Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow Sus van Elzen :De draak en de rozentuin - Spinoza
Sus van Elzen :De draak en de rozentuin - Spinoza

HVW 29.01.2009 Sus van Elzen :De draak en de rozentuin - Spinoza

 

Opname:          29.01.09

Uitz.:                02.02.09

Samenst.:        KVD / FS

Muziek:

10”       Signe                           E. Clapton                    E. Clapton                    9 45024-2

1’26”     Gallardas                      Lucas Ruiz de Ribayaz  Luz y Norte                   05472 77810 2

1’00”     Largo (BWV 1056)         J.S. Bach                     Trevor Pinnock              415 922-2

25”       Blues for D                   M. Lanegan                  M. Lanegan                  bbqcd 224

 

Goedenavond en welkom bij HVW, met daarin twee onderwerpen. FS heeft een bijdrage over “De draak en de rozentuin” van Sus van Elzen. Dat wordt een gesprek met de auteur. Maar we hebben ook een bijdrage over Spinoza. Met zijn radicale vrijdenkerij over verdraagzaamheid, God, de mens en de Bijbel is Spinoza weer erg actueel. We praten erover met filosofe Tinneke Beeckman van de VUB. Maar we beginnen met Sus van Elzen en “De draak en de rozentuin”. Frank, dat boek gaat, dacht ik, over Chinese kunstenaars en het politieke regime in China.

 

Inderdaad, Karel! De ondertitel van het boek is trouwens “De titanenstrijd tussen het regime en de kunstenaars in China”. Het is een heel complex en ook genuanceerd verhaal geworden waarin de stad Peking en het Plein van de Hemelse Vrede een centrale rol spelen. Peking ondergaat al enige tijd een ware metamorfose. Hele buurten worden met de grond gelijkgemaakt om plaats te maken voor nieuwbouw. Van Elzen stelt dan ook de vraag of Peking zijn Chinese identiteit zal kunnen bewaren, of dat het, zoals andere metropolen, verwordt tot een internationaal en identiteitsloos complex.

 

Om de afbraak van de binnenstad van Peking te begrijpen, moet je beginnen in ’49 met de machtsovername van Mao Zedong, die op dat moment, ten tijde van het uitroepen van de Chinese Volksrepubliek, op de Tiananmenpoort staat en daar zegt dat ze de moderniteit gaan invoeren in China: ‘we gaan hier, waar je die lage, stille, groene stad ziet, gaan wij, als we goed bezig zijn, een skyline van fabrieksschoorstenen hebben’. En dat is wat ze gedaan hebben. Dus wat Mao wou, vanuit een positie, een programma eigenlijk dat de vernietiging van wat hij als de oude achterlijke Chinese cultuur beschouwde – en daar was de stad een materiële uiting van –, wat hij wou was inderdaad wat wij een kleurloze moderne stad zouden noemen, zoals bijvoorbeeld Singapore of Hongkong. Niet dat hij daaraan gedacht zou hebben, maar dat is natuurlijk wel waar het op neerkomt. Ze hebben natuurlijk de stad vol fabrieken gezet, vooral rond die oude stad, maar door het feit dat ze hun regering niet op een andere plek hebben willen inplanten, maar dat ze dat wel in de oude stad hebben willen doen, hebben ze natuurlijk de oude stad veroordeeld. Die moest onherroepelijk afgebroken of toch verminkt worden.

 

Je boek gaat ook over kunst. De hedendaagse kunst in China, zeg je, beleeft een ware explosie. Ze is heterogeen, onoverzichtelijk en provocatief, met vaak meer dan een knipoog naar het politieke regime. Maar ook hier stel je de vraag: in hoeverre zal de moderne kunst uit China uiteindelijk nog Chinese kunst zijn? Als er dan al zoiets bestaat als Chinese kunst, natuurlijk!

