| Zahava Seewald - Anselmus |
|
HVW WF
Zahava Seewald Anselmus
Opname: 13.08.09
Uitz.: 17.08.09
Samenst.: KVD
Muziek:
45” Hymnus (VIII) Choralschola der Wiener
Hofburgkapelle XXX 432 089-2
15” Signe E. Clapton E. Clapton 9 45024-2
15” Words
for Tsipora Z.
Seewald M.
Grébil TZ
7198
1’00” Don’t be frightened Z.
Seewald/M. Grébil Z.
Seewald/M. Grébil TZ 7198
45” See
the sun Z. Seewald M. Grébil TZ 7198
Goedenavond en welkom bij HVW, met daarin twee bijdragen. Het
aloude godsbewijs van Anselmus van Canterbury blijft intrigeren. Mattias
Vanderhoydonks bijt er zich nu al jaren in vast en schreef er “Anselm’s
Linguistic Pitfall” over met een voorwoord van Hubert Dethier. Verder in de
uitzending een gesprek met de auteur en met Hubert Dethier. Want wie is die
Anselmus? En wat is er mis met zijn godsbewijs? Maar we beginnen met de
bijdrage van het WF over Marokkaanse verscheidenheid. Want dé Marokkaanse
gemeenschap bestaat niet. En dat wil het WF toch even gezegd hebben. Eerder was
er reeds een gesprek met Adil Fraihi, hier geboren, maar met Marokkaanse roots,
en die zichzelf beschouwt als vrijzinnig. In deze bijdrage van het WF een
gesprek met Zahava Seewald.
‘Ik kom uit een gemengde
familie. Twee joodse ouders, maar uit compleet verschillende culturele
werelden. Dus mijn vader was uit Polen en mijn moeder uit Marokko, Casablanca.
Zij kwamen naar hier in de jaren 60. Ik ben in Deurne geboren en later, toen ik
20 was, ben ik naar Brussel verhuisd om in een andere culturele sfeer te kunnen
bewegen. Want Antwerpen is een zeer kleine en gesloten stad, wat de orthodoxe
joodse gemeenschap betreft in ieder geval.’
Zahava Seewald, van het ‘Joods museum van België’, maar ook van
het Psamim Ensemble met een repertoire op basis van oude joodse en Spaanse
liederen en poëzie. Zahava Seewald heeft een joods-Marokkaanse moeder en een
Poolse vader. En ook al stapte ze uit de joodse gemeenschap, heeft die nog
steeds betekenis voor haar …
Het feit dat mijn moeder Marokkaans is, heeft een betekenis voor
mij. En voor haar ook. Dus het is een compleet verschillende wereld. Zij heeft
ook dingen meegenomen uit Marokko, uit de culturele sfeer van Marokko, die ook
niet speciaal in verband staat met het jodendom. Zij voelt zich ook zeer
Arabisch in de brede betekenis van het woord. Zij voelt zich meer dan joods en
ze voelt zich ook verbonden met de Arabische cultuur, met de Arabische taal,
met Arabische muziek. Dat is ook typisch voor de joden uit Marokko, dat zij een
link voelen met de wereld rondom hen. Wat niet het geval is met Asjkenazische
joden, bijvoorbeeld.
Dat gaat eigenlijk in hoofdzaak over uw moeder. Geldt dat ook voor
u?
Ja, ik denk dat zij mij dat meegegeven heeft. Omdat ze daar met
zoveel enthousiasme over sprak en het ook een deel van mij is. Ik werk hier in
het museum, ik ben ook muzikant, ik ben zangeres, en ik heb ook in mijn
researchwerk in joodse muziek veel dingen willen overnemen van de Arabische
muzikale wereld. Er is niet één Arabische muzikale wereld, maar ik heb ook
getracht daarmee een link te creëren.
U hebt joods-Marokkaanse links via uw moeder, maar u hebt die
eigenlijk niet helemaal verloochend?
Neen, ik begrijp zelfs niet dat men die dingen kan verloochenen.
