| Religie en verlichting - Camus |
|
HVW 01.03.10 Religie en verlichting / Camus
Opname: 25.02.10
Uitz.: 01.03.10
Samenst.: KVD / FS
Muziek:
10” Signe E. Clapton E.
Clapton 9 45024-2
1’00” In praise of dreams J. Garbarek J. Garbarek ECM 1880
9811068
1’00” Les Marquises J. Brel J. Brel Barclay
531711-2
20” Goldberg
Variations J.S. Bach A. Rangell DOR-90138
Goedenavond en welkom bij HVW, met daarin
twee bijdragen. 50 jaar geleden overleed Albert Camus. Wij vragen ons af wat de
betekenis van de existentiefilosoof is voor het humanisme. Dat doen we met
professor emeritus Maurice Weyembergh van de VUB. Hij werkte mee aan het
nieuwe, vierdelige verzamelde werk van Albert Camus in de Bibliothèque de la
Pléiade. Straks meer over Camus, maar we beginnen met de vzw Motief en het
Masereelfonds en hun gezamenlijke reeks lezingen over religie en verlichting.
Frank Stappaerts had een gesprek met de organisatoren. En, Frank, een aanrader?
Inderdaad, Karel! In de maand maart,
beginnend vanaf 5 maart, organiseren de vzw Motief en het Masereelfonds een
reeks lezingen en gesprekken over religie en verlichting. Aan Rosalie Heens van
Motief vroegen we naar het waarom van dat thema vandaag.
Ik denk dat beide
partners daar een beetje hun eigen redenen voor hadden. Met Motief worden wij
in onze cursussen vaak geconfronteerd met de opmerking of geloven, gelovig-zijn
nog iets van deze tijd is en niet iets van vóór de verlichting. De verlichting
is toch de opkomst van de rationaliteit, en in die zin is gelovig-zijn iets wat
daartegen ingaat. Dat is een van de opmerkingen waarbij wij toch onze vragen
hebben en waarrond we wilden werken. Anderzijds, een andere opmerking die we
vaak tegenkomen, is dat de islam tegenover het Westen staat, precies omdat de
islam geen verlichting heeft doorgemaakt. Dat is opnieuw iets waar wij serieuze
vragen bij hebben en waar we een programma rond wilden doen. Het MF van zijn
kant ervaart vaak ook dat religies soms niet openstaan voor kritiek precies op
de religie zelf. Zij krijgen van hun achterban ook vaak de vraag of we onze
verlichtingswaarden niet aan het kwijtraken zijn doordat we te veel toegevingen
doen aan de religies. Dus vanuit die twee invalshoeken, zeg maar, hebben we
besloten om samen iets te doen rond religie en verlichting, waarbij we die twee
kritisch bekijken.
Daarvoor hebben jullie een hele reeks
opgezet die plaatsvindt op verschillende locaties. Kun je ons daar een beetje
een idee van geven?
De reeks heeft
plaats in Brussel, Gent en Antwerpen. We starten begin maart. De opbouw is een
beetje de volgende. In een eerste sessie kijken we naar de verlichting als
historisch fenomeen. In welke context is de verlichting begonnen? Wat was toen
de verhouding tussen verlichtingsfilosofen en religies? Hoe werden de
verlichtingswaarden toen ingevuld? Dus vooral de historische context. In de tweede
sessie laten we een gelovige en een niet-gelovige spreker aan het woord, en zij
kijken of er binnen religies nagedacht is over die verlichtingsidealen. Hoe is
daarover nagedacht? Komt het daar inderdaad tot een botsing tussen een
religieuze identiteit en die verlichtingsidealen, of valt dat allemaal nog wel
mee? En in een derde en laatste sessie gaan we dan kijken naar wat de erfenis
is van de verlichting nu vandaag. We kijken vooral naar vandaag, enerzijds van
die verlichtingsidealen: hoe kunnen we die vandaag in onze samenleving
inzetten? Moeten we daar iets aan updaten of aan veranderen, of kunnen we die
zo overnemen? Anderzijds, hoe gaan we dan om met vragen vanuit religies die
ingaan tegen die verlichtingsidealen? Dus, hoe tolerant moet een samenleving
eigenlijk zijn ten aanzien van vragen die ertegen ingaan?