 

Normaal zou je die vraag niet moeten stellen. Niemand vraagt zich af wat Belgische kunst is of wat Duitse kunst is of zo. Maar in China heb je natuurlijk het speciale geval dat er een serieuze poging is gedaan om de kunst, om de Chinese cultuur, de duizendjarige Chinese cultuur, te vernietigen. Dat lag in hetzelfde programma waar we het net over hadden, van Mao Zedong, die van die oude troep, van die oude Chinese achterlijke feodale troep af wou en nieuwe mooie dingen wilde maken voor de nieuwe mens. Hij inspireerde zich op het socialistisch realisme, zoals dat uit de Sovjet-Unie was overgewaaid, en verplichtte al wat kunst en cultuur was, alle actoren van kunst en cultuur, dus kunstenaars, maar ook uitgevers, whatever, om politieke kunst te maken. Dat bereikt zijn paroxisme in de culturele revolutie als alles echt wordt voorgeschreven en tot op het karikaturale af doorgedreven. Na Mao’s dood krijg je politieke openingen, die zullen leiden tot het nieuwe China dat we nu meemaken. En die komen er sporadisch. Maar elke keer als er een opening is, zie je dat de kunstenaars zich daarin gaan gooien en als champignons in de spleten van het regime een nieuwe kunst gaan maken. Is dat dan Chinese kunst? Zij proberen eigenlijk geen Chinese kunst te maken, want ze weten niet meer wat dat is. Maar ze willen alles experimenteren en in de eerste plaats alles wat ze zich kunnen voorstellen dat in het Westen gedaan zal worden. Maar na elke nieuwe opening komt er een nieuwe sluiting, gaat het regime weer dicht. Het meest frappante voorbeeld daarvan was natuurlijk het bloedbad op Tiananmen in ’89, waarna de Volksrepubliek weer helemaal dichtging. Bij de studenten die daar toen het plein bezet hadden en weggejaagd werden, waren bijna alle hedendaagse erkende en bekende kunstenaars. Die waren daar allemaal bij. Wat je nu krijgt, nu China veel verder open is gegaan en de hedendaagse kunst daar in volle explosie is gekomen, zie je dat, ook in de nieuwe kunst, politiek eigenlijk nooit ver weg is. Die politiek neemt vormen aan van kritiek op het regime uiteraard en ook van pogingen om de geschiedenis, het geheugen te bewaren over wat er gebeurd is. Dat zijn dingen waar ze niet graag over spreken, maar die ze tot uiting brengen in hun kunstwerken, bijna op een systematische manier.

 

Opmerkelijk, of misschien niet zo opmerkelijk is de vernieuwde belangstelling voor het confucianisme. Je verklaart dat deels vanuit de grote leegte waarin het Chinese volk is terechtgekomen. En, schrijf je, “Het lijkt erop dat de ideologische strijd nu wel gestreden is, en daarmee ook de typisch Chinese worsteling tussen kunst en politiek”!

 

