| Procedurefouten , Willem Elias over Belgische kunst na 1945 |
|
HVW – HVR
Uitz.: 27.04.09
Opn.: 23.04.09
Real.: KVD / FS
Procedurefouten
/ Willem Elias over “Belgische kunst na ‘45”
Beginindicatief
--
Goedenavond luisteraar en welkom in HVW.
Vandaag praten we met Willem Elias, auteur van “Aspecten van de Belgische kunst
na ‘45”, waarvan onlangs een tweede deel verscheen. Straks meer daarover, want
we starten met procedurefouten.
In
januari van dit jaar liet het Gentse hof van beroep een tiental drugs- en
mensenhandelaars vrij vanwege procedurefouten. Dat zorgde voor heel wat
verontwaardiging: procedurefouten mogen niet leiden tot het vrijlaten van
criminelen, heette het. Meteen werd de contradictie tussen het toestaan van
procedurefouten en het rechtvaardigheidsgevoel van de mensen duidelijk. Karel,
jij ging daarover praten met Filip Van Hende. En als ik mij niet vergis, is dat
toch ook de advocaat van de vrijgelaten criminelen?
Wel
ja, dat klopt, Frank. Filip Van Hende was hun advocaat. Dat is uiteraard geen
sympathieke positie. Maar een gesprek met hem verduidelijkt wat er aan de hand
was en is met die procedurefouten. En dat er dringend een bijsturing nodig is
van de zogenaamde BOM-wet, de wet op de Bijzondere OpsporingsMethoden. Die
bepaalt wat bij een onderzoek wel en niet mag m.b.t. bijvoorbeeld observatie, infiltratie
en de informantenwerking. Van belang is ook het vertrouwelijk dossier. Dat
berust bij de BOM-magistraat. De onderzoeksrechter die de zaak volgt, heeft wel
inzage in dat dossier, maar mag de vertrouwelijke informatie niet gebruiken in
zijn dossier over de zaak. Want dat kan de infiltrant of de gebruikte
technieken in gevaar brengen. De BOM-wet moet dus zorgen voor meer
rechtszekerheid. En dat is toch in het belang van de politieambtenaar, maar ook
van de burger, zou je kunnen denken.
Bij
het onderzoek naar de vrijgelaten criminelen in Gent zijn daar echter
procedurefouten gemaakt. Dus oordeelde het hof van beroep van Gent dat de
beklaagden moesten worden vrijgelaten. Verontwaardiging alom, natuurlijk. En
begrijpelijk …
Maar
van belang hier is ook dit:
Een
gerechtelijk onderzoek en het proces moeten verlopen volgens bepaalde regels om
de rechten van de beklaagde én van de aanklager te vrijwaren. Wanneer die
regels overtreden worden, maakt men procedurefouten en dient men het proces te
stoppen of te herbeginnen. Procedurefouten zullen er in ons complexe
rechtssysteem trouwens wel altijd zijn. En dan rijst de vraag of men zo
selectief mag zijn om die de ene keer wel toe te passen en de andere keer weer
niet. Moet men niet even strikt optreden bij procedurefouten in geval van
bouwovertredingen als bij criminele feiten? Kwestie van principiële
rechtvaardigheid ... Daar gaat het dus momenteel over. Het standpunt van
Filip Van Hende in dezen luidt als volgt:
In
elke tak van het recht – administratief recht, sociaal recht, handelsrecht enzovoort
– zijn evengoed regels voorgeschreven die men moet volgen tijdens de procedure.
De Raad van State doet eigenlijk elke dag niet anders dan nakijken of de
procedure gevolgd is. En daar hoor ik geen verontwaardiging over. Ik stel dus
vast dat de burger zeer selectief is in zijn verontwaardiging. Als het gaat
over schurken, dan zegt men: ‘Ja, die schending van de procedure is niet zo erg
en het mag niet in het voordeel spelen van de schurk.’ Maar als men zelf – zij
het op een lager echelon misschien – schurkje heeft gespeeld door een
bouwovertreding te begaan, dan aarzelt men niet om de procedure in te roepen,
om die bouwovertreding te vergoelijken. Dus dan is men toch selectief bezig. En
er is natuurlijk een hiërarchisch onderscheid tussen de tuinovertreding en de
zware misdaad … Dat is waar, maar in wezen gaat het over hetzelfde. Er is
een procedureregel democratisch gestemd en iemand heeft die regel overschreden.
