Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow WF Bibnet - Patrick Hebberecht over verpaarsing criminaliteitsbestrijding
WF Bibnet - Patrick Hebberecht over verpaarsing criminaliteitsbestrijding

HVW 14.06.10   WF: Bibnet / Verpaarsing criminaliteitsbestrijding, Patrick Hebberecht

 

Opname:          10.06.10

Uitz.:                14.06.10

Samenst.:         KVD/FS

 

Beginwijs

--

Goedenavond luisteraar en welkom in HVW. Vandaag praten we met Patrick Hebberecht over zijn boek “De ‘verpaarsing’ van de criminaliteitsbestrijding in België”, een bundeling van lezingen die de auteur hield in het kader van de Leerstoel Willy Calewaert in 2006. Straks meer daarover, maar we beginnen met de bijdrage van het WF over Bibnet en de rol van de openbare bibliotheken in een groeiende digitale woordcultuur.

 

Inderdaad, Frank. Want om het individu te emanciperen begon het WF zowat 160 jaar geleden met de eerste volksbibliotheken. Een engagement van het WF bij het lezen en het bibliotheekwezen dat onverminderd blijft bestaan. In oktober is er bijvoorbeeld de Tiendaagse van het Woord. In de aanloop daarvan heeft het WF ook aandacht voor die digitalisering van de woordcultuur en de rol van de bibliotheken daarin. Dan kom je onder meer uit bij Bibnet en een gesprek met directeur Jan Braeckman over het wat, hoe en waarom van Bibnet. Bibnet is een projectorganisatie van de Vlaamse overheid die ervoor wil zorgen dat de Vlaamse openbare bibliotheken ook in een digitale omgeving een meerwaarde kunnen betekenen voor hun publiek.

Dat bibliotheekpubliek gebruikt immers hoe langer hoe meer het internet: collecties worden meer en meer digitaal, zoekmachines vervangen de klassieke naslagwerken, het lezen zelf vraagt andere vaardigheden. Maar ook: niet iedereen is mee. Sommigen vallen uit de boot. Daarom is er dus Bibnet om de lokale openbare bibliotheken te ondersteunen. De eerste vraag voor Jan Braeckman van Bibnet ging al meteen over die toegenomen digitalisering.

 

Heel veel mensen die vroeger voor bepaalde vragen, voor bepaalde lectuur of voor advies naar de bibliotheek stapten, gaan nu het internet op. Die vinden daar hun weg en materiaal. Dus waar vroeger de openbare bibliotheek die eerstelijnsfunctie had voor het publiek, is die functie voor heel veel mensen potentieel overgenomen door allerhande toepassingen op het internet. Dat is een heel belangrijke verschuiving voor de openbare bibliotheken, dus het gedrag van de mensen. Een tweede belangrijke verschuiving is natuurlijk het feit dat een aanzienlijk deel van de collecties zelf effectief op het internet staat of in digitale vorm geraadpleegd kan worden. Ik geef het voorbeeld van encyclopedieën. Er zijn nog zeer weinig mensen die teruggrijpen naar een papieren encyclopedie. Als men al een encyclopedie zoekt, vindt men zijn weg vaak op Wikipedia, wat gratis informatie is, maar dan ook kwaliteitsvolle informatie op zijn manier. Of men gaat naar een digitale databank, onmiddellijk, al dan niet betalend.

 

Is er een beeld van welke mensen in deze problematiek uit de boot vallen wat die digitalisering en het digitale gebruik van bibliotheken betreft?