Het is normaal, wanneer men breekt met een milieu, dat men in eerste instantie
zeer radicaal is, dat men dat daarna nuanceert en dat het voor mij ook evident
begon te zijn, dat het voor mij belangrijker was dan dat ik dacht. Dus dat het
echt een bagage is die men niet kan hebben als men het niet heeft beleefd. En
dat is fantastisch. En dat vind ik ook jammer voor mijn kinderen. Ik zal hen
niet doen beleven wat ik heb beleefd, omdat … Ik ben niet praktiserend
zoals ik toen was, zoals mijn familie was, de joodse school. Mijn kinderen gaan
niet naar een joodse school. Zij bestuderen dus ook niet de Bijbel in het Hebreeuws,
zij kennen de gebeden niet goed. Zij kennen enkele gebeden, ik kende het
gebedenboek bijna vanbuiten. En voilà, dat zullen wij niet meekrijgen. Maar het
is moeilijk om … Ja, alles te doen is onmogelijk, vooral als je hebt
gekozen om een ‘vrijer leven’ te hebben, tussen aanhalingstekens …
Die ‘vrijere manier van leven’ … Je zou je dan de vraag
kunnen stellen of je dan ook ergens een vrijzinnige ingesteldheid hebt en wat
dat dan betekent.
Ja, in zekere mate vrijzinnig wel. Dat wil zeggen dat ik niet meer
orthodox ben. Maar niet compleet vrijzinnig, omdat ik een link bewaar met het
goddelijke. En het is niet dat ik gelovig ben of dat ik iedere dag bid, maar
het concept dat er iets oneindigs is wat men niet kan berekenen, dat het
ontoerekenbaar is, dat vind ik zeer belangrijk. Voor mij, en dus … Ik weet
niet of ik 100% kan zeggen dat ik vrijzinnig ben. Als ik in het kader van een
feest een gebed zeg, heeft dat ook een betekenis voor mij. Ik zeg dat niet
gewoon opdat mijn kinderen het zouden horen, om een traditie verder te doen
leven. Ik zeg dat omdat het voor mij iets magisch heeft.
U bent dus zeker geen atheïst?
Zeker geen atheïst, nee.
Ik kan mij inbeelden dat er toch wel een bepaalde reactie komt
vanuit de Marokkaanse en de joodse gemeenschap, als mensen zeggen: ‘Ja, maar ik
herken mij daar niet helemaal meer in. Ik ga mijn eigen weg.’ Is daar een
bepaalde reactie op gekomen bij u?
Toen ik 15, 16 was en er waren vrienden, het was zeer
uitzonderlijk, die echt de orthodoxe wereld … Die zeiden tegen mij dat zij
niet meer geloofden, dat het een schok betekent voor de mensen uit de
gemeenschap. Het is zoals … Het is: ‘Gij gaat naar een andere wereld.’ Het
is alsof men rouwen moet over die persoon. Het is zeer sterk, alsof die persoon
echt een vreemde wordt. Mijn vader leefde toen niet meer, dus ik denk dat het
voor hem ondenkbaar zou zijn geweest. Hoe hij gereageerd zou hebben, weet ik
niet precies. Voor mijn moeder was het een schok omdat ik niet trouwde, voilà.
Meer de traditie. En zoals veel mensen uit de Marokkaanse joodse gemeenschap,
zijn ze traditioneel ingesteld, zijn ze minder obsessioneel over details. Maar
meer … Allee, de traditie moet gerespecteerd worden en je moet trouwen,
kinderen hebben en …
Dat uittreden maakt het dan ook moeilijker om verder te blijven
socialiseren – om te gaan met mensen uit de gemeenschap?
Ja, voor mij was dat onmogelijk, want ik weet dat hun blik zo
kritisch is t.o.v. de andere, die niet is zoals zij zijn. Dat het voor mij
onmogelijk is. En wat mij ook altijd fascineert, als ik de Marokkaanse meisjes
zie: ik zie meisjes met een hoofddoek en zij wandelen met een Marokkaans meisje
in een … Zonder hoofddoek of met een minikleed aan, dus … Er is meer
relatie, denk ik, zo op het eerste gezicht tussen de Marokkaanse praktiserende
of zeer praktiserende gemeenschap en de mensen die minder zijn. Terwijl in de
joodse gemeenschap dat ondenkbaar is. Als je joods-orthodox bent, dan ga je
niet om met mensen die dat niet zijn.
Dat raakt uiteraard ook aan het idee of de belangrijke waarde van
verdraagzaamheid. Wat betekent dat dan voor u?
Ja, wat betekent verdraagzaamheid? Ik heb mij altijd verdraagzaam
gevoeld. Omdat mijn moeder dat ook heeft meegegeven. En ze had ook veel Marokkaanse
vrienden, of moslimvrienden, Turkse vrienden in de wijk, die niet jood waren.
Dus zij heeft ons dat meegegeven. Mijn vader had ook niet-joodse vrienden.