En dan moet men niet selectief verontwaardigd zijn.
Het
standpunt van Filip Van Hende m.b.t. procedurefouten … U bent, misschien
terecht, al dan niet ‘selectief’ verontwaardigd, en staat met die
verontwaardiging niet alleen, maar de zaak leert ons alvast dat procedureregels
noodzakelijk zijn, want van belang voor een correcte rechtsgang, ook bij de
rechtspraak over zware misdrijven. De haastig samengeraapte Reparatiewet lost
slechts tijdelijk het probleem op. Maar ook de BOM-technieken moeten voorwerp
worden van aangepaste wetgeving.
We
praten erover verder met Filip Van Hende. En hij legt nog eens uit wat bedoeld
wordt met procedurefouten.
Procedurefouten
zijn heel eenvoudig fouten die gemaakt worden hetzij door het Openbaar Ministerie,
hetzij door de magistraat die moet oordelen op regels die democratisch
vastgelegd zijn. Dus je hebt een proces en dat proces verloopt volgens bepaalde
regels. Die regels liggen vast in een wetboek en als men daarop een fout maakt,
dan heeft men een procedurefout.
Kan
men ergens veiligheidshalve zeggen dat procedurefouten ook iets te maken hebben
met de eigenlijke schuldvraag?
Nooit,
nooit. De procedurefout op zich heeft alleen iets te maken met de wijze waarop
het bewijs verzameld wordt, met de wijze waarop een proces gevoerd moet worden.
Dus de eerlijkheid van het proces, de eerlijkheid van het Openbaar Ministerie
om bewijs te verzamelen enzovoort. Maar op zich zegt dat niets over de schuld
of de onschuld van de dader. Het zegt alleen iets over de wijze waarop men
geprobeerd heeft de schuld te bewijzen.
Toch
was er in januari heel wat verontwaardiging bij het vrijlaten. Kunt u die
verontwaardiging ook een beetje delen?
Delen?
Ik sta natuurlijk aan de andere kant en heb gezien hoe het gebeurd is. Dus ik
was niet verontwaardigd over de vrijlating. Maar ik kan begrijpen dat de
slachtoffers en dat de mensen die processen volgen, verontwaardigd waren dat
mensen waarvan het publiek dan meent te weten dat het schurken zijn, dat
die schurken door een ogenschijnlijk kleine fout moesten worden vrijgelaten. Die
verontwaardiging, daar kan ik inkomen. Maar die verontwaardiging is wel niet
juist, omdat die vrijlating slechts een tussenstap blijkt te zijn. Want het Hof
van Cassatie heeft de beslissing van het hof van beroep in Gent verbroken. Dus
al die mensen die vrijgelaten zijn, moeten allemaal opnieuw verschijnen voor
het hof van beroep in Antwerpen.
Toch
krijg je het gevoel dat uiteindelijk die procedurefouten gebruikt worden – sommigen
zullen zelfs zeggen: misbruikt worden – om de normale rechtsgang te dwarsbomen.
Ik
zie dat zelden gebeuren. Ik sluit niet uit, en ik heb het al weleens gezien,
dat iemand de procedure zo voert dat men eigenlijk hoopt dat de
onderzoeksrechter, de procureur of de zetelende rechter zal struikelen over het
aantal drempels dat men opwerpt, dat men op de duur de fout uitlokt. Dat noem
ik een echt misbruik van de procedure. Maar in wezen is elke advocaat een
procedurepleiter, natuurlijk. Want hij is gehouden door de regels van de
procedure. En zoals hij gehouden is door de regels van de procedure, geldt dat
ook voor het Openbaar Ministerie en voor de zetelende magistraat. En als de
advocaat vaststelt dat zijn tegenpartij of de rechter een fout maakt, dan is
het zijn verdomde plicht om die rechter daarop te wijzen. Blijft de vraag wat
de consequentie moet zijn van die fout. En daar gaat eigenlijk het debat over.
Moet er bij elke fout een consequentie aan gehecht worden zoals dat hier in
Gent is gebeurd?
Wanneer
is er uiteindelijk sprake van misbruik van rechtsregels of van procedureregels?