 

Die digitale kloof is een gelaagde kloof. Er zijn mensen die het moeilijk hebben om zichzelf toegang te verlenen tot het internet. Om dat te leren, om dat te kunnen gebruiken. Zij hebben gewoon de middelen niet om een computer aan te schaffen, of ze hebben geen breedbandverbinding thuis, of ze hebben geen internet op het werk omdat ze werkloos of bejaard zijn, met pensioen. Dus puur dat gebrek aan infrastructuur en de kans om toegang te hebben tot het internet is één aspect. Een ander aspect – en dat is wat ons betreft veel belangrijker – is dat je een digitale kloof hebt op het gebied van de vaardigheden. Er zijn heel veel mensen die eventueel wel die toegang en die infrastructuur hebben, maar niet goed weten hoe met die technologieën om te gaan. Heel vaak veronderstelt men dat dat het geval is bij oudere mensen. Die hebben het moeilijk om die nieuwe technologieën te incorporeren, of missen die vaardigheden, die handigheid, om met die tools om te gaan.

 

Dat is eigenlijk één vorm van digitale kloof tussen de bibliotheekgebruiker, en dan, wat het digitale aanbod is of de digitale mogelijkheden zijn.

 

Met het internet en met alle toepassingen die op het internet zitten, voelt men aan dat er in de samenleving groepen zijn die ook hulp nodig hebben om goed te begrijpen hoe ze het internet aan het gebruiken zijn, of hoe ze (kritsch) moeten omgaan met die massale hoeveelheid content die op hen afkomt. Dat is een behoefte die steeds groter wordt. Men denkt dan niet alleen aan oudere mensen of mensen voor wie het allemaal een stuk nieuwer is, maar ook aan jongeren. Jongeren zijn vaak heel handig met het gebruiken van technologie, die spelen daar werkelijk mee, maar zij ontberen vaak de capaciteit om daar kritisch mee om te gaan. Om te beseffen dat bepaalde dingen die op het internet staan daarom nog niet correct zijn. Of dat de zaken die op het internet staan niet het hele verhaal vertellen, of dat er effectief nog dingen op papier zijn, of dat er zaken niet onmiddellijk toegankelijk of gratis toegankelijk zijn die ook heel waardevol zijn.

 

Nu, over het dichten van dit soort van digitale kloven te dichten: zijn onze bibliotheken zelf voldoende uitgerust om die uitdaging uiteindelijk aan te gaan?

 

Dat is inderdaad een probleem, hé. Wij spreken ook over een interne digitale kloof binnen de bibliotheeksector. Het is zo dat de bibliotheken heel vroeg geprofessionaliseerd zijn, maar die zijn natuurlijk geprofessionaliseerd om te werken met een fysiek gebouw in een lokale context en een fysieke collectie. Daarop zijn heel lang het onderwijs en de vorming van bibliotheken, of de tradities in die bibliotheken, gefocust geweest. Nu zijn grote delen van de collecties potentieel aan het ‘dematerialiseren’, zoals men dat dan omschrijft. We zien dat er bij de bevolking steeds meer nood is aan instellingen die het op zich kunnen nemen om de mensen niet zozeer te voorzien van fysieke materialen, van collecties, maar van vaardigheden, en om hen op weg te helpen. Ook voor bibliotheken is het een heel grote uitdaging om net te leren werken met mensen rond vaardigheden, en niet rond heel concrete dienstverlening met fysieke collecties.

 

Wat kan Bibnet in dit verband eigenlijk allemaal aanbieden?

 

Wij kunnen oplossingen bieden, en we doen dat al een tijdje voor bibliotheken, zodat zij een aantal taken niet op zich moeten nemen, zeker taken die technologische expertise vergen. We hebben het dan over de beschrijving van de collecties op een goede manier, de gezamenlijke aankoop van collecties, zeker van digitale collecties. Een ander type van initiatieven die wij nemen, is de openbare bibliotheken helpen. We doen dat samen met de provinciebesturen, ervoor zorgen dat we de toegang die de bibliotheken voorzien naar hun collecties, steeds aantrekkelijk en echt innovatief maken. Heel veel mensen zoeken op het internet, men oriënteert, men zegt eigenlijk: je moet kunnen zoeken zoals Google. Wel, wat wij doen is ervoor zorgen dat we het gebruiksgemak van Google kunnen evenaren, maar wel met een rijkere omgeving die een volledige weergave is van de volledige collectie of van het volledige dienstenpakket die de lokale openbare bibliotheken aanbieden.

