| Ronald Soetaert/Francine Mestrum en Wereld Sociaal Forum |
WF Ronald Soetaert - Francine Mestrum en Wereld Sociaal Forum
Opname: 12.02.09
Uitz.: 16.02.09
Samenst.: KVD
/ FS
Muziek:
10” Signe E. Clapton E. Clapton 9 45024-2
10” Available
space R. Cooder R. Cooder 2292-40864-2
1’00” Ferny
Hill Chieftains Trad. 74321
25167 2
Goedenavond en
welkom bij HVW, met daarin twee bijdragen. Straks heeft FS een gesprek met
Francine Mestrum over het voorbije Wereld Sociaal Forum. Maar wij beginnen met
een bijdrage van het WF. Die gaat over de Tiendaagse van het Woord. En dat werd
een gesprek met Ronald Soetaert van de UG over goede en slechte retoriek.
‘Wat
hebben retoriek en politiek in onze democratie met elkaar te maken? Nu heb ik
zelf in een aantal publicaties al geschreven dat ik in de retorica veel
wijsheid vind die me aanspreekt. Aandacht voor retoriek draait niet alleen om
holle woordenkramerij. Het gaat om het belang van taal, van het woord. Hoe we
via taal anderen en onszelf proberen te overtuigen. Zo ontstaat de neiging om
de anderen als retorisch te veroordelen. En onszelf niet, aangezien wij immers
eerlijk zijn en de waarheid dienen. Maar iedereen gebruikt taal. Dus iedereen
is retorisch …’ Aldus de Amerikaanse retoricus Kenneth Burke. Hij schreef: ‘Wherever there is persuasion, there is a
rethoric. And wherever there is a meaning, there is persuasion.’
‘Iedereen
gebruikt taal. Dus iedereen is retorisch.’ Ronald Soetaert van de vakgroep
Onderwijskunde van de UG over de retoriek die ons allemaal eigen is, gegeven
het feit dat we talige wezens zijn. Retoriek kreeg echter sinds de dagen van
Plato een uitgesproken negatieve betekenis. Maar, zegt Soetaert, er is ook
goede retoriek. En het verschil daartussen zou weleens een aandachtspunt mogen
zijn op de Tiendaagse van het Woord die het WF organiseert in oktober van
dit jaar. Maar vooral, goede retoriek, retoriek in het algemeen, vindt Soetaert,
moet dringend gered worden uit het woordenboek. En wel hierom …
Omdat
waarschijnlijk in wat we vaak typeren als postmoderne tijden – namelijk dat we
vele perspectieven op de werkelijkheid hebben en dat we zeer bewust zijn dat we
taal en beelden gebruiken om een wereld te creëren en te construeren –, je
langzamerhand zou kunnen beweren dat alles retoriek geworden is. Dus dat
iedereen retorisch is en iedereen taal gebruikt. Dat kun je op het kleinste
niveau zien, maar ook op het hoogste niveau. Oorlogen vandaag zijn niet alleen
oorlogen tussen naties en tussen belangen, maar zijn ook retorische oorlogen.
Met beelden worden oorlogen gewonnen of verloren.
Daarjuist maakte u
een beetje de vergelijking tussen retoriek en politiek, maar u situeert
retoriek eigenlijk veel ruimer dan alleen maar in de politieke wereld?
Jazeker. Ik heb
mijzelf vooral laten inspireren, dus ook mijn achtergrond, door cultuur en
literatuur. En dus drama, theater, romans, films, computergames, alles. Dat
zijn verhalen, en we kunnen en moeten eigenlijk constateren dat onze menselijke
beschaving bijna antropologisch nood heeft aan verhalen. Daarom stel ik die
centraal. Maar verhalen kunnen positief en negatief zijn. Dus ze kunnen u
bevrijden, ze kunnen een eyeopener zijn, maar ze kunnen ook vol stereotypen
zitten. Dus het bestuderen en het centraal stellen van verhalen betekent
eigenlijk: mij, en voor mij is dat het onderwijs, vooral retorisch gaan
bekijken. Hoe betekenis geconstrueerd wordt via het narratieve, via het
verhalende.