Wel,
ik denk dat het een misbruik is als men de fout uitlokt. Je zou het kunnen
vergelijken met een schwalbe in het voetbal, hé. Dus de vrijschop is een vrij
ernstige reactie van de scheidsrechter, maar als de speler die reactie uitlokt
en men ziet achteraf op de beelden dat hij werkelijk niet geraakt is door de
tegenpartij, dan heeft men de fout uitgelokt. Dat kun je ook doen met een
procedureregel. Je kunt de procedureregels in bepaalde omstandigheden zo
gebruiken dat de rechter zich vergist of bijna moet vergissen doordat je hem
opjaagt. Dan spreek ik van misbruik van procedureregels, maar in wezen kun je
daar als advocaat bijzonder moeilijk misbruik van maken, want elke regel staat
in het wetboek. En de regel die je inroept, kan alleen maar uit het wetboek komen.
En dus is hij democratisch gestemd. Echt misbruik is dus bijzonder moeilijk. En
zeldzaam …
Kan
er in ons rechtssysteem dan wel gerepareerd, hersteld worden aan eventueel
misbruik van procedurefouten?
Ja,
natuurlijk. Ik gebruik opnieuw het voorbeeld van de zaken van januari, waar er
volgens mij trouwens helemaal geen misbruik geweest is van procedure. De Kamer
van Inbeschuldigingstelling heeft volgens het Hof van Cassatie een fout begaan,
dus men heeft nu de reparatiewet gestemd waardoor dat allemaal rechtgezet kan worden.
Het hof van beroep heeft een consequentie getrokken die, wederom volgens het
Hof van Cassatie, fout was. Dus men heeft dat arrest, waardoor die mensen zijn
vrijgelaten, verbroken. Dus alle mensen die zijn vrijgelaten, komen eerstdaags
terug voor het hof van beroep, maar nu in Antwerpen. Die krijgen dus hun
proces. Het enige gevolg van die fout door het hof van beroep is geweest dat er
enkele mensen zijn vrijgelaten. Althans, tijdelijk … En misschien zit er
daar hier en daar iemand tussen die het bos in is, die weg is, maar goed, er
zijn genoeg internationale mogelijkheden om zo iemand toch nog in de gevangenis
te krijgen.
Is
de rechtspraak of zijn de rechtsregels zoals die nu bestaan, voldoende om
procedurefouten, en misbruik van procedurefouten dan, in de toekomst inderdaad tegen
te gaan? Of zullen we altijd wel geconfronteerd worden met procedurefouten?
Ik
hoop dat we geconfronteerd blijven met procedurefouten. Omdat dat aantoont dat
justitie nog altijd een zaak is van mensen. Als je natuurlijk de procedurefout
wilt uitsluiten, dan moet je het proces in een computer steken. En dan nog …
Maar zolang we dus werken met mensen, zal het nu en dan weleens gebeuren dat
een mens een fout maakt op een regel die voorgeschreven is. Dus je zult de
procedurefout nooit uit de wereld helpen. De discussie zoals ze zich nu
voordoet in deze specifieke zaken, gaat over iets totaal anders, namelijk dat
de advocatuur meent dat de hele wetgeving over de Bijzondere Opsporingstechnieken
anders geconcipieerd moet worden. Omdat wij niet in het vertrouwelijk dossier
kunnen kijken. En wij moeten niet alles weten uit het vertrouwelijk dossier,
maar wij willen wel ook mee de controle kunnen voeren. Op dit ogenblik staan
wij voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling zonder enige vorm van weerwerk.
Want onze tegenpartij, het parket, heeft het vertrouwelijk dossier en wij niet.
Dus daaraan moet gesleuteld worden. En niet zoals men nu vlug, vlug gedaan
heeft door met de Reparatiewet een tijdelijk probleem op te lossen.
Niet
vlug, vlug met de Reparatiewet een tijdelijk probleem oplossen … Dat was
nog Filip Van Hende. Tijd dus voor een grondige evaluatie van de BOM-wet en
grondig werk maken van hoe procedurefouten aangepakt moeten worden …
MUZIEK
Van Willem Elias
verscheen onlangs deel twee van “Aspecten van de Belgische kunst na ’45”. Maar,
voor alle duidelijkheid, het is geen vervolg, in de klassieke betekenis van het
woord, op deel één. Willem Elias:
Neen,
omdat deel één was opgevat als gaande van ’45 tot heden, in hoofdstukjes die
elk allemaal autonoom, zelfstandig, staan en die op zichzelf begrijpbaar zijn.