 

Wordt er van dit soort van dienstverlening voldoende gebruikgemaakt door de openbare bibliotheken?

 

Daar is nog een weg af te leggen, omdat dat traag gaat. Dat heeft te maken met verschillende zaken. In technologische projecten moet je altijd stap voor stap gaan, je moet werken met pilootbibliotheken die eerst zijn en willen zijn, die daar ook de moeilijkheden van willen dragen. Anderzijds is het ook zo dat zeer veel bibliotheken lokale instellingen zijn. Men moet ook lokaal de tijd en de ruimte krijgen, ook de financiële middelen, evenals de mogelijkheid om zichzelf te vormen om in te stappen in projecten die door andere overheden op een grotere schaal worden aangeboden. Dus dat kost tijd, ja.

 

Ik zie daar toch ook wel een rol weggelegd voor de overheid, hé. Is er daar voldoende aandacht voor vanwege de overheid?

 

Wel, het feit dat een Vlaamse overheid het op zich neemt om die digitale evolutie van de openbare bibliotheken onder andere met Bibnet te beantwoorden, die het eigenaarschap daarvan opneemt, is al een goede zaak. Ook sinds 2000, sinds het nieuwe decreet op het lokale cultuurbeleid, ontwikkelen de provincies hun eigen initiatieven om ook daar schaalvergrotende projecten op te zetten. En we vinden elkaar om elkaar wederzijds te versterken. Blijven dan de lokale besturen, die eigenlijk de eigenaars zijn van die lokale bibliotheken. Ik kan mij inbeelden dat het voor hen een hele uitdaging is om goed te weten in welke richting het kan gaan met hun lokale bibliotheek en hun lokale context, wat de juiste projecten zijn waarop ze kunnen intekenen. En hoe ze hun lokale instelling, die een bibliotheek uiteindelijk is, kunnen helpen om dat pad te bewandelen naar die digitalisering. Dus ik denk, en dat is iets waar we de laatste tijd elkaar meer en meer vinden, dat we het debat tussen die verschillende overheden en tussen spelers zoals Bibnet en de lokale bibliotheken de eerstkomende maanden en jaren moeten blijven voeren om ervoor te zorgen dat we iedereen meekrijgen. Dus alle lokale besturen moeten inderdaad op de hoogte kunnen zijn van de uitdagingen en mogelijke oplossingen voor hun lokale bibliotheek.

 

Misschien dat daar ook een rol weggelegd is bijvoorbeeld voor organisaties die meer cultureel gericht zijn. Ik denk aan een WF, VF, DF enzovoort. Diezijn in het verleden toch ook altijd heel sterk betrokken geweest bij culturele participatie, culturele emancipatie ook. En de bibliotheken spelen daar uiteraard ook een rol in.

 

Een van de grote bezorgdheden die wij hebben – en dat is dan weer niet de bezorgdheid van Bibnet of van de openbare bibliotheken alleen, maar van de hele cultuursector, denk ik – is dat je in onze samenleving een vrij constante groep hebt van toch tussen de 20 en 30% van de bevolking die we kunnen beschouwen als niet-participanten. Vaak zijn dat mensen die niet alleen niet aan cultuur, aan vrijwilligerswerk of het verenigingsleven participeren, maar vaak ook lager opgeleid zijn of om een of andere reden in hun leven geïsoleerd zijn geraakt. Om een heel concreet voorbeeld te geven: er is een studie geweest van de Taalunie, en ook in andere landen zie je dat, die aanwijst dat minstens 20% van de bevolking functioneel laaggeletterd is. Dat betekent dus dat die mensen au fond niet de geletterdheid of de mogelijkheden hebben om volwaardig, op de meest eenvoudige manier, te participeren aan het maatschappelijk leven. Dat gaat over het lezen van facturen, het begrijpen van een bestelling, het weten wat een dienstverlening op het web is. Ik denk dat het een van de uitdagingen kan zijn van cultuurinstellingen om te kijken hoe zij daarin een rol kunnen spelen.

