Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow Ronald Commers over vrijmetselaarsfilosofie en Mozart / Peter Venmans over de zin van nut
Ronald Commers over vrijmetselaarsfilosofie en Mozart / Peter Venmans over de zin van nut

HVR – HVW

Uitz.: 08.09.08

Opn.: 04.09.08

Real.: Frank Stappaerts

Ronald Commers over vrijmetselaarsfilosofie en Mozart / Peter Venmans over de zin van nut

Beginindicatief --

Goedenavond luisteraar en welkom in HVW. Vanavond praten we met Peter Venmans over zijn nieuwe boek “Over de zin van nut”, een filosofisch essay waarin de auteur op zoek gaat naar de bronnen van ons pragmatische levensgevoel. Straks meer daarover, want we starten met Ronald Commers. Van hem verscheen zopas “Tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld. Over vrijmetselaarsfilosofie en Mozart”, een derde en laatste deel van zijn omvangrijke onderzoek naar de radicale verlichting in Centraal- en West-Europa. Ronald Commers, je invalshoek is deze keer de vrijmetselarij. Je bent zelf vrijmetselaar en dus betrokken partij. Vandaar ook het strijdvaardige karakter van het boek. Maar een aantal populaire geloofsinhouden met betrekking tot die vrijmetselarij wil je alvast in twijfel trekken!

Dat betreft de klassieke geschiedenis van de vrijmetselarij zoals ze door vrijmetselaars zelf maar ook door buitenstaanders wordt bedreven. Ik zal het kort samenvatten: ik probeer te argumenteren en ook te staven dat het hele idee dat de vrijmetselarij, dus de organisaties van vrijmetselaars moet ik zeggen, ontstaan zijn uit de bouwvakkersgilden die met kathedralenbouw enzovoorts te maken zouden hebben gehad, pure fictie is, een uitvinding, een verhaaltje. Dat strookt niet met de werkelijkheid. Ten tweede, ook negatief, wat men terugvindt in de verhalen, is de zogenaamde Schotse oorsprong, The Scottish Key, zeer recent nog, dat is een fictie. Ik probeer aan te tonen dat de basis eigenlijk continentale renaissancefilosofie, radicale reformatie enzovoort betreft. Ten derde, de riddermotieven die om romantische en ook semipolitieke redenen werden ingevoerd in de tweede helft van de achttiende eeuw, zijn ook een puur fantasme. Dat heeft niets te maken met de oorspronkelijke beweging van het ontstaan van genootschappen, die gesloten van karakter waren en waar intellectuele mensen uit de handel, de nijverheid, elkaar konden vinden. Dat zijn dus, laten we zeggen, de negatieve dingen. Positief zou men kunnen aanbrengen wat verzwegen werd wanneer mensen praten over hoe is dat nu allemaal gegroeid, tussen zeg maar de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw. Dat zijn de heel knappe bronnen, de renaissancefilosofie, de spirituele alchemie die een rol heeft gespeeld met haar zeer rijke thema’s – muzikaal, symbolisch en uiteraard ook een heel grote interesse voor zeg maar een seculiere, profane architectuur. Je zou spontaan kunnen denken aan het Palladio uit Vicenza; dat is veel belangrijker, samen met enkele andere namen, ik geef hem maar als voorbeeld, dan die zogenaamde piste van de kathedralenbouwers. Het gaat om mensen die mathematisch, structureel over architectuur nadachten en dus een nieuw schoonheidsideaal, gebaseerd op renaissance, hebben ingebracht. En daar is heel veel uit geput!

Nu, een ander thema is toch ook het verlaten van die oorspronkelijk radicaal maatschappelijke oriëntering van de vrijmetselarij! In welke mate zou je kunnen zeggen dat dit een bewust proces is geweest?