Voor alle duidelijkheid: je sprak over drie
verschillende luiken, maar die drie verschillende luiken zijn telkens in de
drie verschillende steden bij te wonen!
Inderdaad, in elke
stad krijg je dus een reeks van drie avonden waarbij we die drie stappen
zetten. Iedere keer ook met andere sprekers. Een aantal voorbeelden van
sprekers: in Gent horen we bijvoorbeeld de eerste avond
Een van die sprekers, in de eerste sessie
van de reeks, is Eddy Borms. Aan hem de vraag: wat is verlichting?
Sommige historici
zetten daar een vaste datum op. Jonathan Israel bijvoorbeeld plaatst dat in
1650. Anderen, zoals Paul Hazard, zullen 1670 nemen. Maar het is in ieder geval
zo dat er in die zeventiende eeuw een aantal merkwaardige dingen gebeuren. Dat
die daar gebeuren, heeft heel veel te maken met een vorige periode van
godsdienstoorlogen. Men heeft de reformatie gehad waarin Luther de Bijbel op
zijn manier gaat lezen. Maar de reformatie is geen verlichting omdat je daar de
ene orthodoxie krijgt tegenover de andere orthodoxie. De ene groep die de
waarheid aan zijn kant heeft, tegenover de andere groep die de waarheid aan
zijn kant heeft. Met de verlichting komt er een idee van tolerantie, een
noodzakelijk idee van tolerantie, om een modus vivendi te vinden, om een manier
van samenleven te hebben in een maatschappij, en opdat men zou stoppen met
elkaar uit te roeien. Filosofen die in dat verband belangrijk zijn… Laten we het
beperken tot Spinoza. Hij is wel niet de enige die het over tolerantie heeft,
maar hij heeft toch in zijn politiek-theologisch traktaat en zijn politieke
verhandeling heel wat dingen geschreven die voor die tolerantie voorwaarden
zijn. Als een van die voorwaarden ziet hij dat de rede belangrijker moet zijn
dan het geloof, filosofie belangrijker dan theologie, of om het nog moderner
uit te drukken – zoals hij dat toch ook doet – dat theologie zich niet hoeft te
bemoeien met staatszaken. Dus scheiding van Kerk en Staat. Een ander luik dat
daaraan vasthangt en dat met die verlichting altijd weer naar voren komt, is de
gelijkheid, het egalitaire. Alle mensen zijn in staat om voor zichzelf uit te
maken wat ze goed vinden. Alle mensen moeten dus vrijheid van denken hebben. Er
is wel een schoonheidsvlekje, in de zin dat Spinoza nog wel kind van zijn tijd
is en vrouwen nog altijd wel ziet als ongelijk aan mannen. Maar toch zijn er
ook al in die periode, in de zeventiende eeuw, cartesianen die bijvoorbeeld wel
de gelijkheid van man en vrouw naar voren brengen en dus eigenlijk vinden dat
iedereen voldoende verstand heeft. Trouwens, de openingszin van Descartes in
zijn “Vertoog over de methode” is toch de wonderbaarlijk mooie zin dat er niets
zo rechtvaardig verdeeld is als het gezond verstand. Dan zou je kunnen denken:
dit is ironisch bedoeld. Maar als je de rest van Descartes’ filosofie erop na
leest, dan zie je dat hij dit meent. Iedereen – vrouwen, knechten, hoge stand,
lage stand – heeft voldoende verstand om voor zichzelf uit te maken wat
belangrijk is. Descartes heeft dit toegepast in zijn leven door met
verschillende vrouwen te filosoferen, nemen we maar Elisabeth, aan wie hij heel
belangrijke brieven heeft geschreven. Maar hij heeft het ook toegepast bij zijn
knecht, die hij een opleiding heeft gegeven in wiskunde. Die opleiding is zo
goed meegevallen dat deze man uiteindelijk leraar is geworden aan het hof van
de Spaanse koning. Dus de gelijkheid werd ook in praktijk gezet. De rede en het
feit dat de waarheid iets is wat niet in duistere boeken staat, maar iets is
waarover we zelf moeten nadenken. Die nieuwe geest was vanaf de zeventiende
eeuw meer en meer in zwang.
