De ziel. Een cultuurgeschiedenis.

  • strict warning: Declaration of views_handler_filter_node_status::operator_form() should be compatible with views_handler_filter::operator_form(&$form, &$form_state) in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/includes/handlers.inc on line 76.
  • strict warning: Declaration of views_plugin_style_default::options() should be compatible with views_object::options() in /home/hvv1b/public_html/sites/all/modules/views/includes/handlers.inc on line 76.
Non-fictieNon-fictie
boek-afbeelding: 
Auteur: 
Ole Martin Høystad
Uitgeverij: 
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2018
ISBN: 
978 253 0450 9

‘Wij zijn overlevenden. Wij weten nu dat iemand ’s avonds Goethe of Rilke kan lezen, Bach en Schubert kan spelen, en ’s morgens naar zijn dagelijks werk in Auschwitz kan gaan.’  (George Steiner)

 

‘Héb jij een ziel?’ probeert de collega-tooghanger als de laatste vraag van het filocafé is opgesoupeerd. De ziel, ultiem hersenspinsel wanneer alle andere disputen zijn verstild… Zucht naar veilige troost? Klemvaste illusie vol wanhopig zelfbedrog en existentiële onrust? Hoopvolle transit naar het eeuwige leven? Of stok achter de deur bij zondig schuldbesef? Wie een bevredigend antwoord heeft, mag het nu zeggen…
Ook ‘De ziel (Een cultuurgeschiedenis)’ van Ole Martin Høystad (1947) biedt in deze niet zomaar soelaas. Al vindt u misschien toch uw meug in het aanbod beproefde opvattingen van de ziel die hij de revue laat passeren…

Geen voer voor zielenherders

Het gaat Høystad gelukkig niet louter om het feitelijke bestaan van de ziel of de troost die ze biedt bij allerlei vertwijfeling. ‘De ziel’ brengt een inventaris van uitgekristalliseerde (p.493) opvattingen over de ziel die de identiteit van een cultuur schragen en kleuren: ‘Zoveel concepten van de ziel, zoveel culturen…’ Høystad zorgt ook voor een genealogie van zielkundige transformaties in de westerse (!) cultuur. Identiteiten (essenties) bepalen en afstammingslijnen traceren is echter geen vrijblijvende zaak, want van bij de start al besmet door terugkijkende stereotypering, onterechte toe-eigening en aanvechtbare exclusiviteit. Valkuilen die zich nog meer aandienen wanneer de Noorse literatuurwetenschapper elders de ziel aanmerkt als ‘een uitvinding die we nu eenmaal nodig hebben’ (www.filosofie.nl). Gaandeweg (maar pas nadrukkelijk bij de analyse van de boze ziel van Adolf Eichmann en aan de hand van Hannah Arendt (p.494)) staat hem daarbij de christelijk-humanistische opmaak van de ziel - die ‘we met de moedermelk ingegeven krijgen’- voor ogen. Niet ironisch genoeg? Net die insteek en het redden van ónze ziel maakt het verhaal van Høystad heerlijk succulent voor bekommerde atheïsten en zorgvuldige materialisten…

Voedsel voor de ziel!

Er dient dus nogal wat uitgeklaard te worden, want de vele diffuse komposities van de ziel zijn moeilijk in essenties te vatten. Dat wordt nog riskanter als je die wil verbinden met de culturele tijdsgeest. Net zo goed ongrijpbaar en efemeer... Een cultuurgeschiedenis van de ziel wordt dan wel een creatief huzarenstuk! Daartoe voert Høystad veiligheidshalve een plejade hoge toonzetters aan die representatief zijn voor hun tijd: filosofen, theologen, kunstenaars, wetenschappers, … Protagonisten van een cultureel tijdsgewricht? Misschien. De selectie is steeds betwistbaar, maar Høystad maakt ze plausibel en intrigerend. Prominent als het over de ziel gaat? Plotinus, Augustinus, Dante, Hegel of Kierkegaard zijn dat zeker. Boeiender zijn echter de eigenzinnige rebellen en dwarsliggers: Epicurus, Boëthius, katharen, Pico della Mirandola, Müntzer, Bruno, Koerbagh, d’Holbach, Meslier, Shelley, de La Mettrie, Feuerbach, Marx, … Die blijven in ‘De ziel’ opvallend braaf afwezig, maar hadden ons kunnen vertellen hoe een dominant zielsbegrip conformeert en onderdrukt. Daar is het Høystad echter veel minder om te doen. Al is er gelukkig toch Nietzsche…

Welke Ziel?