Ik geloof dat men mag vooropstellen dat daar toch bewust naartoe gewerkt is, al bij de allereerste organisatie van de Engelse vrijmetselarij. Het is immers toch een Engels fenomeen geweest, alhoewel de basis van het idee van gesloten genootschappen – Invisible Colleges, werd het ook genoemd, Geheimbünde in Duitsland – te maken had met een radicalisering, het antipaapse, dus de reactie tegen Spanje en Rome ongetwijfeld, maar dan komt er natuurlijk een soort van maatschappelijk compromis, dat voornamelijk in het United Kingdom, het nieuwe Groot-Brittannië dat ontstaat en al vrij snel heeft geleid tot doorsplitsingen, mensen die conservatieve agenda’s hadden en die wilden afstappen … Dat is georganiseerd, ik twijfel daar niet aan. Overigens, vrijmetselarij, of vrijmetselaarsorganisaties – want ik probeer toch te vermijden dat algemene bulkwoord te gebruiken – hebben altijd een relatie gehad met politieke ontwikkelingen in Europa. Vooral in de tweede helft van de achttiende eeuw zie je dat een aantal mensen zeer bewust aansturen op een uitholling van de oorspronkelijke radicale inhoud. Men moet zich dat niet zo radicaal voorstellen, maar toch in verhouding tot wat men toen had aan wereldbeschouwelijke ideeën. Er zijn mensen die zeer uitdrukkelijk gewerkt hebben in de richting van een uitholling van die radicale boodschap. Datgene wat aan de grondslag ligt van wat men de aloude aangenomen Schotse ritus noemt, le Chevalier de Ramsay was eigenlijk een gewone plebejer uit Schotland, maar de Stuarts waarschijnlijk getrouw steunde. De Stuarts waren verbannen edelen, want ze waren koning af. Daar heb je in elk geval een heel duidelijke piste, kun je heel duidelijk aanduiden dat zowel in Frankrijk als in Duitsland politieke agitatoren bezig waren om de oorspronkelijke boodschap van Desaguliers en zijn voorgangers van het einde van de zeventiende eeuw gewoon uit te hollen.

De vrijmetselarij is een zingevingssysteem zoals de grote wereldreligies. Nochtans ontbreekt die vrijmetselarij meestal wanneer die religies met elkaar in dialoog gaan. Voor een stuk verwijt je dit de vrijmetselarij zelf! En toch hoop je dat zij in de eenentwintigste eeuw een boodschapper van de lente wordt!

Ik ben van mening dat de vrijmetselaarsorganisaties in Europa – en in de Verenigde Staten en Latijns-Amerika wellicht ook, want het is een wereldfenomeen – te weinig beklemtoond willen zien dat ze eigenlijk ook in de brede zin van het woord een religieuze grondslag hebben. Ik bedoel met religieus natuurlijk niet godsdienstig, zij zijn niet confessioneel in de zin zoals de drie monotheïstische godsdiensten dat zijn. Ze kunnen mensen van die monotheïstische godsdiensten overigens opnemen. Het zou een fictie zijn om te denken dat dat niet zou kunnen. Heel belangrijke leden van vrijmetselaarsorganisaties hadden joodse, christelijke, protestantse en zelfs moslimroots. Maar de vrijmetselarij heeft naar mijn gevoel in het verleden te weinig oog gehad, ondanks zeer belangrijke figuren zoals Goblet d’Alviella en anderen, voor wat de religieuze zingeving, de inhoud is, namelijk het menselijke bestaan is een geheim. Het heeft niets te maken met een of ander geheim dat men moet verbergen voor de wereld, men kan de allerlaatste duiding van de zin van het leven niet geven. “De zin van het leven is het leven zelf”, zei Vladimir Jankélévitch. U verwees met de uitdrukking “boodschapper van de lente” natuurlijk naar een beroemde uitspraak van een filosoof die mij na aan het hart ligt: Vladimir Jankélévitch. Vrijmetselaarsorganisaties hebben een soort van vrees omdat zij zich vaak ook willen afzetten tegen de godsdienst en godsdienstigheid. Voor het religieuze aspect, wij zijn bezig naar waarheid te zoeken, maar wij zullen nooit in waarheid zijn, we zullen daar niet in kunnen postvatten en die plaats behouden. Het waarheid zoeken, zegt men vaak, is belangrijker, maar dat zegt niet alleen de vrijmetselarij, dat zeggen niet alleen vrijmetselaarsorganisaties; het waarheid zoeken is belangrijker dan de waarheid hebben. En de allerlaatste grond van de menselijke existentie en tout court van het bestaan, van het zijn, en niet het niets, dat zal ons ontgaan. Maar wat ons niet vrijmaakt van ernaar te zoeken. Dit is natuurlijk toch op een belangrijke manier in vrijmetselaarsritualen uitgedrukt, namelijk er is een geheim tussen ons, of wij bouwen aan iets waarvan wij het resultaat niet zullen zien. Wel: laat de vrijmetselaars dat maar eens wat ernstiger nemen, ook uitdragen in de wereld, in plaats van het altijd te camoufleren en achter te houden. Ik heb met dit boek natuurlijk ook radicaal in de lijn van een van mijn grote leraars, maar ook een van mijn broeders, Leo Apostel, willen pleiten voor een coming out. Laten we naar buiten komen, laten we dat nu eens zeggen! We moeten dat niet alleen aan Ratzinger, Wojtyla, onze kardinaal in België of weet ik wie overlaten om te praten over wat de mogelijke grondslagen zijn van die wereldbeschouwing. Want je kunt ze ook niet helemaal doorzien. Je doorziet zelfs niet de grondslagen van je eigen wereldbeschouwing, want dat is zoeken en tasten. Maar laten we dat verduidelijken. Als de vrijmetselarij iets wil betekenen voor de eenentwintigste eeuw, dan zal zij het volgens mij toch wel op een andere manier aan boord moeten leggen, want anders worden de vrijmetselaarsorganisaties gezelligheidsclubs, zoals Leo Apostel in zijn boek over vrijmetselarij al schreef. Daar is niets op tegen, maar dan missen zij de boot van wereldbeschouwelijke zingeving die noodwendig is, denk ik, voor het voortbestaan van de mensheid.

