Drie vormen van weten

  • strict warning: Declaration of views_handler_filter_node_status::operator_form() should be compatible with views_handler_filter::operator_form(&$form, &$form_state) in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/modules/node/views_handler_filter_node_status.inc on line 13.
  • strict warning: Declaration of views_plugin_style_default::options() should be compatible with views_object::options() in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/plugins/views_plugin_style_default.inc on line 24.
Non-fictieNon-fictie
boek-afbeelding: 
Auteur: 
Herman De Dijn
Uitgeverij: 
Polis, 2017
ISBN: 
978 94 6310 228 5

VRT-Middagjournaal 25/04/2017: Raf De Rycke (Voorzitter Broeders van Liefde / België) noemt ‘de beschermwaardigheid van het leven een belangrijke en afgewogen waarde naast de autonomie en het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt. Maar het is geen absolute waarde’. Binnen de muren van de psychiatrische instellingen van de Broeders van Liefde wordt euthanasie bespreekbaar en mogelijk. Voor René Stockman (Generale Overste Broeders van Liefde / Rome) blijft euthanasie onbespreekbaar.

 

‘Een afgewogen waarde…’

Een stap voorwaarts? Verwarring? Het levert alvast een toegespitste lectuur op van 'Drie vormen van weten' van Herman De Dijn. Dat kreeg als ondertitel over 'ethiek, wetenschap en moraalfilosofie' mee en lijkt een verre knipoog naar Immanuel Kant, maar is niet louter het vakkundig aflijnen van drie vormen van weten. In een expliciete casus is het De Dijn (niet helemaal onverwacht) vooral te doen om de bio-ethische afweging van palliatieve verzorging versus euthanasie. Daarin focust hij hoofdzakelijk op het ethische kader van de palliatieve zorgverstrekking en benadrukt hij de relevantie van menselijke waardigheid en levenskwaliteit: ‘Het einde van een menselijk leven kan immers nooit opgevat worden als het uitdraaien van een knop, waarna wordt overgegaan tot de orde van de dag, weer business as usual.’ (p.128) Dat kan je alleen maar beamen. Maar als dat al een verwijzing is naar euthanasie dan werkt De Dijn dat onvoldoende uit in zijn betoog. Palliatieve verzorging en euthanasie hebben elk hun bestaansreden. Het gaat dan niet om het een óf het ander, maar om het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt en de menselijke autonomie…  

Unisono?

In 'Drie vormen van weten' stelt De Dijn vast dat mensen (min of meer) bewust moreel handelen. Moraliteit botst in zijn uiterste beredenering echter op een funderingsprobleem: er is geen dwingende of universeel aanvaarde grondnorm. Er blijft een kloof bestaan tussen zijn en behoren. Maar ook tussen ons kunnen en ons mogen. Dat inzicht ontleent De Dijn aan David Hume. (p.10) Niks nieuws dus, maar het betekent wel dat eenstemmigheid moeilijk te bereiken is! Bij Hume haalt hij echter ook de idee van een ethisch orgaan: de morele intuïtie. Die uit zich (onder meer) in taboes. Noem het een moreel aanvoelen dat aangeeft of iets moreel al dan niet aanvaardbaar is.

De moderniteit stelde nogal wat taboes in vraag. De Dijn citeert in dat verband Leszek Kolakowski: ‘Als ik probeer (…) het gevaarlijkste kenmerk van de moderniteit aan te wijzen heb ik de neiging mijn angst in één zin samen te vatten: het verdwijnen van taboes (…).’ Waarna De Dijn pleit voor een herwaardering van minstens sommige taboes. Bijvoorbeeld dat van de eerbied voor het dode lichaam en het tekort aan donororganen. Of neem de onschendbaarheid van het lichaam en het afstaan van eicellen.
Taboes als zinvolle morele intuïties… Dat ligt moeilijk. Want zijn dergelijke morele organen wel toereikend en betrouwbaar genoeg om ons in moreel opzicht te gidsen in kwesties als (pakweg) kannibalisme, eten van varkensvlees, verdoofd slachten, vrouwenbesnijdenis, doodslag, zelfbevrediging, diefstal, vegetarisme, grafschending, …?
Leuke oefeningen, want reeds in de praktijk van die beleefde ethiek variëren de meningen al te gemakkelijk – ze gaan van permissief, over tegengesteld, tot elkaar uitsluitend en onbeslist. Hier helpt een revisionistische ethiek, zeg maar een beredeneerde ethische calculus, ons ook niet verder. (p.15) Die laatste miskent volgens De Dijn dan weer de inbedding in een betekenisperspectief, en de verspreiding ervan leidt ‘vooral in allerlei vormen van professionele ethiek, in bepaalde contexten, van ziekenhuizen tot media en rechtspraak, tot aantasting van het ethisch aanvoelen van mensen, zonder dat dat revisionisme de voortlevende commonsense-ethiek volledig kan uitschakelen.’ (p.57) Neem de betekenis van pijn en lijden: ‘De echte vraag is dus of pijn en lijden te situeren zijn in een perspectief waarin ze ‘betekenis’ kunnen krijgen of niet.’ (p.75) Maar is de inschatting daarvan niet situationeel en individueel? Tenslotte is het toch de patiënt die lijdt! Komt het dan niet aan de lijdende toe om betekenis te geven aan zijn levenskwaliteit? Die kan immers zoveel concreter en anders ingevuld worden dan het wollige ‘vrede vinden met zichzelf, met het bijna voorbije leven, met zijn naasten.’ (p.119)

Zelfbeschikking…

De Dijn houdt echter vol: ‘Wat we nodig hebben voor een degelijk begrip van palliatieve zorg is een rijk en niet een eng begrip van de mens en van het menselijk leven en sterven, een rijke, geen enge antropologie.’ (p.121) Zijn moraalfilosofische en bio-ethische queeste naar gedeelde fundering mondt uit in principes als menselijke waardigheid en levenskwaliteit. Dat lijken volgens onze morele intuïtie universele waarden te zijn. Volgens De Dijn worden ze door (quasi) iedereen gedeeld. Toch is dat niet zo. Ondanks de (terechte) verankering in de UVRM en het gedreven pleidooi van De Dijn heeft menselijke waardigheid een contextuele en relatieve betekenis. Een kankerpatiëntje heeft een andere (ándere!) beschermwaardigheid dan een rolstoelatleet, een terminale psychiatrische patiënt of een nierlijder. De Dijn: ‘Vandaar misschien bij verdedigers van de zorg de nadruk op de band tussen palliatieve zorg en het bevorderen van de levenskwaliteit.’ (p.125) Iets verder noemt De Dijn ‘elke mens  een onherleidbare, unieke persoon.’ (p.126) Onherleidbaar? Uniek? Dient die levenskwaliteit dan niet begrepen te worden binnen de context van concrete noden, wensen en mogelijkheden? Betekent menselijke waardigheid dan niet vooral dat elkeen waarde heeft vanuit zijn individualiteit en autonomie en dus zelf moet kunnen bepalen welke levenskwaliteit (nog) waardig te noemen is?

De Dijn verdedigt ongetwijfeld een waardige ethiek met betrekking tot de palliatieve zorg, zij het met een nagalm van barmhartigheid, verlossing en vergiffenis… Menselijke waardigheid vloeit echter voort uit het getoonde respect voor een weloverwogen en autonome keuze. De morele betekenis daarvan bij het levenseinde blijft in zijn betoog echter onderbelicht. Daardoor ook de morele status van euthanasie naast die van palliatieve zorgen. Jammer, gezien de actuele ontwikkelingen inzake een waardig levenseinde…

 

Karel Van Dinter