Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow WF Beraber Deel II
WF Beraber Deel II

Opname: 11.09.08

Uitz.: 15.09.08

Samenst.: KVD / FS

Wim De Pauw is docent aan de VUB, vakgroep Agogische Wetenschappen, en ook aan het Hoger Instituut voor Dans in Lier. Een tijd geleden verscheen van hem het boek “Absoluut modern. Cultuur en beleid in Vlaanderen”. Cultuur en beleid, cultuur en politiek, een gespannen verhouding, uiteraard. Maar in het boek schetst Wim De Pauw, onder meer, de evolutie van het Vlaamse cultuurbeleid. Wat zijn daarin de grote breuklijnen? Wim De Pauw:

Het cultuurbeleid in Vlaanderen kent eigenlijk vier grote periodes. De eerste periode vangt aan begin jaren zestig en loopt tot begin jaren tachtig. Daarin heb je een aantal CVP-ministers die alle aandacht leggen op het aspect participatie. En tweede periode vangt aan begin jaren tachtig en loopt ongeveer tot begin jaren negentig. Een belangrijke breuklijn omdat je daar twee liberale cultuurministers krijgt die de aandacht verleggen van cultuurparticipatie naar cultuurproductie. Dan heb je begin jaren negentig weer twee christendemocraten die het cultuurbeleid voeren. Zij zetten enerzijds die in gang gezette beweging van een kunstenbeleid voort, maar tegelijkertijd merk je toch ook een hernieuwde aandacht voor dat sociaal-culturele werk. En dan heb je vanaf 1999 twee Spirit-ministers die eigenlijk de intentie hebben om die twee bewegingen – enerzijds die aandacht voor participatie door middel van het sociaal-culturele werk, anderzijds die aandacht voor de individuele kunstenaar en de aandacht op productie – te laten samenvloeien, maar waarbij je in de praktijk toch merkt dat er een grote terugval is naar de participatiegedachte.

Je boek handelt voor een groot stuk over het begrip vernieuwing. Wanneer vond dat criterium vernieuwing ingang in het cultuurbeleid en welke redenen zie je daarvoor?

Dat begrip vernieuwing vond eigenlijk ingang begin jaren tachtig, in die tweede beleidsperiode waarover ik het net had, wanneer de liberale ministers het roer in handen krijgen, zeg maar. Een aantal verklaringen waar ik een aanzet toe geef in het boek, zijn ten eerste de mondiale maatschappelijke ontwikkelingen waar bijvoorbeeld Toffler ook naar verwees in zijn boek “De derde golf”. Het spreekt voor zich dat grote maatschappelijke veranderingen ook om radicale, dus nieuwe oplossingen vragen. Het is ook niet toevallig dat juist in 1980 of in 1979 Lyotards boek over het postmodernisme verscheen, wat toch ook met die vernieuwing te maken heeft. Dan heb je in 1980 ook die veranderende beleidscontext. Gemeenschappen en gewesten krijgen in toenemende mate meer autonomie en vanuit die gedachte zou je ook kunnen denken dat wat Vlaanderen zelf mocht gaan doen, dat men dat ook anders, beter en dus ook voor een deel nieuwer wou gaan doen. Dan heb je, ook in die periode, begin jaren tachtig, de Vlaamse golf binnen de podiumkunsten die de kop opsteekt. Die van buitenaf ook het etiket vernieuwing kregen opgedrukt, en het is uiteraard ook logisch dat vanuit het beleid daarop ook voor een deel ingespeeld werd.

In je boek formuleer je een kritiek op de sterke nadruk die gelegd wordt op dat begrip vernieuwing. Kun je dat even toelichten?

Ik zou eerst en vooral willen duidelijk stellen dat het boek niet geschreven is uit een kritiek op de artistieke vernieuwing, en niet geschreven is vanuit een conservatieve, behoudsgezinde gedachte. Integendeel, ik denk dat ik juist vertrek vanuit een heel groot respect voor die mensen of die kunstenaars die als vernieuwend geboekstaafd staan. Maar wat een van de belangrijke kritieken is, is dat vernieuwing vanuit het beleid als een belangrijk kwaliteitscriterium naar voren wordt geschoven. Met “vanuit het beleid” bedoel ik dan in concreto vanuit de commissies, want de minister heeft daar nog een andere visie over. Maar vernieuwing is dus een belangrijk criterium, maar het wordt niet ingevuld, het functioneert als een soort lege doos die wel gehanteerd wordt, maar waarvan niemand weet wat erin zit. In die zin staat dat eigenlijk een transparant beleid in de weg. Een andere kritiek is dat vernieuwing ook niets is wat ontstaat doordat men dat van bovenaf gaat opleggen. Vernieuwing is typisch iets wat van onderuit ontstaat. De geschiedenis bewijst dat. Als je gaat kijken wie in Vlaanderen de grote vernieuwers zijn binnen de podiumkunsten – want daarover heb ik het dan in het boek – nu, dat is allemaal ontstaan in de marge en ook buiten het gesubsidieerde circuit. Het is juist bijna de afwezigheid van een beleid dat voor een deel – zeker niet helemaal, want het zijn vooral de sterke individuen, maar toch ook die afwezigheid van het beleid – die vernieuwing mogelijk heeft gemaakt of heeft toegelaten, wat toch zeker geen argument is om te zeggen: we gaan de podiumkunstenaars niet subsidiëren, dat is helemaal niet mijn stelling. Maar wat wel een argument is om te zeggen dat vernieuwing niet van bovenaf opgelegd moet worden.