De reeks heet “Religie en verlichting”. In
welke zin zou je kunnen zeggen dat die verlichting onze kijk op religie heeft
bepaald, beïnvloed?
Tegenover de vorige
periode – de periode vóór Descartes, vóór Spinoza – was het eigenlijk zo dat de
godsdienst alles in het maatschappelijke leven bepaalde. Niet alleen de
politieke structuur van die maatschappij, de legitimiteit van politieke macht,
maar zij was ook de bewaker van de waarheid. Het is met de opkomst van
wetenschap, met de opkomst van filosofie, die onafhankelijk wilde zijn, dat
heel wat begint te veranderen. Het is trouwens ook zo dat ten opzichte van het
geloof men een heel dubieuze houding aanneemt. Descartes, die toch de filosoof
is van de heldere en duidelijke ideeën, noemt de Bijbel een obscuur boek, en in
het oordeel van Descartes is dat dan toch vrij vernietigend. Ook het feit dat
er in het boek Jozua van de Bijbel staat dat de aarde stilstaat, is iets wat
Descartes onbegrijpelijk en niet te geloven vindt. Met Spinoza wordt dat
allemaal nog scherper, want Spinoza, die dus als Jood de Hebreeuwse taal
machtig was, zal de Bijbel aan heel kritisch onderzoek onderwerpen en tot de
conclusie komen dat de Bijbel louter mensenwerk is. Het kan nooit door Mozes
geschreven zijn omdat Mozes dan zijn eigen dood zou beschrijven en ook
beschrijft wat er na zijn dood gebeurde. Dat zijn dingen die al eerder, vóór
Spinoza, werden gezegd en vastgesteld, maar het is ook zo dat er geen wonderen,
geen mirakels kunnen zijn, want dat beantwoordt niet aan de wetten van de
natuur. De natuur laat geen mirakels toe! Tot en met zelfs de vraag of Jezus
wel de zoon van God is en of hij niet gewoon een mens is. Dus heel veel van dat
geloof, van de inhoud van dat geloof, blijft er niet over, zelfs zo dat Spinoza
zegt dat godsdienst heel wat uiterlijk vertoon nodig heeft, heel wat uiterlijke
tekenen: de kerkambten, de hosties, ceremoniën, die eigenlijk niets met het
geloof te maken hebben. Want het enige dat het geloof te zeggen heeft, is:
gehoorzaam God, en voor Spinoza is dat hetzelfde als: gehoorzaam de natuur en
heb uw naaste lief. Buiten die twee waarheden blijft er eigenlijk niets anders
over. Maatschappelijk gezien vinden zij dat godsdienst een beperkte rol moet
hebben in de maatschappij. Dat wil zeggen dat er een scheiding moet zijn van
Kerk en Staat, en dat de vrijheid van godsdienst ten volle moet kunnen
meespelen. Dus waar zij een hekel aan hebben, om iemand te nemen als Pierre
Bayle, biograaf van Descartes, maar ook auteur van een encyclopedie van
kritisch denken, een bijbel van vrijdenkers: deze stelt dat het woord
orthodoxie het best geschrapt zou moeten worden omdat dit altijd op een of
andere manier verwijst naar autoriteit. Dus godsdienst begint een heel andere
plaats in te nemen zowel voor mensen als voor de maatschappij.
Een boeiend thema dus! U hoorde Eddy Borms
en voordien
“Les
Marquises” van Jacques Brel, mijmerend genoeg om ons bij Albert Camus te
brengen. 50 jaar geleden kwam die om in een auto-ongeluk. Amper 47 jaar oud,
maar intussen kreeg hij toch maar de Nobelprijs voor Literatuur, voor literaire
en filosofische meesterwerken zoals “La chute”, “La peste”, “L’homme révolté”
en “Le mythe de Sisyphe”. Uit dat laatste werk leest Maurice Weyembergh alvast
een stukje voor.
‘Il n'y a qu'un problème philosophique vraiment sérieux: c'est le suicide.