Het tweede deel van je boek gaat over Mozart, voor jou dé muzikale vertolker van een filosofie van de vrijmetselarij!

Het is misschien een beetje bizar dat het boek in een tweede deel, een korter deel, over Mozart gaat, maar ik heb nog meer dan je nu in je vraag zegt, willen aanduiden dat het voornamelijk Mozart is geweest. Hij was een heel trouw vrijmetselaar, ik heb zelfs in vrijmetselaarsmiddens horen zeggen: “Jij met je Mozart, die man is misschien één keer naar een zitting, zoals dat dan heet, geweest, naar een vergadering, een bijeenkomst, en voor de rest interesseerde hem dat niet, want hij had dat carrièregewijs nodig.” Er is niets op tegen dat men mensen ontmoet die je ook in je loopbaan kunnen helpen, denk ik, maar Mozart had dat niet nodig, daarvoor was hij natuurlijk te getalenteerd. Maar wij weten dat hij een heel trouw vrijmetselaar was, dat hij heel nauwgezet de zittingen volgde, dat hij heel veel daarvoor geschreven heeft, maar wat veel belangrijker is: de muziek van Mozart de vrijmetselaar is veel meer dan datgene wat men altijd vrijmetselaarsmuziek noemt. Dat is ook het klarinetconcerto, voor een broeder geschreven, Anton Stadler. Dat zijn ook al kunstwerken die hij gemaakt heeft, lang voor hij werd opgenomen in de Weense vrijmetselarij. Want hij kende de belangrijkste mensen op dat moment, radicale wereldbeschouwelijke, politiek heel actieve leden van de Oostenrijks-Hongaarse constellatie. Ik heb willen beklemtonen dat, boven de woorden uit, door het gebruik van de muzikale taal, Mozart misschien wel de belangrijkste ideoloog, als je dat zo wilt noemen, dan in de meest positieve betekenis van ideologie, of de belangrijkste wereldbeschouwer is. Omdat hij zich kon bevrijden van de woorden uiteraard, want met woorden zitten wij natuurlijk altijd gefopt. We verraden ons altijd zelf. Ook hier heb ik mij natuurlijk laten inspireren door Jankélévitch, “La musique et l’ineffable” (“De muziek en het onuitsprekelijke”). Als het onuitsprekelijke het geheim van het menselijke bestaan is, dan zijn het de musici die zich kunnen bevrijden van het woord, die dus dat geheim, dat onuitsprekelijke, maar dan moet ik een metafoor gebruiken, onder woorden kunnen brengen, maar het zijn geen woorden, het zijn klanken, het is tijd, het is duur. Daarom heb ik Mozart in de eerste plaats centraal willen stellen. Een tweede reden: Mozart zelf heb ik geplaatst – en ik denk niet dat ik de enige ben, Volkmar Braunbehrens, Jean Massin, Brigitte Massin e.a. hebben heel duidelijk kunnen aanwijzen hoe hij ermee verbonden was – tegen een radicale boodschap waar men doorgaans van zegt dat het het verlichtingsdenken is. Je vindt Mozart als vertolker van Was ist Aufklärung, Zum ewigen Frieden, Ideale allgemeine Geschichte, dan noem ik Kant, maar het is daarmee verbonden, het is dezelfde periode overigens. Hij was op de hoogte, hij was waarschijnlijk ook een voorstander van wat zich achter de Franse Revolutie aan denkbeelden heeft ontplooid. Dat vinden wij terug in de meer expliciete maçonnieke kunstwerken die hij dan gemaakt heeft. In “Die Zauberflöte” hoor je dat: “Er ist mehr, er ist kein Prinz, er ist mehr, er ist ein Mensch”, enzovoort. Lessing e.a., Goethe en andere belangrijke Duitse auteurs waren hem allemaal bekend, maar hij was ook organisatorisch verbonden met de mensen die een heel radicale rol hebben gespeeld in die Oostenrijkse dominante Centraal-Europese samenleving. Ik heb ook de indruk dat dat hem niet altijd in dank is afgenomen, om het heel eufemistisch te formuleren.