 

Directeur Jan Braeckman van Bibnet over de digitalisering van de bibliotheken. Met een hint naar de rol van het WF. Bibnet kunt u bereiken via www.bibnet.be. Maar uw reacties kunt u ook kwijt bij het WF zelf. Dat vindt u aan de Vrijdagmarkt 24-25 in Gent. Telefoneren kan er op 09 224 10 75. En uiteraard is er ook de website: www.willemsfonds.be. Doorklikken voor meer informatie over de Tiendaagse van het Woord. Die loopt van 15 tot 25 oktober.

 

 

MUZIEK

 

Van Patrick Hebberecht, hoogleraar criminologie en rechtssociologie aan de Universiteit Gent, verscheen een tijd geleden “De ‘verpaarsing’ van de criminaliteitsbestrijding in België”. Het is een bundeling van lezingen, herwerkt en geactualiseerd, die de auteur hield in het kader van de Leerstoel Willy Calewaert, aan de VUB. Maar ook Willy Calewaert, als criminoloog en als jurist, komt aan bod in het boek. In het eerste deel van het boek bespreekt de auteur enkele historische tendensen in de criminologie. Waar situeert hij Willy Calewaert? Patrick Hebberecht:

 

Ik heb met dit boek een kritisch kader willen uitbouwen om recente ontwikkelingen in criminaliteit en criminaliteitsbestrijding te gaan ontleden. Voor mijn inspiratie ben ik te rade gegaan bij enkele kritische criminologen. Voor de periode van het midden van de negentiende eeuw tot de Tweede Wereldoorlog ben ik te rade gegaan bij de grote criminoloog Willem Bonger, de eerste prof criminologie in Nederland. Voor de naoorlogse periode van de georganiseerde moderniteit ben ik te rade gegaan bij drie wetenschappers die verbonden zijn geweest aan de VUB/ULB, onder wie Willy Calewaert. Ik heb daar dus inspiratie voor mijn kritisch kader gezocht. Nu, Willy Calewaert was in de naoorlogse periode een grote verdediger van het sociaalverweerdenken over het strafrecht. Het naoorlogse denken over het strafrecht werd eigenlijk gedomineerd door een grote discussie tussen enerzijds klassieke denkers, en katholieke strafrechtsgeleerden konden zich daar vooral in vinden. De dader werd gezien als een abstract persoon die moreel toerekeningsvatbaar was. De ernst van het feit moest doorwegen bij de bestraffing van de crimineel. Daartegenover had je denkers – meestal vrijzinnige strafrechtsgeleerden die zich geïnspireerd zagen door het sociaal verweer – die meer keken naar de mens, de crimineel als mens zelf, zijn biologische constitutie, zijn psychologische kenmerken, de sociale omgeving vanwaaruit de crimineel kwam. Samen met een andere strafrechtsjurist, Séverin-Carlos Versele, die ook in het boek aan bod komt, heeft Willy Calewaert gezorgd voor laten we zeggen een meer humanistische, progressieve variant van dat sociaalverweerdenken. Zijn proefschrift uit 1953, toch echt wel een heel merkwaardig boek, is een poging om dat sociaalverweerdenken te humaniseren en om het een progressieve richting mee te geven. Het proefschrift handelde vooral over de oplichting en de oplichter, en in de keuze alleen week Calewaert al af van het traditionele criminaliteitstype. Hij heeft zijn proefschrift in 1953 geschreven over wat men later de witteboordencriminaliteit is gaan noemen. Een andere belangrijke innovatie in 1953 is dat hij niet alleen de dader, de oplichter belicht, maar ook het slachtoffer. Dus hij heeft daar via zijn aandacht voor het slachtoffer een heel nieuwe ontwikkeling in de westerse criminologie in België ingebracht. Zijn geschriften uit eind jaren zestig en uit de jaren zeventig gaan zich radicaliseren. In dat opzicht laat ik me meer inspireren door zijn latere, radicalere geschriften, waar hij minder focust op de individuele dader en het individuele slachtoffer, maar meer misdaad als een sociaal fenomeen gaat bestuderen en in verband gaat brengen met de kapitalistische samenleving, en meer oog gaat hebben voor de machtsaspecten in de strafrechtsbedeling, in de criminaliteitsbestrijding.