Ondanks de beperkte aandacht voor die veelal materialistische dwarsliggers is ‘De ziel’ een uitvoerige en diepzinnige tocht langs de hoofdlijn van de (westerse) cultuurgeschiedenis. Die laat Høystad beginnen in de Griekse oudheid. Slechts heel even vraagt hij zich af of de Neanderthalers al beschikten over een minimale notie van de ziel. Hun grafrituelen suggereren immers het besef van een leven na de dood. Her en der stelt Høystad dat minimale ‘bezieling’ nodig is om te kunnen gewagen van menszijn. Dat had hem kunnen brengen tot meer aandacht voor de schiftende polemieken tussen concurrerende opvattingen van de ziel. Die was er alvast in het zuiverende werk van de inquisitie: ketterse zielen eindigden nogal eens op de brandstapel. Dat was nog meer aan de orde in Valladolid (1550-1551) met de vraag of men indianen kan beschouwen als mensen (Las Casas), maar ook bij de (christelijke) rechtvaardiging van kolonisatie, slavernij en racisme. Mét bijhorende bekeringswoede…
Ander voorbeelden? Bij Plato lag de opvatting van een drievoudig samengestelde ziel (intellect, wil, drift) aan de basis van een ideale (!) kastenstaat (filosofen, wachters, werkers). Vandaag vragen wij ons af of voelende en bewuste soorten moeten beschermd worden. Terwijl Aristoteles (-384/-322) de ziel in zijn tijd toch al beschouwde als een vitalistisch principe dat de levende natuur (organismen, planten, dieren) bezielt.

Van ziel tot psyche

Wanneer Høystad de uitvinding’ van de (westerse) bezieling situeert in de Griekse oudheid, valt daar zeker wat voor te zeggen. Al is dat een ietwat redundante toeschrijving, omdat hij daarbij zelfbevestigend terugvalt op louter geschreven (Grieks) bronnen. Er zijn wat die geboorte betreft ongetwijfeld nog eerdere en uitheemse elementen te vinden: vruchtbaarheidscultussen, initiatieriten, Gilgamesj, Egyptisch Dodenboek, Veda’s, enz. Maar dat werd dan misschien te veel een archeologisch verhaal…
Hoe dan ook, bij Homerus (-800) vindt Høystad een ziel met een feitelijke identiteit, onsterfelijkheid en beladen met aristocratische, heraldieke waarden. Die uitvinding van het westerse ideaalbeeld van mens en ziel zal doorheen de verdere cultuurgeschiedenis vorm krijgen: zelfbewust, maakbaar, intentioneel, nobel en hoogstaand. Immers, de ziel ‘vertelt iets over wat wij willen als mensen, waar we in geloven en wat we willen met onze levens.’ (p.497)
Plato verheft de mythische ziel van Homerus tot een drieledige psyche: intellect, wil, en drift. Zij is het zelf van de persoon en de drager van de rede. Plotinus (p.84), nog eventjes onchristelijk, vat de ziel op als een emanatie van het Ene en deel van de wereldziel. Om dat te bereiken moet ze zich bevrijden en zuiveren van het lichaam. Voor Augustinus is de ziel het voorwerp van geloof en goddelijke genade. Een radicale omslag… (p.90) Waarna de christelijke middeleeuwen gedurende duizend jaar de hoogtijd van de ziel kunnen zijn: ‘Iedereen (…) wil haar begrijpen.’ (p.91) Van filosofisch en theoretisch begrip wordt ze religieus en voorwerp van geloof: ‘(…) door God gegeven en eeuwig met een substantie die de dood overleeft om zo verder te kunnen leven in het hiernamaals, in de hemel of de hel al naargelang verdienste of geloof.’ (p.498) Mét het christelijke en augustijnse zondebesef als toegevoegde waarde…
In de renaissance komt de opvatting van ondermeer Aristoteles terug onder de aandacht. Steeds meer wordt de ziel het voorwerp van filosofische reflectie. Opeenvolgende filosofische opvattingen geven haar een eigen invulling: humanisme (Montaigne), rationalisme (Descartes), empirisme (Locke, Hume), verlichting (Kant), romantiek (Goethe), ... Allemaal bekommeren ze zich om de ziel.
Na de bemoeienissen van Kant en Hegel krijgt de ziel in de loop van de 19de eeuw telkens een nieuwe betekenis. De bijzondere aandacht van Høystad gaat daarbij naar Kierkegaard - ‘We weten dat we op aarde zijn, maar weten niet waarom. Dat creëert vertwijfeling.’ (p.288) - en Nietzsche, want ‘een der oudste en eerbiedwaardigste hypothesen’ (p.337). Bij hen krijgt de ziel een existentiële dimensie.