Gaat het er dan
eigenlijk om taal te gebruiken, retoriek in dit geval, om anderen te overtuigen
of alleen maar om een wereld te creëren?
Eerst en vooral
het laatste. De constatering dat iedereen via taal een wereld creëert.
Overtuigen is een van de dingen die we doen. Onvermijdelijk, hé. Iedereen heeft
zijn eigen belangen, we proberen elkaar te overtuigen. Maar in een breder en
genuanceerder beeld van retoriek zou je kunnen zeggen dat het niet alleen over
overtuigen gaat, maar ook over luisteren. En het is aangaande dat tweede
aspect, dat luisteren, dat aandachtig luisteren naar de andere, het faire
verwoorden of samen van wat de andere zegt, dat de nieuwe retorici – zoals de
Belg Perelman, die eraan heeft gewerkt – aan de retoriek een ethisch aspect
gegeven hebben.
Het beeld dat men
meestal heeft, is dat men retoriek eigenlijk misbruikt, dat men op een bepaalde
manier taal eerder gebruikt om mensen te misleiden, te verleiden. Dat is dan
niet meer de betekenis van retoriek die u gebruikt?
Dat is een van de
betekenissen, hé. Dus de constatering dat er een retoriek bestaat die,
bijvoorbeeld om heel praktisch te zijn, uitgaat van zeer gemakkelijke
tegenstellingen. Dus bijvoorbeeld het kwaad bevindt zich ergens anders. Dus ook
gemakkelijk stereotypen gebruiken. Dat zou je kunnen typeren als een retoriek
die puur op overtuiging en eigenlijk op valse trucs gebaseerd is, met name
overdrijving. Dus ‘the axe of evil’ van
Bush, hé. Of hier het kwaad situeren, laten we zeggen in de westerse wereld. Het
typevoorbeeld is Hitler. Bij de Joden zat alle kwaad. Dat is makkelijk. Je kunt
dat met de Walen doen, je kunt dat met de islam doen, je kunt dat met de
vrijzinnigen doen, je kunt dat met de katholieken doen. Dergelijke eenvoudige
tegenstellingen creëren stereotypen en maken het debat ongenuanceerd. En dat is
slechte retoriek.
Slechte retoriek
betekent ook – misschien – anderen overtuigen van een onwaarheid?
Slechte retoriek,
dan bedoel ik vooral dat die gebruikt wordt om mensen te verleiden gemakkelijke
oplossingen te kiezen. Goede retoriek zou inderdaad kunnen zijn dat men
getraind is in het deconstrueren of in elk geval onderkennen van dergelijke
trucs.
Het deconstrueren
dan van retoriek. Op welke manier pak je dat aan?
Wel, door eerst en
vooral, heel eenvoudig, zeer aandachtig te kijken en zeer aandachtig te
luisteren. Ook naar jezelf. Als je met een bepaald iemand in debat gaat en een
positie inneemt, moet je ook voor jezelf kijken in hoeverre je die positie
inneemt zonder te luisteren naar iemand anders. In hoeverre ga je van de
andere, wat men dan noemt, een zondebok maken? Dus alle kwaad naar hem toe
schuiven. Het principe van retoriek is eigenlijk zorgvuldig analyseren en
proberen tot begrip te komen vanuit welke posities mensen spreken.
Ik kan mij
inbeelden dat er dus een heel nauw verband is tussen de beeldcultuur en de
woordcultuur. Op welke manier kun je bijvoorbeeld aantonen dat binnen de
beeldcultuur je ook aan deconstructie kunt doen die nuttig is om de werking van
de retoriek te gaan begrijpen en ook te gaan deconstrueren?
Ik heb daar
mateloos veel voorbeelden van. Maar laten we de tragedie-Hans Van Themsche of
de nieuwe tragedie die ons overvalt nemen om die retorisch te analyseren. Dan
zie je dat daar iets gebeurt. Iemand schiet iemand dood, een enorme tragedie.
