders’?  Waarna Verhaeghe de kritiek van Hans Achterhuis op de neoliberale utopie ter hulp roept – eveneens terecht trouwens.

Toch lees je over de ‘evaluatie’ van de neoliberale (en andere) samenleving het volgende: “Er bestaat niet meteen een objectieve maatstaf waarmee we verschillende ethische systemen kunnen afwegen.” (p. 177)  Hoezo, niet ‘objectief’?  Nochtans maakt Verhaeghe wél een afweging: een gezondmakende norm steunt op de mate van ons geluk.  ‘Geluk’ wordt op die manier het onderliggend criterium voor de ‘goede’ samenleving.  Intuïtief is daarmee de cirkel (en de self fullfilling prophecy) gesloten, het aloude funderingsprobleem en het Baron von Münchhausen syndroom opgelost.  Zeker als je het al even oude utilitarisme weer opdiept: zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen.  Dat laatste wordt opgepoetst met de bevindingen van onder meer Richard Wilkinson.  Diens onderzoek heeft aangetoond dat er een verband is tussen maatschappij en gezondheid.  Een gezonde samenleving levert gezonde, gelukkige mensen af.  Wat een tegenstelling met de neoliberale samenleving die de economische kost van, bijvoorbeeld, suïcidaal gedrag berekent.  Het kan inderdaad niet cynischer. (al moet men zich afvragen hoe exemplarisch en veralgemeenbaar deze neoliberale kwetsuren wel zijn) Echter de vaagheid blijft: wie bepaalt wat ‘geluk’ is? (toch eerder een existentiële, filosofische kwestie).

Paul Verhaeghe ziet de mogelijkheden van een ethisch verantwoorde samenleving.  Bijvoorbeeld in het ethologisch onderzoek van Frans de Waal: “Frans de Waal toonde overtuigend aan dat de primaten waartoe wij behoren, empathie bezitten en gericht zijn op samenwerking en solidariteit - op voorwaarde dat de omgeving dit gedrag bevordert.” (p. 146)  Je zou daarbij haast dat andere onderzoek, van Jane Goodall, naar ‘crimineel’ en ‘martiaal’ gedrag van chimpansees vergeten.  Maar Goodall en/of de Waal, het blijft de vraag of hun bevindingen zondermeer van toepassing zijn voor deze menselijke primaat.  Chimpansees op de freudiaanse sofa? 

Verhaeghe is geen hopeloze doemdenker, gelukkig maar.  Met Dan Pink pleit hij voor meer gerichtheid op autonomie, meesterschap en doel in onze maatschappelijke praxis.  Al is dat allemaal niet meteen evident. Zeker als daarbij niet de neocortex, maar het buikgevoel moet worden aangesproken: “Willen we veranderen, dan zal dat niet gebeuren op grond van rationele kennis, maar via affectief beladen waarden.” (p. 237)  Bijvoorbeeld zoals in het caritatieve vrijwilligerswerk en het engagement à la ‘BOB-campagnes’.  Of hoe het tòch anders kan.  “Het kleine ontmoeten” zeg maar. Kleinschaliger kan het niet.  Geen oplossingen dus vanuit de freudiaanse sofa, maar soms gewoon gezond boerenverstand?  En anders gaan leven…

Ondanks de freudiaanse sofa heeft Verhaeghe natuurlijk een punt.  Zeker wat de kwalijke uitwassen van de meritocratie betreft.

Karel Van Dinter