Het confucianisme is heel duidelijk een laatste redmiddel van een regime dat geen enkele ideologische inhoud meer heeft. Wat is het socialisme met Chinese karakteristieken? Nou, dat is gewoon een andere naam voor kapitalisme geworden. Dus eigenlijk is dat leeg aangezien de communistische partij in haar drang naar moderniteit en vernieuwing alle oude ideologieën heeft uitgeveegd, de godsdiensten, maar ook de Chinese tradities enzovoort. Confucianisme is een systeem dat je meer als een administratief of als een waardesysteem moet betitelen dan als een godsdienst, want God komt daar eigenlijk helemaal niet aan te pas. Maar die waarden en die tradities hebben de communisten ook proberen uit te vegen. Momenteel zit het land – en niet alleen op het niveau van ideeën – in een zodanig gigantische omwenteling gegrepen waarbij ze 750 miljoen boeren moeten proberen te urbaniseren, dat wil zeggen tot stedelingen maken door ze van het land weg te krijgen of ze juist te doen blijven, maar in andere vormen enzovoort, zodanig dat die hele maatschappij helemaal haar oorspronkelijke agrarische karakter verliest zonder dat daar iets anders in de plaats komt. Nu, wat Mao hun eerst gegeven heeft, was geloven in Mao, of geloven in het communisme, maar daarna is hij doodgegaan en Deng Xiaoping is komen zeggen dat het misschien niet zo letterlijk genomen moest worden. Nu ook het geloof in Mao, het marxisme, het communisme en de nieuwe Chinese mens weg is, is het enige wat ze overhebben dat ze nu voor het eerst de kans hebben om geld te verdienen en rijk te worden. Daarom zijn heel veel Chinezen nu tevreden, zij lopen massaal naar de pot met goud onder aan de regenboog, maar ze doen dat met een leeg hoofd. Dat lege hoofd, daar is het regime eigenlijk bang voor omdat dat gevuld kan worden met eerder wat. Als ze bijvoorbeeld een economische crisis op hun dak zouden krijgen – nu is dat niet meer ondenkbaar –, dan zouden zij ontevreden kunnen worden en bijvoorbeeld een nieuwe communistische partij uitvinden, of ze zouden – wat waarschijnlijker is – kunnen weglopen in de richting van oude sekten en gebruiken zoals de Falun Gongsekte, die half op mystieke, half op ademhalingstechnieken bestaat en zeer fervente volgelingen kan krijgen. Dat is niet ondenkbaar. In de negentiende eeuw heb je zo de Bokseropstand gehad. Die heeft in heel China veel schade aangericht. Voor zulke dingen zijn ze bang. Daarom kun je zonder bang te zijn zeggen dat het regime het confucianisme weer heeft opgepikt, dat ontdaan heeft van voor een regime moeilijke zaken die daarin zitten en die eigenlijk toch tevoren al onschadelijk gemaakt waren. En dat eigenlijk als nieuwe vorm van ideologie opvoert voor een harmonieuze samenleving waarin iedereen in consensus samenwerkt aan, enzovoort, tot grotere eer en glorie van de voorzitter en wat weet ik meer. Confucianisme wil ook zeggen dat als de keizer of de macht hun werk niet doen en de mensen ontevreden zijn, de mensen dan de taak hebben om een andere keizer aan de macht te helpen. Dat zeggen ze er niet bij!

 

En tot zover nog Sus van Elzen. Zijn boek “De draak en de rozentuin. De titanenstrijd tussen het regime en de kunstenaars in China” is een uitgave van Atlas en is te koop in de goede boekhandel.

 

Luz y Norte van Lucas Ruiz de Ribayaz uit 1677. In een uitvoering van de Harp Consort. En zo zijn we aanbeland bij Spinoza, want 1677 is ook zijn sterfjaar. De zeventiende-eeuwse filosoof Spinoza is weer in. Met zijn radicale vrijdenkerij over onder meer verdraagzaamheid, God, de mens, de Bijbel en de scheiding van Kerk en Staat is hij meer dan actueel. Filosofe Tinneke Beeckman van de VUB noemt hem ‘de filosoof van de blijheid’ en dat is meteen ook de titel van het boek over Spinoza dat zij samenstelde. We hadden een gesprek met haar.

 

‘Wie het welsprekendst en het scherpst de machteloosheid van de menselijke geest weet te hekelen, wordt voor een soort godheid gehouden. Nu heeft het niet ontbroken aan meer voortreffelijke mannen die veel uitmuntende dingen hebben geschreven over de juiste manier van leven en die de stervelingen vele wijze raadgevingen hebben voorgehouden, maar niemand heeft nog, voor zover ik weet, de aard en de macht van de aandoeningen en van de menselijke geest onderzocht en vastgesteld.’

