| Zestig Een dagboek Ingrid Vander Veken |
|
HVW - HVR Uitz.: 16.08.10 Opn.: 01.07.10 Real.: Frank Stappaerts Zestig. Een dagboek - Ingrid Vander Veken Beginwijs -- Goedenavond luisteraar en welkom in HVW. Vandaag hebben we Ingrid Vander Veken te gast. Vorig jaar publiceerde ze “Zestig. Een dagboek” of, zoals ze het zelf noemde, “Mijn rimpelboek”. Het zijn aantekeningen over het dagelijkse leven en bespiegelingen over vergrijzen in de hoogdagen van een jongerencultuur. Maar er is niet alleen het boek. Met als titel “Zestig” maakte Vander Veken ook een voorstelling waarmee ze dit en volgend jaar zal rondtoeren langs verschillende culturele centra. Maar laten we de auteur zelf aan het woord: Ingrid Vander Veken en “Zestig”: MUZIEK 1 Er staat iets te gebeuren. Iets wat mijn leven grondig overhoop zal gooien. Ik moet ergens doorheen – een dal. Of ergens overheen – een berg. Al maanden gonst het rond mijn kop, in alle mogelijke toonaarden. Plagerig, spottend, meewarig, bewonderend, soms ook met een zeker ontzag. Geen vriend of verwant die mij er niet attent op maakt. Zelfs tot mijn bejaarde moeder is het nieuws doorgedrongen. Haar parkinson en steeds kortere geheugen verbleken bij de kwaal die er nu aankomt: het bezit van een zestigjarige dochter. De enige die er niet bij stilstaat, ben ik. Maar ik mag dan niet van het stilstaanderige type zijn, van het nieuwsgierige ben ik wel. Zo langzamerhand wil ik het ook wel eens weten, wat er zo bijzonder is aan zestig. Ik ga naar de boekenkast, kantel uit het rek een groot zwartlinnen cahier, schroef de dop van mijn vulpen. Ik geef mezelf ruwweg een jaar – de helft om het te worden, de helft om het te zijn. De rest is om verder te gaan. Een dagboek, dus. Van een jaar als elk ander, of misschien juist niet. Met alertheid voor alles wat draait rond zestig, het worden en het zijn. Of mag het ook een beetje meer zijn, mijnheer/mevrouw: niet enkel mijn zestig, en niet enkel zestig? Maar ouder worden in het algemeen, in een wereld die daar liefst van wegkijkt, maar er met zijn neus op wordt geduwd als een hond op een drol. MUZIEK 2 Hoe word je zestig? Je zorgt dat de zon de hele dag schijnt. Je laat Cecilia Bartoli aria’s van La Malibran zingen en Le Quatuor Talich strijkkwartetten van Beethoven spelen. Je haalt de zestig witte tulpen die je van P. hebt gekregen – een traditie, ingezet toen je leeftijd én de prijs van de tulpen veel lager lagen – uit het papier. Dan gaat de bel. Een goede vriendin met een prachtige, met been ingelegde doos. Er hoort een briefje bij: ‘Om zestig kostbare jaren in te bewaren!’ De bel gaat opnieuw. Een andere vriendin met de nieuwste Franse literaire sensatie en woorden van Wislawa Szymborska: ‘Wanneer ik het woord Toekomst uitspreek, vertrekt de eerste lettergreep al naar het verleden Wanneer ik het woord Stilte uitspreek, vernietig ik haar Wanneer ik het woord Niets uitspreek, schep ik iets dat in geen enkel niet-bestaan past.’ Je beantwoordt wenstelefoons, opent wenskaarten, leest wensmails. Er zijn er bij van vrienden uit verre en minder verre buitenlanden. En ook van twee schoolvriendinnen uit een ver verleden. Hun naam begint allebei met een A. A1 ken je van de lagere school. Elke dag gingen jullie op pad in hetzelfde uniform. Aan de hand jullie jongere broertjes, die aanhoudend moesten worden aangespoord en meegesleurd. Want er mocht niet te laat op school worden gekomen en er moest onderweg worden gestopt bij het snoepwinkeltje voor cintrik en zoute drop. Jullie hebben bij elkaar de eerste zwelling van tepels vergeleken, het eerste aarzelende schaamhaar. Zij noemt jou en zichzelf nog steeds bij de koosnaampjes die jullie elkaar toen gaven. En giechelt daar dan net zo bij als toen. A2 ken je van de middelbare school. Jullie hebben een eeneiige tweeling gedeeld, blonde godenjongens die eenieder jullie benijdden. Je hebt haar verwarde verhalen aangehoord toen ze na een auto-ongeval met een schedelbreuk in het ziekenhuis belandde. En jaren later heb je haar van een ander ziekenhuis naar huis vervoerd, omdat zij dat na de zoveelste chemo tegen borstkanker niet zelf kon. Ze schrijft dat mensen normaal gezien voortaan voor je zullen opstaan in de tram, maar dat je blij moet zijn dat je met haar op tram 6 kán zitten. Ze heeft gelijk, godverdomme: jullie leven nog! Al wie jou wensen stuurt, leeft! Jij leeft! En je doet wat je elke dag doet. Je fietst naar het park en gaat op een bank zitten. En kijkt naar sneeuwklokjes en krokussen, madeliefjes en sliertjes blauwe maagdenpalm. En aan het eind van de dag voeg je er je eigen verjaardagswens aan toe: Nu moet er iets anders komen Anders dan groter en wijder – dieper misschien? Anders dan rennen en redderen – stilstaan misschien? Anders dan voorwaarts of zijwaarts – over de schouder misschien? Anders dan je was, niet volledig maar toch – net voldoende misschien? Anders dan tien, twintig, dertig, veertig, vijftig – zestig misschien? Anders: minder, maar meer van mij. MUZIEK 3 Zondag 16 maart Stiefzusje heeft eigenhandig haar euthanasiewens geschreven. Alles en nog wat heeft ze voorbereid. Prentje ontworpen, muziek gekozen, plaats en verloop van de receptie. En ook waar haar as verstrooid moet worden. Maar nog is ze er niet gerust op. Komt het wezengeld voor haar zonen wel in orde? Moet het bij twee glazen champagne blijven op de receptie? En wie moet erbij zijn, als het gebeurt? Voor haar raam staat een grote bolle struik waaraan duizenden bloemknopjes heel hard hun best doen om te ontluiken. Woensdag 19 maart Als ik ’s avonds mijn computer uitzet en de radio aan, hoor ik het. Hugo Claus. Alzheimerend toch nog het tijdstip van zijn dood zelf bepaald. Eerst nog goed getafeld met vrienden, goed gepraat en goed gelachen. Behalve een imposant oeuvre ook een imposante les in sterven achtergelaten. Donderdag 20 maart Stiefzusje heeft het ook gehoord. Ze was er net uit hoe zij het wilde. Doodgaan op de dag dat de lente begon, en de zaterdag daarop een receptie in de foyer van de Bourlaschouwburg. En nu is de schrijver haar voor geweest, anders kan ze het niet bekijken. Boos: ‘Hij heeft me mijn zaterdag afgepakt!’ Vrijdag 21 maart Dat het nu moet, zegt het stiefzusje. Het is genoeg geweest. Als het niet kan op de eerste lentedag, dan maar op de tweede. Als het feest niet nu zaterdag kan, dan maar volgende zaterdag. Als ook die zaterdag bezet is, dan maar meteen, nu donderdag. Morgen sterft een meisje van vierenveertig. Stop met een lunchpakket bij het meisje van bijna achtentachtig. Verwittig haar dat ik er morgen niet zal zijn om haar te helpen verder te leven, want dat ik elders verwacht word om iemand te helpen doodgaan. Wat moet dit meisje tussen deze twee, met haar zestig jaren, haar machteloze handen, haar hoofd dat deze verwarring niet geordend krijgt? Zaterdag 22 maart Stiefzusje wil niet langer wachten, stiefzusje wil het nu. Niet om één uur, maar meteen. Overhaast rukt iedereen uit. Het is elf uur. De dokter prikt de injectiespuit in de port-a-cath – van levensondersteunend naar stervensondersteunend hulpmiddel. Koppelt er een verlengstuk aan zodat hij discreet opzij kan zitten en er rondom haar voldoende plaats overblijft voor ons. Heel zacht en als uit de verte, hoor ik hem een laatste keer vragen of ze het zo wil. Tussen de lakens zie ik haar gele kopje knikken. Het is halftwaalf. Ze ligt op het bed, tussen haar zonen in, twee mannen plots en zij het kind. Even is er dat korte snikken, en dan gaat ze. Vastbesloten, uitgevochten. Zondag 23 maart Dat dit het omzeilen van lijden en dood is, zegt kardinaal Danneels. Volgens mij is dit het lijden en de dood in de ogen kijken. Ik heb haar zien kijken, monseigneur. Gisteren, en al die dagen daarvoor. Vijftien jaar lang. Woensdag 26 maart En de dokter sprak: pas op, of ik krijg je niet weer in elkaar gezet. En de moeder sprak: flauwekul, en viel tussen kast en bed. In het water dat ze wilde drinken en het water dat ze niet meer kon ophouden. Ambulance naar het ziekenhuis. Weg van de pilletjes in de vakjesdoos. Weg van de kalkoenfilets en de stamppot in haar koelkast. Weg van wat haar in leven houdt. Weer wat verder weg. Dijbeenfractuur. Tractie, met anderhalve, geen twee kilo. Ze weegt er zelf nog geen veertig. Morgen wordt ze geopereerd. Donderdag 27 maart Van het meisje van bijna achtentachtig dat in de ontwaakkamer niet wil ontwaken, naar de Bourla, waar afscheid wordt genomen van het meisje van vierenveertig dat nooit meer zal ontwaken. Er staat een foto van haar, een brutaal jong nest. En voor iedereen een kaarsje om mee naar huis te nemen en aan haar te denken. Op haar verzoek zingen wij samen haar geliefde kinderwijsje: ‘Ik ga met mijne lantaren, en mijne lantaren met mij. Daarboven schijnen de sterren, beneden schijnen wij. Mijn licht gaat uit, ik ga naar huis. Ra bimmel, ra bammel, ra boem, boem, boem.’ Door een waas zie ik haar twee zonen hun armen rond hun snikkende grootmoeder slaan. Vrijdag 28 maart Moeder wonderlijk wakker. Gifgroen T-shirt met een giraf erop. En ik snijd haar vlees en laat haar drinken, wrijf haar lippen en wangen in met amandelmelk, in een toestand van lichte euforie omdat er toch ergens een goede afloop is. Zaterdag 29 maart Opnieuw de Bourla, opnieuw een rouwdienst, nu voor Hugo Claus. Rood podium, rode pluchen stoelen, met rode rozen bedekte katafalk. Een weelde van woorden en een weelde van muziek. Maar als ik in dezelfde foyer kom waar ik eergisteravond ook was, wordt het me te veel. Ik omhels snel enkele vrienden en haast me naar buiten. Zondag 30 maart Ik zal een wandeling maken door mijn geliefde park, het eekhoorntje groeten. Ik zal de champagne koel leggen, waarmee wij in het ziekenhuis de ach-tentachtigste verjaardag van de moeder zullen vieren. En ik zal verder werken aan mijn boek over Bali, het eiland waar alles met alles te maken heeft, het hoge met het lage en het leven met de dood. Waar alles is zoals het heel even in deze rouwweek leek, een doordacht vervlochten geheel in plaats van de chaos van het leven. Morgen is het maandag. Het kleine boze meisje en de grote lieve dichter zijn dood. ’s Avonds zal ik een gedicht van hem lezen en voor haar een kaarsje ontsteken. En ik zal verdergaan met mijne lantaren, ra bimmel, ra bammel, ra boem, boem, boem. MUZIEK 4 Sprookjes uit het vergrijzingstijdperk. 