Allebei waren een beetje niet zoals de rest van de gemeenschap. En zij hebben
die tolerantie aan ons meegegeven. Ik heb nooit anderen een ‘goi’ genoemd. Dus
‘goi’ voor mij was … Het is niet pejoratief, maar het werd dikwijls
pejoratief gebruikt. En voor mij was dat een taboewoord. Ik gebruikte dat niet,
mijn ouders gebruikten dat niet. Dus het is niet dat ik zei dat de andere joods
was, maar ik zei dat hij niet joods was. Maar dit woord gebruikte ik niet.
De joodse leer heeft natuurlijk ook een aantal morele regels.
Merkt u daar een verschil in uw eigen overtuigingen t.o.v. laten we maar zeggen
de orthodoxe lijn?
Ik denk, als je uit die gemeenschap wilt treden, dan wil je ook
niet het klassieke parcours van: op 20-jarige leeftijd trouw je, je hebt tussen
5 en 10 kinderen. Dus dat zijn natuurlijk essentiële vragen. Huwen is geen
moreel probleem. Het is meer een attitude. In zo’n gemeenschap trouwt men jong,
omdat men geen seksuele relaties heeft voor het huwelijk. Dus het is normaal
dat men op 20 jaar … Dat, natuurlijk, contraceptie niet speciaal wordt
toegejuicht: kinderen hebben is evident omdat het deel uitmaakt van het
Bijbelse plan dat het joodse volk zich moet vermenigvuldigen. Abortus wordt
uitzonderlijk natuurlijk toegestaan als het leven van de moeder of van het
kind, enfin, of weet ik wat … Ik ga natuurlijk niet akkoord met … Ik
vind contraceptie fantastisch voor de vrouw – en voor de man ook – die geen
kinderen willen. Natuurlijk zijn mijn standpunten veranderd met het feit dat ik
van richting ben veranderd.
Zahava Seewald, tussen de joods-Marokkaanse cultuur en
vrijzinnigheid. Een bijdrage van het WF in het kader van het project Beraber.
Voor meer informatie over dat alles kunt u terecht bij het WF zelf. Dat vindt u
aan de Vrijdagmarkt 24-25 in Gent. Telefoneren kan er op het nummer
09 224 10 75. En uiteraard is er ook de website van het WF: willemsfonds.be. Het multiculturele van
Zahava Seewald blijkt ook uit haar artistieke werk. Met aandacht voor de joodse
en de middeleeuwse Spaanse poëzie, maar ook met Marokkaanse en Arabische
invloeden. En dat merk je aan de cd “Zohara”. En daar gaan we even naar
luisteren.
Een stukje uit “Zohara” van Zahava Seewald. En dan nu aandacht
voor het godsbewijs van Anselmus van Canterbury. Want bestaat ie of bestaat ie
niet? En kun je een logisch bewijs verzinnen voor zijn bestaan? Anselmus dacht
alvast van wel en formuleerde als een van de eersten zo’n logisch bewijs.
Geldig of niet, belangrijk is dat hij daarmee de kracht van de rede plaatste
tegenover het zuivere geloof. We praten erover met Hubert Dethier en Mattias
Vanderhoydonks.
‘Convincitur
ergo etiam insipiens esse vel in intellectu aliquid quo nihil maius cogitari
potest, quia hoc, cum audit, intelligit, et quidquid intelligitur, in
intellectu est. Et certe id quo maius cogitari nequit, non potest esse in solo
intellectu. Si enim vel in solo intellectu est, potest cogitari esse et in re;
quod maius est …’
Gregoriaanse
gezangen en Mattias Vanderhoydonks met een stukje uit “Proslogion” van Anselmus
van Canterbury. Dat brengt ons naar de 11e eeuw van Anselmus en zijn beruchte
godsbewijs. Een intrigerend logische puzzel waarin Vanderhoydonks zich nu al
jaren heeft vastgebeten. Onlangs schreef hij er zijn derde boekje over:
“Anselm’s Linguistic Pitfall”, een taaltechnische valstrik. Valstrik, want er
is iets mis met het vermeende bewijs. Straks meer daarover. Eerst praten we met
Hubert Dethier over de betekenis van Anselmus voor de latere filosofie.
Anselmus was immers zowat de eerste die een logisch bewijs voor het bestaan van
God formuleerde en daarmee het belang van de rede stelde vóór het geloof.