Juger que la vie
‘Il faut d’abord
répondre…’ Maurice Weyembergh met de bekende eerste alinea uit “Le mythe de
Sisyphe” van Albert Camus. Camus wordt beschouwd als de filosoof van
het absurde, een filosofie verwant aan het existentialisme. Al zag Camus zelf
dat wel anders. Volgens zijn absurdisme zijn mensen fundamenteel irrationeel en
is de menselijke conditie er een van lijden. In een doof en stil universum is
er geen rede, zin of betekenis te vinden. De eerste lijnen van “Le mythe de
Sisyphe” stellen dan ook de vraag naar de zin van het bestaan. En of het dan
niet beter is zelfmoord te overwegen. Maar ondanks de absurde conditie van de
mens pleit Camus zeker niet voor zelfmoord en is hij ook geen pessimist.
Maurice Weyembergh:
Ik zou niet zeggen dat Camus pessimistisch is over de mens. Hij heeft
uiteraard wel problemen met de conditie van de mens. Voor die conditie is de
mens natuurlijk niet verantwoordelijk: dat de mens sterfelijk is, dat de mens
kan lijden, dat de mens ziek kan zijn, zoals Camus. Als zeer jonge man leed
hij, zoals u weet, aan tbc. Nu, dat Camus pessimistisch was over de mens zelf,
zou ik niet zeggen. In “La peste” zegt Rieux op een bepaald ogenblik over de
mens in het algemeen: ‘Il y a plus de choses à admirer dans l’homme que de
choses à rejeter dans l’homme.’ Dus m.a.w. de mens op zichzelf heeft de
mogelijkheid om heel wat dingen te doen, indien hij, natuurlijk, de moed
daartoe heeft. Hij moet trachten te zien of hij van dat sterfelijk leven iets
kan maken, bijvoorbeeld door creatief te zijn.
Creatief zijn kan veel
betekenen, uiteraard, hé. Maar hoe vulde Camus dat zelf in?
De jonge Camus wou – voor zover dat kon, natuurlijk – een schrijver worden.
Hij wou een acteur worden, zeer vroeg. Dus heeft hij dat geprobeerd. Hij heeft
een zeer mooie formule in “Le mythe de Sisyphe”: ‘sculpter dans l’argile’.
‘Sculpter dans l’argile’, omdat, natuurlijk, wat u doet, wat u schrijft… U bent
een sterfelijk wezen, dus het is altijd… U weet wel dat het niet voor de
eeuwigheid is. U weet wel dat er een moment komt dat u er niet meer zal zijn,
dat er misschien geen mensen meer zullen zijn, enzovoort. Maar het is de taak
van Sisyphus. Het is de rots op zich nemen, de berg beklimmen en, zelfs als de
rots naar beneden rolt, die rots opnieuw op zijn schouders nemen om naar boven
te gaan. En tijdens het beklimmen is het de vreugde van het werk dat men op
zich neemt. Wát ook de goden of de natuur dus met de conditie van de mens
gemaakt hebben.
In diezelfde “Le mythe
de Sisyphe” onderscheidt hij eigenlijk drie, laten we zeggen, themahoudingen
t.a.v. precies die existentiële uitdaging om zin te geven aan het leven of het
leven als zinloos te beschouwen. Hij onderscheidt daar de rebel (l’homme
révolté, uiteindelijk, daar verwijst het ook naar), de kunstenaar (daar hebt u
ook al een beetje naar verwezen, de creativiteit van de kunstenaar) en dan ook
Don Juan.
Het zijn geen modellen die men moet volgen, maar voorbeelden van absurde
levens. Dus dat betekent levens die zich niet toeschreeuwen, nemen, die dus wel
weten dat hun leven sterfelijk is, dat hun leven afhankelijk is van de zin die
de mens eraan geeft. Dat het natuurlijk geen eeuwigheid heeft, dat er geen
verrijzenis is na de dood, maar dat dus het project kunstenaar te worden,
acteur te worden, veroveraar te worden, dat dat allemaal mogelijk is. Dat zijn
mogelijkheden, dat zijn voorbeelden. Er zijn er andere. Hetgeen van belang is,
is zich bewust worden van het absurde. En zich met het absurde confronteren en
het niet opgeven. Dus m.a.w. zijn eigen conditie, namelijk het bewust-zijn van
de zucht van de mens om naar eenheid te komen, naar een soort begrijpen van de
wereld en natuurlijk inzien dat die eenheid buiten schot blijft. Dat is het
absurde. Dat is de taak van Sisyphus.