Dus zelfs binnen één boek kan men van achter naar voor lezen, zou men kunnen
zeggen, waar telkens elk hoofdstuk op zich begrijpbaar moet zijn. En in die zin
is het wel een vervolg. Er zijn nu opnieuw een vijftiental hoofdstukjes die
deel twee uitmaken, die opnieuw in ’45 beginnen, die opnieuw tot vandaag gaan
en wederom elk op zich leesbaar zijn.
De twintigste eeuw heeft het
criterium schoon voor de beoordeling van kunst vervangen door nieuw!
Dat
is een zeer moeilijke aangelegenheid die zeker in gesproken woorden – tenzij in
lange lezingen – niet te verwoorden is. Tot het midden van de negentiende eeuw
had het schone een vrij duidelijke gedaante aangenomen, zijnde verbonden aan
een soort academische canon. Wat heeft men gedaan? Men heeft er vooral mee
gebroken, dat is ook het avant-gardeaspect van die kunst. Het is ook het
vrijdenkende aspect. Voor mij is de avant-garde de vrije gedachte in de kunst,
maar dan in beeld omgezet. En men krijgt wat men in feite het modernisme kan
noemen, van toch een dikke honderd jaar, waar telkens kunstenaars alleen of in
groep zeggen: kijk, kunst is niet wat het altijd geweest is, kunst is niet dat
collectieve gebeuren, kunst is eerder een visie van een kunstenaar die op zijn
manier, maar dan meestal met meerderen uitgedrukt, een nieuwe kijk op die kunst
geeft. In feite de vraag stellen: wat is kunst? Het is ook een crisis van de
kunst, die eigenlijk een crisis van de tijd is. Dan krijg je een hele serie
waar het nieuwe in feite het belangrijkste is. Natuurlijk blijft dat niet zo.
Dat is een van de nadelen van het woord nieuw. Daar waar het woord schoon of
mooi in principe eeuwig kan zijn - in principe, zeg ik wel, want het verandert
uiteraard ook met de tijd –, is dat niet zo met het woord nieuw. Het woord
nieuw is gedoemd om ooit oud te worden. En dat heb je ook gezien: vanaf de
jaren tachtig is dat nieuwe een beetje achteropgeraakt en kan men eerder
spreken van de opnieuw nieuwe schone kunst, de opnieuw mooie kunsten. Waarom?
Niet dat die nu opnieuw mooi zijn zoals voordien, aan het begin van de
negentiende eeuw of zoals de klassieke kunst, maar omdat wij het gewoon
geworden zijn om die nieuwe normen als schoon te gaan aanvaarden. Dit is
eigenlijk een soort nieuwe schoonheid, zou men het kunnen noemen.
Een levenslange ervaring met de
kunstwereld, lees ik op de flaptekst, heeft bij jou geleid tot een eigen kijk
op het kunstgebeuren na ’45. Wat is het eigene van die kijk?
Wel,
dat is natuurlijk moeilijk om over mezelf te zeggen, maar ik ben inderdaad in
de kunstwereld geboren, wat betekent dat ik de kunst met de paplepel
meegekregen heb. Die paplepel betekent in zekere zin dat voor mij kunst even
evident is als om het even wat. Ik zou niet zonder kunst kunnen leven. Dat
geeft natuurlijk een grote ervaring op zich. Mijn vader was kunsthandelaar. Ik
heb van in den beginne zeer nauw, ook praktisch … Een kunstwerk is voor
mij iets wat je mag aanraken, wat je mag verzetten, verplaatsen, verhangen. Dat
is één zaak. Dan ben ik altijd een beetje de kunstgeschiedenis ontlopen omdat
mijn vader kunsthistoricus is. Ik ben in de filosofie terechtgekomen, waar ik
de esthetica als specialiteit genomen heb, wat dan toch weer een theoretische ervaring
van tientallen jaren is geworden. Gecombineerd ook omdat ik toch in het
cultuurbeleid ook al eens aanwezig was in vele commissies. Weer een andere
ervaring. Dat dan nog gecombineerd met het feit dat ik aan de VUB over die
dingen toch wel wat lesgeef, geeft weer een gelaagdheid. En dat allemaal
tezamen, met van mijn twintigste af al kunstkritieken te schrijven, maakt dat
ik zo’n amalgaampje van benaderingen heb waar ik toch al een mooie reis in
gemaakt heb.
Een van die dingen is bijvoorbeeld
dat je zegt dat men in de kunstgeschiedenis beter van heden naar Altamira gaat,
en niet andersom!