Anselmus zag geen tegenstelling tussen geloven en wijsgerig kennen. En dat had
een invloed op latere filosofen. Tot bij Kant en Sartre toe …
Hij neemt een bepaalde plaats in de stichting van die natuurlijke
theologie in, die de paradoxie vertoont dat voor haar de rede uiteindelijk
belangrijker is dan het geloof. Dat was al het geval bij Thomas van Aquino: het
geloof is te zwak, het is het vertrouwen, het is alleen maar het
verzwakkende … Hij wenst een soort van precartesiaanse zekerheid. Daarom
gaat men een beetje terug tot die platonische traditie, zo goed
vertegenwoordigd door Anselmus van Canterbury, die toch vanuit het begrip zelf
het bestaan van God wil afleiden en die een heleboel problemen introduceert die
later bij Kant aan de orde zijn, i.v.m. de analytische oordelen en een
synthetisch oordeel. Synthetisch oordeel dat a posteriori is, dat de ervaring
nodig heeft, de waarneming nodig heeft. En Kant zegt daar zeer duidelijk, een
beetje in het spoor van Anselmus van Canterbury: als we uitspraken doen over
het bestaan van iets, de mogelijkheid van iets of de noodzakelijkheid van iets,
vloeit dat niet uit het begrip zelf voort. Dat zijn geen analytische oordelen,
dat zijn synthetische oordelen, zij voegen er nieuwe informatie aan toe. Dat is
een redenering die men nog terug zal vinden bij Leibniz in zijn overweging over
de geprestabiliseerde orde. Men zal dat zelfs terugvinden bij Sartre in “La
Nausée”, in zijn nadenken over het transcendentale ego, enzovoort. Husserliaans
een beetje. In dat hele husserliaanse vaarwater vindt men dat dus terug.
Het gaat dus eigenlijk om het aflijnen – laten we maar zeggen het
demarkeren – van rede tegenover geloof. En Anselmus neemt daar wel een heel
aparte positie in, hé?
Het is een soort van heiliging van het concrete, feitelijke,
verstandelijke redeneren, dat in feite zijn redelijkheid in zich kan dragen,
als je dat tegen een platonische achtergrond plaatst. Je kunt uit een
noodzakelijkheid en de diepe inherente logica van het begrip in feite het
bestaan afleiden. Dat is wat hij in feite wil doen: een soort van
mathematische, logische redenering volgen. Omdat hij dat volwaardig vindt, een
volwaardig denken. Veel belangrijker dan het geloof zelf. Het geloof is altijd
een beetje aarzelend. Het is een soort van vertrouwen. Dat heeft iets te maken
met iets zeer kwetsbaars in de mens, met verleiding. Terwijl hij iets
cartesiaans wil, een soort van cogito, een soort van transcendentale
apperceptie a priori, zou ik haast zeggen.
Ja, hij beklemtoont daar toch mee dat de rede tot veel in staat
is. Hij beklemtoont daarmee de kracht van de rede.
Het is ook het inzicht dat bijvoorbeeld het bestaan van God, zijn
eigenschappen, de onsterfelijkheid van de mens enzovoort allemaal door de rede
kunnen worden aangetoond. Zeer overtuigend … Nu, het heeft te maken met
iets wat geweldig opkwam in die tijd, vooral eind 13e eeuw, dat is het
onderscheid tussen de almacht van God, vertegenwoordigd door Thomas van Aquino.
En die almacht van God heeft te maken met zijn redelijkheid en dat God een
sluitende redelijkheid nodig heeft. Er zijn geen mirakels. Mirakels moet men afwijzen,
dat is tegen de natuurlijke rede. Dus dat is die strijd. Wat wordt nu de
inspiratiebron van het geloof? Wat wordt de kennisbron van het geloof? Is het
de rede zelf? Is het de redenering? Is het de logica? Of is het de heilsleer,
de openbaring? Je moet de hele beweging van Anselmus van Canterbury een beetje
zien in die ontwikkeling. Men vindt dat dan later terug bij Sartre, als hij
duidelijk zegt en zich duidelijk beroept op Leibniz en op het ontologische
godsbewijs, enzovoort. Om een soort van pantheïstische, optimistische orde in
de wereld te verklaren, aan te duiden, te helpen verwezenlijken. En die hij
nodig heeft als een soort van klankbord om zijn negatieve ontologie te
ontwikkelen.
Hubert Dethier over de betekenis van Anselmus van Canterbury, die
als eerste een logisch bewijs van het bestaan van God formuleerde. Maar, stelt
Mattias Vanderhoydonks, daar schort toch wat aan. Vanderhoydonks bijt er zich
nu al jaren in vast en schreef er “Anselm’s Linguistic Pitfall” over, een
vervolg op zijn eerdere “Taalmisbruik”. Taalmisbruik, want eigenlijk is het
vermeende godsbewijs niet meer dan slordig en oneigenlijk taalgebruik.