 

Tinneke Beeckman met een stukje uit de Ethica van Spinoza, kort na het overlijden van de filosoof in 1677 door vrienden gepubliceerd. Spinoza hield het manuscript verborgen omdat hij wist hoe gevaarlijk het was. Zelfs de grote filosoof Leibniz mocht het niet inkijken. In die Ethica formuleert Spinoza zijn radicale en ketterse ideeën over God en de mens. In 1670 had hij reeds anoniem zijn Theologisch-Politiek Traktaat laten verschijnen, met daarin zowat de eerste logische analyse van de Bijbel en een pleidooi voor godsdienstvrijheid en verdraagzaamheid. Radicale ideeën van een verketterde jood die in 1656 verbannen werd uit de joodse gemeenschap van Amsterdam en gaandeweg steeds meer een radicale vrijdenker werd. In 1660 verlaat Spinoza Amsterdam. Door lenzen te slijpen kan hij vrij en zelfstandig blijven denken. Zo weigert hij in 1673 een leerstoel Wijsbegeerte in Heidelberg omdat hij niet beknot wil worden in zijn uitlatingen over het christendom. Tinneke Beeckman noemt Spinoza ‘de filosoof van de blijheid’. We vroegen haar waarom.

 

Wel, omdat Spinoza om te beginnen veronderstelt dat het menselijke lijden nooit tot het goede kan leiden, dus dat het een taak is in het leven om het menselijke lijden zo veel mogelijk te vermijden. Ook plaatst hij de blijdschap tegenover de droefheid en brengt hij daar toch een aantal aandoeningen mee in verband die in onze christelijke wereld toch worden geapprecieerd, zoals bv. het medelijden, schaamte, schuld. Waarvan Spinoza eigenlijk heel overtuigd zegt dat het niet de juiste draad kan zijn om aan te geven hoe men moet leven.

 

1656, hij behoort dan tot de joodse gemeenschap van Amsterdam en dan, bijna een donderslag bij heldere hemel, zou ik zeggen, toch, dat is het verhaal dat men vertelt, wordt hij daar verketterd, wordt hij zelfs verbannen.

 

De manier waarop de eerste aanleiding werd beschreven, reeds in zijn tijd, is dat hij een radicale atheïst zou zijn. Dus dat hij ketterse ideeën had, dat hij een aantal fundamentele principes van het joodse geloof niet respecteert. Onder meer dat de Thora, de eerste 5 boeken van het Oude Testament volgens Spinoza niet door Mozes zijn geschreven, dat God geen Schepper, wetgever en rechter is. En ja, met zulke ideeën is het natuurlijk moeilijk om in die joodse gemeenschap erkend te worden. Nu, die banvloek werd door de joodse gemeenschap gebruikt om een bepaald gedrag te verkrijgen van de leden, ook op sociaal vlak. Dus waarschijnlijk gaat het niet alleen over religieuze of filosofische uitspraken die Spinoza gedaan zou hebben. Er zijn recentelijk dan ook mensen die veronderstellen dat andere elementen meespeelden. Bijvoorbeeld dat Spinoza om financiële redenen of ook op het vlak van recht een beroep zou hebben willen doen op de rechtspraak zoals die bestond in de stad Amsterdam i.p.v. zich te houden aan het joodse systeem zelf.

 

Hij wordt verbannen in Amsterdam. Amsterdam dan van de zeventiende eeuw, uiteindelijk. Komt hij daarna in een soort van vacuüm terecht?

 

Wel, hij was een koopman en natuurlijk worden ook de banden van zijn werk volledig verbroken wanneer hij die gemeenschap verlaat. Anderzijds had Spinoza reeds interesse voor wetenschap, filosofie buiten de joodse gemeenschap. Zo had hij al contacten met Franciscus van de Enden, een jezuïet die een humanistische school had waar Latijn werd geleerd, maar waar ook wetenschappen, filosofie en ook de kunst, onder meer het theater, aan bod kwamen. En dus kon Spinoza wel ergens terecht toen hij uit die gemeenschap werd verbannen. Hij is nog een aantal jaren in Amsterdam gebleven, waarschijnlijk bij Van den Enden en bij andere vrienden.

 

Welke ideeën brengen die vrienden, zoals Van den Enden, die ook een leermeester was voor hem, eigenlijk aan bij hem?