De taak van Sisyphus…
Maar als je de man in de straat gaat vragen naar het absurde van het leven, dan
krijgt dat uiteindelijk wel een andere betekenis, hé. Is die betekenis die
Camus daaraan gaf wel heel specifiek voor zijn filosofie?
Als u de mythe leest, dan is het zo dat Camus twee verschillende stappen
onderscheidt. Eerst is er het niveau van het alledaagse, en dat is de ontdekking
van het absurde. Dat zijn, laten we zeggen, alledaagse taferelen. Camus geeft
er verschillende, bijvoorbeeld de herhaling: ’s morgens opstaan, zich wassen,
zich moeten voorbereiden om te gaan werken, de tram nemen, enzovoort. De
volgende dag hetzelfde, dus opnieuw hetzelfde, enzovoort. Dus het bewust-worden
van de herhaling van elke dag. En natuurlijk het absurde inzien van die
herhaling. Dat is een eerste stap, dat is natuurlijk het alledaagse. Maar dan
daarover nadenken. Dan bereikt men, natuurlijk, het niveau van het begrip. En
nog eens, in de mens is er de wens om te komen tot het verstaan, het begrijpen
van de eenheid van de wereld, om de wereld te kunnen reduceren tot een zekere
eenheid en tegelijkertijd te begrijpen dat de wereld ondoorzichtig is. Dat de
wereld natuurlijk een veelheid is die men niet kan reduceren tot de eenheid.
Daar is er die tegenspraak. En het absurde op het niveau van het begripsmatige
is dan, uiteraard, die tegenspraak waarmee men moet leven.
Het gaat uiteindelijk
om de mens, hé, in de existentiefilosofie. En de strijd van de mens, of de
opgave die de mens heeft om zin te geven aan zijn leven. Camus komt uit bij het
absurde. Je zou dan de vraag kunnen stellen: is hij ook een humanist?
Ja, het is duidelijk dat Camus een agnosticus is. Wat blijft er dan over?
Uiteraard: de mens. De mens die een zin moet geven aan zijn eigen leven. Men
heeft Camus altijd beschouwd als zijnde een humanist. Nu, indien u kijkt naar
hetgeen Camus zelf schrijft over het woord humanist, dan zegt hij
uitdrukkelijk: ‘Je n’ai rien contre l’humanisme.’ Maar, zegt hij:
‘L’humanisme me semble simplement un peu court.’ Dus m.a.w. het
humanisme, hij heeft absoluut niets daartegen, maar nog eens: alles willen
reduceren tot het humanisme alleen is voor Camus niet voldoende. Nu, waarom
niet voldoende? Omdat Camus – en het is zeer typisch voor hem – ook een zekere
gevoeligheid heeft voor hetgeen hij noemt ‘le sacré’, het heilige. Maar het
heilige waarvoor Camus gevoelig is, is natuurlijk niet ‘le saint’ in de
betekenis van bijvoorbeeld het jodendom of het christendom. Het is ‘le sacré
cosmique’, het kosmische heilige van de Grieken. Dus een humanisme dat open is
voor het kosmische heilige? Ja! Dat gaat op…
Maurice Weyembergh over
de filosofie van Albert Camus, 50 jaar na diens overlijden. Uw
vragen en bedenkingen daarover kunt u kwijt op onze
redactie. Die vindt u aan de Lange Leemstraat 57 in 2018 Antwerpen. Telefoneren
kan er op het nummer 03 233 70 32. Verder is er ook de website:
surfen naar h-vv.be. Doorklikken als u de uitzending nog eens wilt
beluisteren.
Zo, wij gaan eruit met
muziek van Jan Garbarek, maar volgende week zijn we er weer. FS heeft dan
aandacht voor het de bedreigde situatie van de Liga voor de Mensenrechten. En
in de bijdrage van het VF heeft Viona Westra het over een poëzieproject. Zeker
niet te missen. Volgende week maandagavond meer daarover, meteen na de
nieuwsflash van 20.00 uur op Radio 1. Graag tot volgende week. Daaaaag.
|