In mensentaal gaat het bewijs van Anselmus ongeveer zo:
Zo klaar als een klontje, dus. Maar niet volgens Mattias
Vanderhoydonks.
Er is ten eerste een vergelijking. En de filosofen lezen die
vergelijking doorgaans als een vergelijking tussen twee begrippen. Het begrip
‘een bestaand wezen waarboven niets groters gedacht kan worden’ en het begrip
‘een wezen waarboven niets groters gedacht kan worden’ zonder daarin die notie
‘bestaand’. Nu, als je de vergelijking van Anselmus leest als een vergelijking
tussen twee begrippen, als je dat nauwkeurig bekijkt, ga je vaststellen dat dat
onzin is. Dat je dan het bewijs leest op een zinloze, nonsensicale, onzinnige
manier. Nu is er een andere mogelijkheid om die vergelijking te lezen, namelijk
als een vergelijking tussen een bestaande God en een louter godsbegrip. Als je
dan zegt ‘een bestaande God is groter dan een louter godsbegrip’, is dat
inderdaad een correcte uitspraak, maar dan vergeet Anselmus erbij te zeggen
‘indien er een God bestaat’. Anselmus had eigenlijk vanaf het begin in zijn
bewijs het woord ‘eventueel’ moeten inlassen. Hij had moeten zeggen: ‘Een
eventuele God is een eventueel wezen waarboven eventueel niets groters gedacht
kan worden.’ Dat laat Anselmus weg en als je dat ‘eventueel’ erbij zet, dan
merk je dat dat bewijs tot niets leidt. Dat dat bewijs ertoe leidt om te
zeggen: ‘Indien er een God bestaat, dan is hij niet louter een godsbegrip, maar
dan is hij een heel groot wezen.’
Hoe komt het eigenlijk dat hele generaties filosofen na Anselmus
dat niet zo gezien hebben?
In mijn eerste boekje heb ik het godsbewijs van Anselmus in de
titel al een ‘cryptisch’ godsbewijs genoemd. Als je vaststelt dat negen eeuwen
lang de helft van de filosofen dat godsbewijs bejubelt als het allerbeste
bewijs dat er ooit gemaakt is; als je ziet dat in hoog aangeprezen boeken, en
ook in interviews met professoren op de televisie, dat bewijs een geniaal bewijs
genoemd wordt; en als je anderzijds ziet dat heel veel andere, even
intelligente mensen dat godsbewijs gewoon verwerpen, dan kun je alleen maar
besluiten dat die tekst, heel korte tekst, een echt kluwen is. Dat daar een
valstrik moet in staan waar men niet uit geraakt en waar de lezer zich in laat
verstrikken.
Godsbewijzen … Vandaag de dag lijkt het erop alsof dat niet
meer in is, dat het weinig zin heeft. Ik neem aan dat het jou niet zozeer gaat
om het godsbewijs zelf, over het bewijzen van het bestaan van God, dan wel om
de logische consistentie in het aandragen van een aantal vermeende bewijzen.
Heb ik het daarmee juist?
Mijn boekjes zijn geen poging om te bewijzen dat er geen God
bestaat. Mijn boekjes zijn een poging om die cryptische tekst van Anselmus
correct te analyseren.
Mattias Vanderhoydonks en de aandrang om het godsbewijs van
Anselmus tot op het bot uit te benen. U kunt het allemaal nog eens nalezen in
“Anselm’s Linguistic Pitfall”, uitgegeven bij Wever & Bergh. In feite een
bondige tekst, maar meteen vertaald in 12 verschillende talen. Over de
taalgrenzen heen, dus.
Zo, daarmee zit deze aflevering van HVW erop. Uw reacties en
vragen kunt u zoals steeds kwijt op onze redactie. Telefonisch op het nummer
03 233 70 32 en via de website op h-vv.be.
Wij gaan eruit met muziek van Zahava Seewald op de achtergrond, maar volgende
week zijn we er weer. Met aandacht voor Galilei en de telescoop, ook alweer
zo’n 400 jaar geleden. En FS praat met Jacques Pauwels over “Big business met
nazi-Duitsland”. Volgende week maandagavond dus, meteen na het Nieuws van 19.00
uur op Radio 1. Graag tot dan. Daaaaag.
|