Andere woorden, ander mensbeeld…

Høystad vertelt zijn verhaal van de ziel aan de hand van talige protagonisten: Dante (‘Divina Commedia’), Montaigne (‘Essays’), Goethe (‘Faust’) Kierkegaard (‘Of/Of’, en andere), Kafka (‘Het Proces’) en Joyce (‘Ulysses’). Dat maakt het verband tussen de ziel, de talige mens en de cultuur wel tastbaar, maar het zegt (ondanks Joyce) amper iets over de alledaagse beleving van de ziel. Met Wittgenstein deelt hij de overtuiging dat ‘de werkelijkheid van de mens is gevormd en geconstrueerd door taal.’ (p.403) Dus ook het al of niet begrijpen van de ziel doorheen de taal als een ‘toegang tot het innerlijke’. (p.414) Bedenking van Høystad over de ziel: ‘Zonder taal bestaat ze niet, ontwikkelt ze zich niet, met een ander mensbeeld dan het onze als gevolg.’ (p.411)

 

“Misschien zijn er een paar genen die ons zielenleven mogelijk maken,
Misschien kregen we op een gegeven moment in onze ontwikkeling
een antropologische dimensie die we de ziel zijn gaan noemen.” (p. 310)

 

Misschien? Høystad twijfelt... Maar met ‘The expression of emotions in man and animals’ (1872) bracht Darwin misschien wel de grootste desacraliserende klap toe aan de klassieke opvatting van de ziel. Voortaan kon ze begrepen en verklaard worden vanuit de evolutietheorie en de antropologie: een menselijk kenmerk dat ook gesignaleerd werd bij andere soorten. Aristoteles terug van weggeweest?
Vandaag wordt de (westerse) ziel niet meer gezien als iets substantieels met een wezenskern, maar wel als ‘heterogeen samengesteld uit integrerende relaties tussen gevoelens en wil, bewustzijn en gedachten, die idealiter een overeenstemming met algemene normen nastreven, en hun concrete inhoud krijgen door een sociaal-cultureel en persoonlijk vormingsproces.’ (p.505) Overtuigend genoeg? Allicht. Mogelijk zélfs voor harde materialisten… Want daarmee ligt de ziel vandaag uiteindelijk languit op de wetenschappelijke dissectietafel van biologie, psychologie en antropologie. En dankzij de psychiatrie en moderne hersenscans ging ze niet verloren, maar kreeg ze terug haar bevoorrechte stek in de kunst, de filosofie en de ethiek. Zodat ze niet alleen beantwoordt aan de spirituele en hooggestemde menselijke behoeften, maar ook van belang blijft voor religie en godsdienst.

Met de ziel als inzet…

We leven in tijden van multiculturele onrust, levensbeschouwelijke transitie en zielennood. Daarom verkent Høystad ook de status van de ziel in de islam en het boeddhisme. Wat kunnen zij betekenen voor het behoud van de ziel?
Het ultieme doel van het boeddhisme is de rustgevende ontbinding van de ziel: ‘Waar de westerse filosofie de ziel ziet als de essentie van de persoonlijkheid, ziet het boeddhisme haar als een illusie, net als het zelf, een misverstand dat moet worden opgelost.’ (p.424) Ondanks de ontredderde hunker van het westen naar zingeving en de vlucht in yoga en rustgevende ashrams blijft de vraag of de twee verschillende culturele werelden elkaars zielsbegrip wel kunnen vatten. De boeddhistische ziel als remedie voor westerse jachtigheid en onrust? Een inherente antinomie allicht…
Dat geldt misschien ook voor de islam. (p.447) Al zijn de diverse opvattingen over de ziel daar ontstaan en gegroeid uit oud-Griekse, joodse en christelijke invloeden. De gangbare opvatting van moslims houdt vast aan ‘de zekerheid dat er slechts één God is, dat hij in het hiernamaals na het laatste oordeel met hem kan samenkomen.’ (p.454) Het soefisme zoekt de verlossing van de ziel exclusief en individueel in de eenheid met God (tawhid). Geloofspunten die ook te vinden zijn in het christendom. Intussen blijft de letterlijke lezing van de koran over de ziel, maar ook over andere geloofspunten, problematisch voor de mogelijkheid van een moderne islam…

Welke ziel?

Aan de hand van de casus van de zielloze Adolf Eichmann en de ‘banaliteit van het kwaad’ van Hannah Arendt (p.483) overschouwt Høystad de huidige westerse ontzieling en ‘het feit dat de ziel over haar houdbaarheidsdatum heen is.’ (p.472) Eerder al was de lege ziel van Jozef K. (‘Het Proces’, Franz Kafka) voor hem ‘een representatief beeld van de ziel in een zielloze samenleving waarin het kind, de ziel, met het badwater van de secularisatie, rationalisering en banalisering is weggegooid.’ (p.387) Daarom bepleit Høystad ‘het bestaansrecht van de ziel, haar raison d’être’ (p.485) als ‘een uitvinding die we nu eenmaal nodig hebben’ om meer mens en humanist te zijn. Maar welke filosofische, psychische, religieuze of andersoortige ziel is daarvoor nodig?

Terug naar George Steiner dan maar? ‘Wij zijn overlevenden…’

 

 

Karel Van Dinter