 

Wel, ik denk dat zeker de wetenschappen zoals die onderricht werden door Van den Enden hem bijzonder aanspraken. Anderzijds stond Van den Enden ook bekend om zijn politieke ideeën. Dus Van den Enden is reeds een radicale democraat en ook een voorstander van de scheiding tussen Kerk en Staat. Dus het is niet helemaal duidelijk, er wordt veel over gespeculeerd, welke ideeën hij nu juist zou hebben van Van den Enden, maar ik denk dat die twee toch wel heel belangrijk zijn.

 

Vind je die ideeën later ook terug bij Spinoza, in zijn Tractatus, toch een van zijn bekendste werken?

 

Ja, vast en zeker wel, zeker wat de verdediging van de democratie betreft is het zo dat er in die tijd reeds mensen waren die analoge dingen zeiden. En Spinoza merkt het ook op een bepaald ogenblik op. Ik denk niet dat hij zichzelf als radicaal origineel beschouwde. En bij Van den Enden ontmoet hij ook andere vrienden, de zogenoemde collegianten, afvallige protestanten, mensen die reeds vinden dat geloof te maken heeft met een innerlijk geloof, wat voor Spinoza heel belangrijk is, die zelfstandig de Bijbel willen lezen, op een ondogmatische manier, en die ook antiklerikaal zijn. In die kringen komt hij terecht als hij die joodse gemeenschap verlaat.

 

Wat waren zijn ideeën of zijn opvattingen i.v.m. godsdienstvrijheid?

 

Wel, om te beginnen, Spinoza vanuit zijn joodse achtergrond was zeer bekend met het Oude Testament. Hij las ook Hebreeuws. In het eerste deel van dat werk onderzoekt hij hoe men de Bijbel moet lezen. En dan ontwikkelt hij een historische methode en hij veronderstelt dat iedereen, onafhankelijk en los van een externe theologisch commentaar, zo’n werk kan lezen. Dat is eigenlijk al vrij radicaal. En dan gaat hij dat ook toepassen op politiek vlak. En voor hem heeft elke burger het recht om te denken wat hij wil. En hij zegt trouwens dat het ook niet anders kan. Het doel van de staat – dat is heel belangrijk – is vrede en veiligheid. Spinoza geloofde dat de democratische staatsinrichting eigenlijk het best dat doel diende. Hij zegt dus ook: een staat het denken van mensen wil onderdrukken, is per definitie een heel gewelddadige staat en ook een staat die uiteindelijk zichzelf zal vernietigen. Dus dat is een heel belangrijk aspect van die tolerantie. Hij reageert natuurlijk ook tegen bepaalde godsdienstfanatici van zijn tijd, of wat hij in elk geval als fanatiek beschouwt, namelijk het idee dat men aan iemand anders kan opleggen wat men denkt, of hoe men religie moet interpreteren. En hij spreekt dan ook over valse profeten die eigenlijk gebruikmaken van de angst en de hoop van mensen om bepaalde ideeën op te leggen. En eigenlijk de mensen in onvrijheid te houden.

 

Hoe nieuw was die tolerantiegedachte uiteindelijk?

 

Wel, ik denk dat Spinoza ook door zijn persoonlijke achtergrond daar toch wel bijzonder gevoelig voor was. Er zijn inderdaad een aantal tijdgenoten, onder meer Van den Enden die ook spraken over die tolerantie, maar Spinoza heeft daar een heel genuanceerd idee over. Dus er is een vrijheid van denken, maar er is geen absolute vrijheid van handelen. Dus van het ogenblik dat men eigenlijk het publieke veld betreedt, heeft men zich als burger toch aan een aantal regels te houden. Bijvoorbeeld het aanzetten tot haat, het aanzetten tot geweld, is eigenlijk voor eenieder verboden.

 

Toch eens eventjes gaan kijken naar de inhoud van die Ethica. Daarin heeft hij wel een bepaald idee i.v.m. God, hé? Hij gaat het godsidee op een bepaalde manier invullen. En je kunt misschien al meteen zeggen dat hij geen atheïst is.