En dan zie je het hele retorische apparaat in werking treden. Namelijk,
iedereen zal uit dat verhaal, de jongen die iemand anders doodschiet en een
aantal mensen verwondt en, ja, vermoordt eigenlijk … En dan beginnen de
verhalen te komen. Retorische analyse impliceert dat je kijkt welke posities
men daar inneemt. Het eerste wat men bijvoorbeeld deed – met Hans Van Themsche,
in het geval van het Finse voorbeeld van een paar maanden geleden en ook nu
weer – is degene die het gedaan heeft gaan stigmatiseren en stereotypiseren,
dus er een stereotype van maken. Daarmee bedoel ik: bijvoorbeeld hetzelfde
verhaal. Hij speelt games, hij is gothic, hij luistert naar bepaalde muziek,
heeft een bepaalde hobby. Vervolgens komen dan de psychologen. Dan maakt men daar
een autist van, of een psychopaat. Het volgende: politici komen. Die gaan dan
naar de wapens kijken, wapenwedloop, hé. Dus een retorische analyse van die
tragedie impliceert het bewust-zijn dat iedereen met een bepaalde versie, een
bepaald perspectief, een bepaalde bril, op die feiten afkomt en die zo
interpreteert.
Bijvoorbeeld als
we gaan kijken naar de hele rapcultuur. Daar zit toch heel wat meer in waar je
ook een behoorlijk stuk aan deconstructie kunt doen?
Ja, de eerste
deconstructie die vaak moet gebeuren is bij leraren of volwassenen die bij een
verandering van een medium of van een genre slinks zeggen: ‘Het is het einde
van een beschaving.’ Dat is omdat ze volledig opgegroeid zijn en eigenlijk zo
natuurlijk verbonden zijn met de media waarmee ze groot geworden zijn, dat ze
zichzelf retorisch moeten bekijken. En zeggen: ‘Waarom denk ik dat, hé?’ Het is
volledig normaal, als ik daarvoor een boutade mag gebruiken, dat als iemand op
dit moment vandaag iets in beeld wil brengen of verwoorden van wat hij voelt of
denkt, of communicatie zoekt, op een artistieke manier, dat die er misschien
niet in de eerste plaats aan denkt marmer uit Italië te gaan halen en daar een
beeld mee te kappen, maar dat die denkt aan de mogelijkheden die digitale media
als fotografie hebben, hé. Als hij woorden gebruikt, dat hij dan onmiddellijk
denkt aan schermen en mogelijkheden om woorden en beelden te verbinden. Want de
productiemiddelen zijn in handen van de consument gekomen. Dus dat lijkt mij
eerst en vooral belangrijk, dat de onderwijsgever in het onderwijs zich
realiseert dat als de media veranderen, ook de cultuur verandert.
Onze samenleving
is geen monoliet meer, maar is multicultureel. Wat betekent daar deconstrueren
in het kader van die multiculturele samenleving dan?
Ja, enorm
belangrijk. Ik denk zoals met de media, zoals met andere culturen, heb ik het
gevoel als er een nieuw medium opkomt, de computer bijvoorbeeld, het eerste wat
je je realiseert, is dat het boek maar een boek is. Je beseft plotseling dat
het vorige een medium was omdat er een nieuw medium komt. Met de confrontatie
met andere culturen denk ik dat we ook beseffen: ja, we zijn ook maar een
cultuur, wij hebben ook maar die visie gecreëerd, geconstrueerd vanuit het
verleden. En dan komen mensen met andere culturen. En die confrontatie dwingt
ons bijna om retorisch te zijn omdat we ons in communicatie, interactie of
zelfs in samenleving moeten aanpassen, of in elk geval moeten proberen te
begrijpen wat de ander bedoelt. Volgens de ene moet dat absoluut gebeuren,
volgens de andere moet dat met mate gebeuren. Maar ik heb het gevoel dat een
multiculturele maatschappij zoals die nu is, een multimediamaatschappij, ons
precies bewust maakt van constructie van één cultuur of de constructie van één
medium.