 

In de inleiding schrijf je dat in de Nederlandstalige Belgische criminologie vaak een onvoldoende scherp onderscheid wordt gemaakt tussen een fundamentele en een toegepaste criminologie!

 

Wel, ik denk dat beide vormen van criminologiebeoefening nodig zijn. In de fundamentele criminologie gaat men wat onafhankelijker en afstandelijker misdaadvraagstukken en vraagstukken van criminaliteitsbestrijding bestuderen. Bij het toegepaste criminologische onderzoek gaat men meer concreet de criminaliteitsvraagstukken trachten op te lossen. Nu vind ik dat er de laatste tien jaar toch een onevenwicht is en dat het accent te veel en te eenzijdig ligt op de toegepaste criminologie. Ik zie daarbij toch een bepaalde ontwikkeling waarbij onderzoekers schrijven naar de mond van de opdrachtgever. Dat zijn dan in het geval van toegepast criminologisch onderzoek verschillende ministeriële departementen. Men durft minder en minder de uitgangspunten van het beleid in vraag te stellen. Wanneer men aanbevelingen formuleert, gaat men naar de mond van de opdrachtgever schrijven. Het accent wordt daar te veel op gelegd, het is te eenzijdig en er komt te weinig ruimte voor kritische fundamentele criminologie. Ik heb dat met dat boek een beetje willen opvullen door meer de klemtoon te leggen op fundamentele criminologische vraagstukken, waar je over een langere termijn bepaalde ontwikkelingen in de criminaliteit bestudeert, op een langere termijn ontwikkelingen in de criminaliteitsbestrijding analyseert en waar je vanuit een onafhankelijk standpunt uitgangspunten kritisch in vraag kunt stellen en ook meer oog kunt hebben voor de bredere historische context van die ontwikkelingen op het vlak van misdaad en misdaadcontrole.

 

In je boek ga je ook op zoek naar trends met betrekking tot de sociale fenomenen criminaliteit en criminaliteitsbestrijding, en hun wederzijdse relatie. Kun je nu spreken – en dan verwijs ik naar de titel van je werk – van een verpaarsing, wat dit betreft?

 

Wel, om het kort te houden, het is natuurlijk een grote vereenvoudiging. Ik noem de verpaarsing van de criminaliteitsbestrijding een neoliberaal georiënteerde vorm van misdaadcontrole, maar die zich aanpast aan de sociaaldemocratische context. Voor de periode van de regering-Verhofstadt I en II heb ik vooral onderzocht op welke vlakken het strafrecht is gewijzigd en ik heb mij ook toegelegd op de studie van de ontwikkeling van het preventiebeleid op federaal vlak. Als ik naar de algemene ontwikkelingen van het strafrecht kijk – en ik moet zeggen dat ik zelf verbaasd was op hoeveel domeinen het strafrecht gedurende die acht jaar is gewijzigd – kun je spreken van een verpaarsing, denk ik, in de zin van een neoliberaal project, dat op een aantal punten zich aanpast aan een sociaaldemocratische groene context wat de regering-Verhofstadt I betreft. Je ziet dat de strafwetswijzigingen met betrekking tot de veiligheid van de staat een duidelijk neoliberale, conservatieve oriëntatie hebben. Het strafrecht is ook op diverse vlakken met betrekking tot de economie gewijzigd. Ook daar zie je een uitgesproken neoliberaal project dat zich vertaalt in die strafwetswijzigingen. Maar als je dan kijkt naar de strafwetswijzigingen die betrekking hebben op de manier waarop mensen zich moreel en cultureel tot elkaar verhouden, dan zie je dat die strafwetswijzigingen tegemoetkomen aan vragen vanuit eerder progressieve middengroepen die politiek de paarse regering hebben ondersteund. Ik denk aan het decriminaliseren van euthanasie, aan de zwaardere bestraffing van vormen van racisme en discriminatie, aan de zwaardere bestraffing van ongewenste seksuele intimiteiten, aan een betere strafrechtelijke bescherming van de zwakke weggebruiker. Op al die vlakken zie je dat het strafrecht ook tegemoetkomt aan eisen van strafrechtshervormingen die zijn geformuleerd vanuit die progressieve middengroepen.