Tot zover nog Ronald Commers over “Tussen de zichtbare en de onzichtbare wereld. Over vrijmetselaarsfilosofie en Mozart”, een uitgave van Acco en te koop in de goede boekhandel. Zo dadelijk hebben we het met Peter Venmans over de zin van nut, maar eerst muziek!

MUZIEK

Van Peter Venmans verscheen enkele jaren geleden “De ontdekking van de wereld. Over Hannah Arendt”. En onlangs verscheen er van hem een tweede boek, een filosofisch essay, “Over de zin van nut”, en daarin schrijft Venmans vanuit een zekere sympathie over het nutsdenken, een filosofische traditie met toch al een lange voorgeschiedenis! Peter Venmans:

Nutsdenken gaat terug tot de achttiende eeuw. De grote figuur van het nutsdenken is de Engelsman Jeremy Bentham die zo in de tijd van de Franse Revolutie leefde. Wat Bentham wou doen, is een soort wetenschappelijke benadering zoeken voor het menselijke geluk. Hij probeerde het geluk te becijferen, objectief te maken, om op die manier politieke hervormingen mogelijk te maken. Bentham heeft tamelijk veel succes gehad in Engeland en een aantal van zijn politieke ideeën zijn later, in het begin van de twintigste eeuw, overgenomen in Amerika, door Amerikaanse pragmatici zoals William James en John Dewey. Dat zijn met mensen die ook geprobeerd hebben om het menselijke geluk te benaderen en centraal te stellen en die ook gezocht hebben naar manieren om op een efficiënte, nuttige manier filosofie te bedrijven en ook in het leven te staan. Tot op vandaag de dag zijn er veel pragmatici, iets minder utilitaristen, in de filosofie.

Voor ons modernen in het Westen, schrijf je, is geluk blijkbaar onlosmakelijk verbonden met nut. Maar tegelijk, zo schrijf je ook, ontkomen we niet aan een gevoel van onbehagen!

Nut is voor ons zeker verbonden met geluk. Wij willen echt nuttig zijn. Wij willen bijdragen tot het geluk van andere mensen en we zouden het ons niet kunnen voorstellen dat we, als we geconfronteerd worden met een probleem, bij de pakken blijven zitten. We willen ook, als we ’s morgens naar ons werk vertrekken, nuttig werk kunnen doen. We willen ook voor onze kinderen zorgen, enzovoort. Een groot gedeelte van onze arbeid is gericht op nut, maar tegelijk beseffen we ook dat de dingen die misschien echt van belang zijn in ons leven, niet per se met dat nut te maken hebben en dat een te grote concentratie op nuttigheid ons tamelijk veel stress en ongenoegen bezorgt. Als je de hele dag bezig bent met nuttige activiteiten, dan heb je ’s avonds het gevoel dat je uitgebuit bent, dat je niet aan jezelf toegekomen bent. Dat gevoel leeft op dit ogenblik ook heel sterk in de maatschappij, waar wij eigenlijk gedwongen worden tot zeer grote nuttigheid. En dat maakt dus deel uit van ons geluk, maar ook van ons ongeluk.

In je bespreking van Jeremy Bentham schrijf je dat de verstrengeling van utilitarisme en liberale belangen het nutsdenken een slechte naam heeft bezorgd bij linksdenkenden. Nochtans kan een utilitarist, die per definitie bekommerd is om het grootste geluk voor allen, nooit een kapitalist pur sang zijn!

Het utilitarisme is ook een economische theorie natuurlijk. Het gaat over het becijferen van economische processen. Maar tegelijk bevat het utilitarisme ook een sterk ethisch appel. Het is ook een ethiek, die volgens mij, als je het consequent doordenkt, leidt tot een linkse politiek omdat een utilitarist altijd zal proberen om enerzijds het geluk te maximaliseren, om zo veel mogelijk nut voort te brengen, dus de welvaartskoek zo groot mogelijk te maken. Maar om het grootste geluk van allen te bewerkstelligen, moet je meer doen dan dat, je moet er ook iets aan toevoegen. En de tweede operatie, na de maximalisering van het nut, is de herverdeling van het nut op een zo gunstig mogelijke manier. Dus een soort optimalisering, en dat is een linkse operatie natuurlijk, de herverdeling. De traditionele utilitaristen zoals Bentham gingen niet zover, die durfden geen verregaande herverdeling aan. Maar als je dat consequent en radicaal doordenkt, wat de bekende Australische ethicus Peter Singer bijvoorbeeld doet, kom je tot een zeer linkse versie van het utilitarisme. Dus in het nutsdenken zit altijd het gevaar van een verstrengeling met kapitalistische belangen, maar als je de teksten van die nutsdenkers goed leest, dan gaat er altijd een zeer sterk ethisch en politiek appel van uit.