Is dat ook een
belangrijke bedenking die je eventueel kunt meenemen naar zoiets als een
Tiendaagse van het Woord, die er staat aan te komen en waar een aantal
culturele verenigingen zich onder zullen zetten? Precies oog hebben voor de
plaats van deconstructie, van retoriek in de multiculturele samenleving?
Ik denk, eerst en
vooral, als ik spreek over het woord, ik ben een groot verdediger van het
woord, dat is ook mijn vakgebied, hé. Taal en literatuur … Maar anderzijds
moet het volgens mij ook betekenen dat je het woord in de ruimste betekenis van
het woord interpreteert. Daarmee bedoel ik dat woord vandaag ook beeld is
geworden, ook klank is geworden, ook lifestyle is geworden enzovoort. Maar dat
is geen reden dat ik dan ook niet zou pleiten om opnieuw nog maar eens
zorgvuldig aandacht te besteden aan de kracht van woorden, de macht van woorden
op andere mensen, maar ook op onszelf, hé. We gaan ons vaak door het gebruik
van bepaalde woorden, stereotypen en verhalen ingraven in bepaalde
redeneringen. En ja, dat is schitterend, woorden gebruiken, maar tezelfdertijd
kunnen we slachtoffer zijn van die woorden.
De
kracht van woorden, maar ook de gevaren van slechte retoriek. Een belangrijk
aandachtspunt voor de Tiendaagse van het Woord. Dat was nog Ronald Soetaert van
de UG. Voor meer informatie over die Tiendaagse van het Woord kunt u terecht
bij het WF zelf. Dat vindt u aan de Vrijdagmarkt 24-25 in Gent. Telefoneren kan
er op 09 224 10 75. En uiteraard is er ook de website: www.willemsfonds.be.
“Ferny
Hill”. Dat is muziek van The Chieftains. En dat brengt ons bij het Wereld
Sociaal Forum. Ja, Frank, de negende editie van het Wereld Sociaal Forum vond
plaats van 27 januari tot 1 februari in Belém, in Brazilië.
Inderdaad, Karel. En Francine Mestrum,
bekend van haar boeken over de globaliseringsproblematiek, was aanwezig in
Belém op het Wereld Sociaal Forum (WSF) en ze is net terug. We vroegen haar dan
ook wat haar eerste algemene indruk was.
De
eerste algemene indruk is eigenlijk dat ik met vrij gemengde gevoelens ben
teruggekomen, om diverse redenen die ik graag wil uitleggen. Maar misschien mag
ik even herinneren aan de oorsprong van het Forum. Het WSF is het nu
tweejaarlijkse evenement van de andersmondialiseringsbeweging. Die
andersmondialiseringsbeweging bestaat vandaag exact tien jaar, en is begonnen
met ‘the battle of Seattle’ in 1999. In Porte Alegre in Brazilië is in 2001 een
eerste groot WSF gehouden, op hetzelfde ogenblik als het Wereld Economisch
Forum in Davos. We zijn nu dus bijna tien jaar later, en dat Forum heeft een
enorme evolutie gekend. Als ik zeg dat ik met gemengde gevoelens teruggekomen
ben, is dat om het volgende. Positief was dit jaar zeker dat er een grotere
politieke inhoud uit het Forum is gekomen. We hebben een ontmoeting gehad met
de linkse presidenten van het Latijns-Amerikaanse continent, dat is heel
positief geweest. Er is heel veel aandacht gekomen voor het Amazonegebied, wat
geopolitiek en geostrategisch ook heel erg belangrijk is. En de verschillende
bewegingen in het Forum hebben netwerkoverschrijdend – ik zal dat straks nog
kunnen uitleggen – ook teksten aangenomen met alternatieven. Dus dat zijn de
positieve zaken die zeker gebeurd zijn. Negatief is misschien toch dat er
ondanks die aandacht voor het Amazonegebied nog te weinig een echte focus
gegeven wordt aan dat Forum. Alle mogelijke thema’s worden besproken. Bij de
klassieke thema’s uiteraard de huidige economische crisis, de agenda voor
decent werk, de openbare diensten, mensenrechten, de ecologie. Maar dan heb je
ook aan de andere kant thema’s zoals de clowns van Guatemala, de
hiphopbeweging, doventolken. Dat zijn op zich allemaal belangrijke punten, maar
misschien verschuiven die de aandacht van het Forum toch een beetje van de meer
belangrijke punten. Positief toch ook weer, om daarmee te eindigen, dat er ook
nieuwe thema’s aan bod zijn gekomen, zoals de slavenarbeid die in Brazilië nog
altijd bestaat. Ook de criminalisering van de sociale bewegingen. Dus gemengde
gevoelens, positieve en negatieve.