1. Pieter en Henriëtte vieren hun eiken huwelijk. Pieter is honderddrie, Henriëtte honderdtwee en ze zijn tachtig jaar getrouwd. Dat vinden ze heel bijzonder, maar hun dochter moet hen er wel regelmatig aan herinneren, want ze dementeren allebei. Maar telkens als ze het zegt, en dat doet ze zo ongeveer om de tien minuten, zijn ze weer oprecht heel blij. En zo leven ze nog lang en gelukkig… 2. In de gang van een Nederlands bejaardentehuis is een trein nagebouwd. Eersteklasstoelen, koffieservice en in plaats van de ramen videoschermen waarop een polderlandschap voorbijraast. Elk uur wordt hetzelfde filmpje herhaald, maar voor de alzheimerende oudjes is het telkens weer een nieuwe reis. Second life als first life. MUZIEK 5 Kijk, maar kijk dan toch: dit zijn de handen die jou al die jaren streelden, dit de borsten waar je je tegenaan vlijde, die je kneedde dit de benen die zich kromden om jouw rug, de schoot waarin wij onszelf verwekten alsof niet bestond wat komen moest: verkleuring, kaalslag, zwaartekracht. Als liefde niet blind meer is wordt zien een daad van bevestiging MUZIEK 6 De deuren van de ambulance zwaaien open. Als een koningin op een praalbed wordt mijn moeder naar buiten geschoven, het revalidatiecentrum in. Daar moet ze opnieuw leren lopen. ‘Wat zijn uw verwachtingen?’ vraagt de dokteres. ‘Ik zou naar huis willen,’ zegt mijn moeder beverig, ‘maar dan moet ik wel de trap op.’ ‘Un jour… peut-être?’ heeft iemand op de rug van een bank in het park geschreven. Alles mag ik. Haar gebit poetsen, haar slipjes aan- en uitdoen. En nu ook naast haar zitten als ze tussen gesloten gordijnen op de pot moet. ‘Stinkt het niet te erg?’ vraagt ze. ‘Welnee’, sus ik. ‘En wat dan nog? Dat kan jij toch niet helpen.’ En ik denk aan haar twee kamergenoten die op dit eigenste ogenblik achter de gordijnen hun bloemkoolsoep oplepelen en kipfilet met worteltjes en aardappelen verorberen. ‘Un jour… peut-être?’… …En ik blijf maar kleren en schoenen aandragen. Zo langzamerhand hangt haar hele garderobe in het revalidatiecentrum. ‘De verpleegsters complimenteren me met mijn outfits’, zegt ze opgetogen, en ik verdenk haar ervan van de dagelijkse fitnesstraining een modedefilé te maken. Ze is zo vermagerd dat we besloten hebben over te schakelen op een patisseriedieet. Ik duw haar rolstoel langs de koelvitrine, haar ogen flitsen van fruitpunt naar roomsoes, van meringue naar javanais. Vandaag: taart met kersen en amandelschilfers en onnoemelijk veel room. We zoeken een plaatsje buiten op het terras. En als de taartpunt op is, trek ik haar witte steunkousen uit en lak in zilverkleur de nagels van haar tenen en vingers. Dat is niet echt netjes, maar daar trekken mijn moeder en ik ons niks van aan. Un jour… En de moeder wijst naar het plafond: ‘Wat is dat?’ Het witte dopje is daar bevestigd tijdens haar verblijf in het revalidatiecentrum, maar ze is al tien dagen thuis eer ze het merkt. ‘Dat is jouw brandalarm’, zegt de dochter. Waarop de moeder, straal voorbijgaand aan het waarom van het ornament, maar met een feilloos oog voor de esthetiek ervan: ‘Dat hebben ze mooi gedaan, echt waar, heel knap. Voor een brandalarm toch.’ MUZIEK 7 ‘Jarenlang voel je jezelf sexy – je speelt je troeven uit, je strooit met een charmante glimlach, je voelt jezelf goed in je vel. En dan plots beslist de biologie dat het allemaal maar eens gedaan moet zijn. Zestig? Nee, dank u!’ zegt Glenn Close. Kristin Scott Thomas zegt: ‘Er is niets mis met rimpels. Rimpels zijn zoals de nerven van een blad, die zijn toch ook mooi.’ Het helpt natuurlijk dat een blad Kristin Scott Thomas heet. Diane Broeckhoven zegt: ‘Ik ben erachter gekomen dat ik nog best mooie benen heb, alleen het vel is niet zo mooi.’ We vergelijken onze benen en vervolgens het vel van onze armen, de bruine vlekken en wat wij tactvol zonneschade noemen. Als we daarmee klaar zijn, houden we onze bloes open en inspecteren we elkaars decolleté, waarbij we ontdekken dat onze borsten elkaars spiegelbeeld zijn, want zij heeft een peperkous op haar linker- en ik op mijn rechterborst. We eindigen bij onze gezichten, waar de rimpels voor iedereen voor het rapen liggen, omdat de enige voor ons aanvaardbare lifting een hoog opgetrokken paardenstaart of strakke Pippi Langkousvlechten zijn, en de leeftijd daarvoor zijn we echt voorbij. Jelica Novakovic zegt: ‘Ik hang mijn Balkanhakjes aan de haak. Mijn knieën kraken. Ik heb me een paar Birkenstocks aangeschaft, maar dan wel gouden – dat hééft tenminste iets.’ Ik val haar bij: ‘Ik heb net hetzelfde gedaan. Maar dan in bronskleur.’ Zo rijm je op onze leeftijd ijdelheid met gezond verstand. Maria zegt: ‘Toen ik zestig werd, heb ik een jaar lang gehuild. Ik weet niet eens waarom, er is dat jaar niks bijzonders gebeurd. Maar ik kon niet stoppen met huilen, zelfs ’s nachts in bed lag ik zachtjes te snikken.’ Ze zet het strijkijzer neer, duwt haar handen af aan de strijkplank en draait zich met open armen naar me toe. ‘En kijk nu eens naar me! Ik ben de zeventig voorbij, en ik heb nog nooit zoveel energie gehad. Zestig worden was verschrikkelijk, maar zeventig? Dat ging vanzelf!’ En de Nederlandse saxofonist Piet Noordijk, die zijn zestigste jubileum als jazzmusicus viert, zegt: ‘Ik ben nu wel vijfenzeventig geworden. Maar daar ben ik naartoe geluld. Morgen ga ik gewoon weer verder met vijfenveertig, hoor!’ MUZIEK 8 “Zestig. Een dagboek” van Ingrid Vander Veken is een uitgave van Meulen-hoff/Manteau en is te koop in de goede boekhandel. Wie meer informatie wil over de voorstellingen van “Zestig”, kan terecht op de website www.ingridvanderveken.be, waar je alle locaties en data terugvindt. Daarmee zijn we aan het eind aan HVW. Samenstelling en presentatie waren van FS. De muziek was van Keith Jarrett. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel. 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op h-vv.be, waar je de uitzending nog even kunt herbeluisteren. Volgende week zijn we er weer en dan praat KVD met de werkgroep atheïsme van de HVV en is er ook een bijdrage van het VF over het VF-jaar. Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week! Muziek: 10” High Heels - Sakamoto Sakamoto 262975 4’20” The Köln Concert - K. Jarrett K. Jarrett 810 067-2 |