Vernieuwing in het beleid wordt niet ingevuld, zeg je. Kun jij een zinvolle omschrijving geven van het begrip vernieuwing?

Je hebt daar die klassieke invulling die je zou kunnen geven vanuit de filosofie en waarbij modernisme staat voor die vernieuwing die radicaal innoverend en grensverleggend is, en waarbij in het postmodernisme vernieuwing eerder beschouwd wordt als iets voltooiends of iets bundelends. Modernisme staat, met een beeldspraak, voor het ontwerpen van nieuwe spelregels, nieuwe spelen; het postmodernisme daarentegen gaat geen nieuwe spelregels maken, maar gaat spelen met de regels. Dat is een beetje die klassieke filosofische verklaring, in een notendop uiteraard. Een interessante benadering vind ik ook terug in het voorwoord, dat geschreven is door Willem Elias, die eigenlijk zegt dat vernieuwing eigenlijk niets anders is dan het levendig houden of het fris houden van schoonheid. Dat vind ik een mooie omschrijving. En dan zijn er ook uit de gesprekken die ik met de kunstenaars gevoerd heb, ook een aantal interessante ideeën rond vernieuwing ontstaan. Ik noem er enkele: vernieuwing is het zich constant aanpassen aan de veranderende maatschappelijke context, of vernieuwing is het op zoek gaan naar de diepte of het in de diepte gaan en op zoek gaan naar de essentie. Dat vind ik ook een zinvolle omschrijving voor die term vernieuwing.

Tegenwoordig, naast vernieuwing, merk je ook een sterke nadruk in het beleid op maatschappelijke relevantie!

Dat is eigenlijk wel een spanningsveld dat je ziet, of dat je voelt, vaak onderhuids of ook wel expliciet aanwezig, tussen de commissies enerzijds en de minister anderzijds. Commissies, ik vernoemde het zonet al, zullen vanuit hun culturele bagage een sterke nadruk leggen op vernieuwing, de minister zal vanuit zijn politieke rol een groot maatschappelijk engagement vragen van de kunstenaars. Dat is toch wel een spanningsveld dat je ziet opduiken in het beleid. Als je dan met kunstenaars gaat praten, dan merk je dat zij het criterium vernieuwing helemaal niet zo belangrijk vinden, maar dat zij zaken als noodzakelijkheid, integriteit, authenticiteit, ambacht, inhoud, intensiteit, dat soort zaken, naar voren gaan schuiven. Als je dat daarentegen naast de criteria legt die vooral door de minister gehanteerd worden, dan merk je daar zaken als interculturaliteit, diversiteit, sociaal belang, dat soort zaken. Het is eigenlijk een spanning tussen vernieuwing die door de commissies naar voren wordt geschoven, maatschappelijke relevantie die door de minister naar voren wordt geschoven, en dan die kunstintrinsieke criteria die door de kunstenaars zelf belangrijk worden geacht.

Je had het er daarnet al over, je hecht heel veel belang aan de stem van de kunstenaar, ook in je boek. Waarom?

Ik vind het belangrijk dat er vanuit het beleid geluisterd wordt naar de kunstenaars. Hoewel ze misschien allemaal sterke individuen zijn met verschillende meningen, is er toch één zaak die voor mij heel duidelijk is. Dat is dat kunstenaars van het beleid een grote vrijheid en autonomie vragen. Dat het juist vanuit die vrijheid en die autonomie is dat zij kunnen creëren en, indien men dat dan toch zo belangrijk vindt, dat er ook vernieuwing zal ontstaan. Dat is toch wel een zaak die ik daaruit onthouden heb. Kunstenaars hebben geen opgeheven vingertje nodig van een minister die zegt: “Zorg maar dat jullie maatschappelijk relevant zijn”, of van een commissie die zegt: “Zorg maar dat wat jullie maken vernieuwend is”. Vanuit die gedachte heb ik ook, symbolisch bijna, letterlijk het laatste woord gegeven aan toch een van onze monumenten in Vlaanderen, Tone Brulin, die het boek op een poëtische manier afsluit, maar toch ook heel ver gaat in zijn denken over wat voor hem vernieuwing is.

Tot zover nog Wim De Pauw. Het boek “Absoluut modern. Cultuur en beleid in Vlaanderen” is een uitgave van VUBPRESS en is te koop in de goede boekhandel.

 

Valide CSS!