Als je spreekt over het WSF, dan heb je
het ook over meer dan honderdduizend deelnemers, meer dan tweeduizend
seminaries! Mijn vraag is dan: hoe vindt een kat haar jongen daarin terug?
Die
kat vindt haar jongen niet terug! En we komen dus allemaal terug met een
partieel beeld, vandaar ook het positieve en het negatieve, denk ik. En
afhankelijk van de mensen met wie je praat en welke seminars ze hebben
bijgewoond, krijg je een positief of een negatief antwoord. Vandaar dat ik het
ook wel belangrijk vind dat wij bijvoorbeeld met de Belgische deelnemers
binnenkort nog eens samenkomen om alle partiële beelden eens bij elkaar te
leggen en te zien hoe we daar verder mee kunnen en hoe we daar iets mee kunnen
doen in België. Maar verder heb je ook wel gelijk. Dat Forum was weer zo groot,
met meer dan honderdduizend deelnemers, maar tegelijkertijd stel je toch vast
dat het in hoofdzaak een Braziliaans Forum was. Meer dan de helft van de
deelnemers kwam uit Brazilië. Er waren nauwelijks tienduizend internationale
deelnemers, inclusief Latijns-Amerika. En er kwamen nauwelijks vijfhonderd
deelnemers uit Europa. Dat is veel minder dan bij de vorige fora. Dus in die
zin was dit toch wel meer een Braziliaans Forum dan een mondiaal Forum.
Je hebt het al gezegd, het is voor een
heel groot stuk een partiële ervaring, daarnaartoe gaan, maar slaagt men er dan
ook in om conclusies te trekken? Om gemeenschappelijke conclusies te trekken?
Neen,
maar het is geen kwestie van er niet in slagen, het is een kwestie van niet
willen, en dat is ook begrijpelijk. Want wat we niet meer nodig hebben vandaag
de dag, is een nieuwe ‘pensée unique’, ook al zou die komen van de sociale
bewegingen. Dat is één. Twee, er is ook geen enkele sociale beweging die zich
een agenda wil laten opleggen. Dus alle besluiten die er genomen zijn – en dat
zijn er ditmaal toch meer dan twintig –, zijn besluiten van bewegingen die op
het Sociaal Forum aanwezig waren. En die hebben wel een aantal interessante
teksten goedgekeurd. Die gaan ook veel verder dan het zuivere, laten we zeggen,
het simpele antikapitalistische. Dus men probeert toch een denken te
ontwikkelen dat veel verder gaat, dat veel grondiger is. Er zijn echt
diepgaande analyses gemaakt. Bijvoorbeeld om te zeggen dat we niet alleen tegen
het kapitalisme moeten zijn, dat we de logica van het economische denken moeten
aanpakken, dat we verder moeten kijken als we ook echt iets willen doen aan de
ecologie, aan de genderongelijkheid enzovoort. Dat is één ding, nog eens het
positieve. Het negatieve, als je kijkt naar de teksten, dan zijn ze misschien
niet zo concreet als velen zouden hebben gewenst. Het zijn in eerste instantie
actieagenda’s, wat ook weer positief is, maar het blijven actieagenda’s. Dus
alweer het positieve met het negatieve. Maar nogmaals, conclusies van het Forum
zelf zijn het niet, het zijn conclusies van bewegingen die in het Forum actief
zijn.