 

In het boek spreek je ook over het etniseren van het misdaadbeeld!

 

Ik heb al lang belangstelling voor de relatie tussen etnische minderheden en misdaad. Ik heb mij de vraag gesteld in welke mate de laatste dertig jaar, in de periode die men de laatmoderniteit noemt, het misdaadbeeld op een discriminerende wijze geëtniseerd werd, waarmee ik bedoel dat het plegen van misdrijven toegeschreven wordt aan bepaalde etnische minderheidsgroepen. Ik denk dat de laatste tien jaar, als je de eenentwintigste eeuw bekijkt, dit voor België minder in algemene zin gebeurt dan vanaf het einde van de jaren tachtig en in de jaren negentig. Het gebeurt wel door uitgesproken extreemrechtse groepen. Het gebeurt in bepaalde periodes zoals bij ordeverstoringen, publieke ordeverstoringen die we in Anderlecht hebben gezien. Maar door de bank wordt het minder algemeen gebruikt in het politieke discours, door de media, ook in het politiediscours. Ik denk dat dat voor een stuk komt omdat die tweede, derde generatie in meerderheid goed economisch en sociaal geïntegreerd is, economisch belangrijk is als werknemer, als consument, ook belangrijk als kiezers. Je moet maar denken aan mensen uit die etnische minderheden die op de lijsten van verschillende politieke partijen staan, zodat je niet meer in algemene zin die mensen voor het hoofd kunt stoten. Een bepaald concept van de laatste tien jaar, die rondtrekkende dadergroepen uit Oost-Europa bewijzen dit. Het gaat dan niet over de tweede, derde generatie van Marokkaanse of Turkse origine, het gaat ook niet over Oost-Europeanen die zich voor een lange tijd hier komen vestigen en geïntegreerd zijn. Men beperkt het, maar men etniseert toch op een discriminerende manier die Oost-Europeanen, die met een misdadig opzet naar ons land komen en dan met de buit als het ware zich terugtrekken in hun thuisland.

 

Tot zover nog Patrick Hebberecht. Zijn boek “De ‘verpaarsing’ van de criminaliteitsbestrijding in België. Kritische opstellen over misdaad en misdaadcontrole in de laatmoderniteit”, is een uitgave van VUBPress en is te koop in de goede boekhandel.

 

En dan nog even dit: volgende maandag, 21 juni, de internationale dag van het humanisme, zet HVV de deuren open van het ontmoetingscentrum aan de Lange Leemstraat 57 in Antwerpen. Om 16.00 uur gaan de deuren open. Je kunt er een standaardbrief voor kerkuittreding invullen, er is een debat over de financiering van de levensbeschouwingen, er is de film “Religulous”, een porte-manteauwoord van religion en ridiculous, van regisseur Larry Charles, en nog veel meer. Dit alles dus volgende maandag aan de Lange Leemstraat 57. Iedereen is welkom!

 

Daarmee zijn we aan het eind aan HVW. Samenstelling en presentatie waren van KVD en FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel. 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op h-vv.be, waar je de uitzending nog even kunt herbeluisteren.

Volgende week zijn we er weer en dan praten we met Raf Jespers over onze privacy, als die er nog is tenminste, en is er ook een bijdrage van het VF over taalarmoede in het onderwijs.

Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!

 

Muziek:

10”       High Heels – Sakamoto                                    Sakamoto                    262975

50”       One more dub – The Clash                    The Clash                     CBS 463364 2

 

 

 

Valide CSS!