 

Ja, dus hij begint eigenlijk met het bewijzen van het bestaan van God. Dus God bestaat noodwendig, God is ook almachtig volgens Spinoza, maar hij heeft ook wat, zoals men noemt, een ‘immanente’ godsopvatting. Dit wil zeggen dat God geen schepper zou zijn die buiten de wereld zelf staat, maar dat God als natuur begrepen kan worden als het geheel van krachten die werkzaam zijn in de realiteit, en er is dus ook maar één substantie.

 

Wil dat dan een beetje zeggen dat wij allemaal een beetje goddelijk zijn?

 

In zekere zin natuurlijk wel, hebben wij allemaal deel aan de goddelijke substantie.

 

Het gaat hem uiteindelijk om de mens. Hij filosofeert over de mens. Welke inhoud heeft het boek dan uiteindelijk als het gaat over ethiek? Kun je zeggen dat daar ook een ethische, een morele boodschap in zit?

 

Wel, er zit zeker een ethische boodschap in, maar ik denk niet een morele in de zin dat Spinoza zou zeggen aan de lezer: zo moet men leven, dit zijn geboden, verboden die men moet naleven. Wel heeft Spinoza de ideeën dat elk mens idealiter in vrijheid leeft en heeft hij ook de mogelijkheid van persoonlijke redding. Dus als de mens volgens de rede leeft en in vrijheid leeft, dat is eigenlijk ook het doel. En de verschillende hoofdstukken gaan ook daarnaartoe. Hij spreekt ook over de menselijke aandoeningen, over de menselijke knechtschap, hoe het eigenlijk komt dat de mensen onvrij zijn en welke manieren er inzake kunnen bestaan om die vrijheid te bereiken. Maar dat zijn geen concrete regels. Hij geeft eigenlijk een soort van plan, van ontwerp waarbinnen elke mens op zijn manier en volgens zijn eigen mogelijkheden zijn weg kan vinden.

 

Zou je dan ook meteen kunnen zeggen dat hij een vrijdenker is? Avant la lettre?

 

Ja, dat denk ik zeker wel. Ik denk dat het woord vrijdenker meer op hem van toepassing is dan het woord atheïst. Omdat, om te beginnen, hij echt een metafysica schrijft en hij echt ook vasthangt aan dat godsidee. Hij zelf heeft altijd gezegd dat hij geen atheïst was. Om te beginnen: hij gaat pas in op de kwestie als hij erover ondervraagd wordt. Maar als atheïst zou betekenen dat er geen enkele orde zou bestaan of dat men geen enkele grond heeft om in een samenleving uit te maken wat goed of wat slecht is, als er een uiteindelijke invulling gegeven zou worden aan atheïsme, dan zou hij zichzelf niet als een atheïst beschouwen.

 

Spinoza, geen atheïst, maar wel een vrijdenker. Met radicale ideeën over godsdienstvrijheid, verdraagzaamheid en de Bijbel. Meer dan ook actueel. U kunt het allemaal nog eens nalezen in “Spinoza, filosoof van de blijheid”, in een redactie van Tinneke Beeckman en met bijdragen van Miriam Van Reijen, Herman De Dijn, Tinneke Beeckman zelf en twee vertalingen uit het Frans (Matheron & Bove). Uitgegeven bij ASP (academic and scientific publishers).

 

Zo, daarmee zijn we aan het einde van deze aflevering van HVW gekomen. Vragen en bedenkingen kunt u zoals steeds kwijt op onze redactie. En die vindt u aan de Lange Leemstraat 57 te 2018 Antwerpen. Telefoneren kan op het nummer 03 233 70 32. En uiteraard is er ook de website van de HVV: www.h-vv.be.

Wij gaan eruit met muziek van Mark Lanegan op de achtergrond. Maar volgende week zijn we er weer. FS heeft het dan over “SPES, arbeidscultuur van de toekomst” en met Freddy Evers praat hij over de rechterlijke macht. Volgende week maandagavond dus, meteen na de Nieuwsflash van 20.00 uur op Radio 1. Nog een fijne avond en graag tot dan. Daaaaag.

 

 

Valide CSS!