Je zegt dat er heel veel is gedebatteerd,
dat er analyses zijn gemaakt. Globaal is het programma antikapitalistisch, maar
niet alle problemen zijn te terug te brengen tot het kapitalisme!
Precies,
en dat is ook heel duidelijk in de analyses tot uiting gekomen. Het beste
voorbeeld is het ecologische probleem, dat is een beschavingsprobleem. De
genderongelijkheid gaat veel verder. Genderongelijkheid verdwijnt niet met het
eventuele verdwijnen van het kapitalisme. En misschien mag ik hier één
voorbeeld geven. Een land dat volgens mij daaraan goed aan het werken is, is
Ecuador. De mensen die daar mee het beleid beïnvloeden, zitten echt op een
alternatief spoor, en ik heb bijzonder veel hoop dat daar pragmatische
alternatieve voorstellen echt aan bod komen.
Een WSF organiseren is een hele
onderneming, kost veel geld, heel veel energie gaat ernaartoe. Hoe zie je nu de
toekomst van dat WSF?
Wel,
het eerste wat daarover gezegd moet worden, is dat het WSF een proces is. Het
zijn geen tweejaarlijkse of jaarlijkse evenementen die ophouden de dag dat het
Forum afloopt. Het is een heel proces met daartussendoor lokale fora,
thematische fora, vergaderingen van een internationale raad enzovoort. En
uiteraard de dagelijkse acties, de dagelijkse activiteiten van alle sociale
bewegingen. Ik denk dat daar een heel grote invloed van uitgaat. Maar
inderdaad, het is een hele onderneming om zo’n Forum te organiseren en het
grootste probleem is dan ook het financiële probleem. Dat is niet zo makkelijk
op te lossen. Het volgende Forum zou over twee jaar normaal in Afrika moeten
plaatsvinden, maar daar zijn nog heel wat problemen voor op te lossen en we
hebben nog absoluut geen concreet voorstel over waar dat zou kunnen gebeuren.
Anderzijds blijf ik zeer hoopvol en zeer optimistisch, want als je kijkt naar
de dynamiek van sociale bewegingen – en ik denk dan toch vooral aan de dynamiek
in Latijns-Amerika, maar ook in Afrika –, dan is die enorm en steekt die toch
wel schril af tegen de dynamiek die we zien in Europa. We zijn echt een
vergrijzend continent aan het worden. Maar het hoopvolle is wel dat in andere
continenten van de wereld er ontzettend veel dynamiek is, er ontzettend veel
gebeurt en er erg veel optimisme uitgaat van die bewegingen in Latijns-Amerika
en meer en meer ook in Afrika.
Manu Chao met “Clandestino”. Daarvoor
was er Francine Mestrum bij FS over het Wereld Sociaal Forum. En eerder hadden
we een bijdrage van het WF over de Tiendaagse van het Woord. Uw vragen en
bedenkingen kunt u zoals steeds kwijt op onze redactie: HVW, Lange Leemstraat
57 in 2018 Antwerpen. Telefoneren kan op het nummer
03 233 70 32. Maar er is ook de website van de HVV: www.h-vv.be.
Zo, deze aflevering van HVW zit erop en we gaan
eruit met muziek van Ry Cooder op de achtergrond. Maar volgende week zijn we er
weer. Met een bijdrage van het VF. Viona Westra heeft het dan met Peter Benoy
over de Avant Garde in het theater. En FS heeft het over het Spescolloquium
over de arbeidscultuur van de toekomst. Volgende week maandagavond, meteen na de
Nieuwsflash van 20.00 uur op Radio 1. Graag tot dan. Daaaaag.
|