Utilitarisme en pragmatisme zijn misschien de enige die in een seculiere tijd zin hebben gegeven aan onze eindige, menselijke en historische ondernemingen, schrijf je. Met andere woorden: een humanistisch project bij uitstek!

Utilitarisme en pragmatisme zijn humanistische manieren van denken omdat ze uitgaan van een rationaliteit, van een menselijke rationaliteit, maar dan in brede zin. Niet zuiver de rekenkunde en de logica, maar gewoon de rationaliteit waarbij ook verbeelding, filosofie en literatuur betrokken moeten worden. Maar het mensbeeld dat ze hebben, is wel een mensbeeld zonder God, althans het bestaan van God of van religie doet er an sich niet zoveel toe voor de utilitaristen of de pragmatici. Je kunt gerust een religieus denkend mens zijn en tegelijk een utilitarist of een pragmaticus. Dat kan! Het enige wat utilitaristen en pragmatici interesseert, is: wat zijn de effecten in het dagelijkse leven, in het praktische bestaan? Religie kan nuttig zijn voor het menselijke geluk, maar het kan ook evengoed zonder. In principe zullen pragmatici niet erg geneigd zijn om veel belang te hechten aan religie, en omgekeerd is het wel zo dat mensen die religieus denken het zeer moeilijk zullen hebben met de pragmatici, want de pragmatici stellen gewoon de hele kwestie over het bestaan van God tussen haakjes, vinden ze niet belangrijk, wat natuurlijk voor religieuze mensen wel zo is. Dus religie en pragmatisme bijten elkaar niet, maar staan toch op een gespannen verhouding en de band tussen pragmatisme en humanistische, seculiere traditie is wel veel sterker.

In het laatste hoofdstuk hou je een pleidooi voor een verruimd pragmatisme, dat je dan plaatst tegenover een smalle variant!

De smalle variant van het pragmatisme treffen we overal aan in onze maatschappij: dat is het economische denken, het denken van de managers. Nu, managers zijn nodig om een aantal processen in goede banen te leiden, maar managers mogen niet het werk innemen van andere mensen, van mensen die bezig zijn met geneeskunde, met onderwijs, enzovoort. Tegenover dat smalle pragmatisme, tegenover de cijferaars, durf ik een soort veralgemeend, verruimd pragmatisme te stellen waarbij de essentiële vraag eigenlijk moet zijn: wat is geluk? Of: hoe kun je geluk definiëren? Die vraag is een filosofische vraag waarbij je ook aandacht moet hebben voor de diversiteit van geluk bijvoorbeeld, iets wat door managers en technologen heel vaak vergeten wordt, en dat is een verleiding die ook in het utilitarisme zat, namelijk een neiging om alles te reduceren tot één variant van het geluk. Waar ik in mijn boek eigenlijk voor pleit, is voor een verruiming, voor filosofische reflectie waarbij het gezonde verstand zeker niet overboord mag worden gegooid. De wijsheid die mensen hebben in het dagelijkse leven, moet zeker gevaloriseerd worden. Maar die verruiming, dat is eigenlijk wat ik in mijn boek wil doen, dus vasthouden aan de grondslagen van het nutsdenken, maar ervoor zorgen dat het mensbeeld dat eraan beantwoordt ook breed en rijk genoeg is en ook recht doet aan de verscheidenheid van mensen en individuen.

Tot zover nog Peter Venmans. Het boek “Over de zin van nut. Een filosofisch essay” is getipt voor de AKO Literatuurprijs en is uitgegeven door Atlas. Daarmee zijn we aan het eind van HVW. Samenstelling en presentatie waren van FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen, tel.: 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op www.h-vv.be. Volgende week zijn we er weer en dan praten we met Wim De Pauw over cultuur en beleid in Vlaanderen en is er ook een bijdrage van het WF. Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!

Muziek: 10” High Heels – Sakamoto Sakamoto 262975

1’ Concert voor klarinet, K. 622 – Mozart ? CCN 002

 

Valide CSS!