De
gewone weg is natuurlijk het aanvaarden van de geschiedenis als
hoofdverklaring. Nu is het mijn uitgangspunt dat de mens de kunst van zijn tijd
moet begrijpen. Als je dan geschiedenis belangrijk vindt, is het nogal evident
dat je even gaat kijken naar wat er juist voor was. Dat je zo altijd
achteruitgaat van juist ervoor. Het heeft een ander voordeel natuurlijk – maar
dat is natuurlijk weer mijn accent leggen op dat hedendaagse dat ik doe –,
namelijk dat ik het minder erg vind dat cursussen niet tot in Altamira geraken
dan dat ze, zoals nu al te vaak gebeurt, met moeite in de twintigste eeuw
belanden.
Je situeert het Belgische
kunstgebeuren in en internationaal perspectief, waarbij vooral de bronnen van
een bepaalde stroming aan bod komen. Mag ik daaruit besluiten dat de Belgische
kunstenaars na ’45 vooral navolgers zijn en dat die bronnen zelden in België
zelf te situeren zijn?
Het
woord navolgers is echt een te lelijk woord, want anders had ik het boek
evengoed met internationale namen kunnen uitgeven. Het is vooral een verklarend
boek, een boek dat probeert uit te leggen wat kunst is. Het is geen historisch
overzicht, het is geen encyclopedie. Ik gebruik de kunst en de werken die erin
staan eerder als illustratie, maar ik vind het afschuwelijk prachtige
illustraties. Ik vind de Belgische kunst van een zeer hoog niveau, dat ten
onrechte niet zo internationaal is. Dat is, denk ik, een grote fout, ook van
het cultuurbeleid, of gewoon het gevolg van de kleinheid van ons land. We
hebben ook geen grote filosofen omdat we klein zijn internationaal. Als wij
filosoferen, is het ook à la Sartre of à la ik weet niet wie. Dus dat is een
beetje hetzelfde geval. Dat is die kleinheid van dat land, wat toch niet
wegneemt dat wij zeer goede kunstenaars hebben. Natuurlijk, door juist die
grootheid en door die onmiddellijke promotie die een groot land aan zijn
kunstenaars kan geven, moeten we – als we de oorsprong bekijken: waar is een
kunst uit geboren, wat is de bron – dan inderdaad internationaal gaan, daar
kunnen we niet onder uit. We mogen al tevreden zijn dat in feite de kunstenaars
in België, zodra ze het principe gezien hebben, zodra ze de regels van een
bepaalde stroming gezien hebben, daar dan prachtige, uitzonderlijke werken in
maken, die dan meer en meer toch wel opnieuw internationale bekendheid krijgen.
Maar Wim Delvoye heeft het surrealisme niet uitgevonden, dat is in Frankrijk
uitgevonden. Nochtans is hij een van onze zeer grote, zeer vrijdenkende
kunstenaars ook, denk ik.
In je werk wordt – en ik citeer
Peter De Graeve – een zeldzaam positieve boodschap over de kracht van de
hedendaagse kunst uitgesproken!
Wel
ja, het is mijn overtuiging dat kunst, en zoals u weet is kunsteducatie echt
wel mijn dada, dat betekent het leren van kunst aan een groter publiek, dat dat
niet zomaar een aangelegenheid is van wat hang ik boven mijn kast, van wat vind
ik mooi. Het schoonheidsprobleem of de ervaring, het aangename ervaren van kunst
is echt geen educatieve doelstelling. Waar ik wel in geloof, is in de rol die
de kunstenaar in de maatschappij speelt en waar hij eigenlijk zijn leven voor
geeft, zijn hele leven voor inzet, en dat hij naast de wetenschap – niet ter
vervanging van de wetenschap, maar naast de wetenschap – via andere wegen toch
wel een zeer interessante interpretatie van die werkelijkheid geeft, die ons
dan weer de mogelijkheid geeft om opnieuw te interpreteren. Maar het gaat om
tekens, het zijn open tekens, het is nooit een ideologie, het is geen
propaganda van een bepaalde kijk op de wereld. Het is een vraagstelling. De dag
dat het een ideologie wordt, wordt kunst niet meer interessant. Het mag geen
propaganda zijn. Maar open tekens, open reflectiepolen. Men zou het inderdaad
als een soort van vervanging van de religie kunnen beschouwen. Dat mag men zo
gerust zien. Religie en kunst zijn ook vaak samengegaan, maar men kan met de
kunst diezelfde kracht beogen, met een open afwezigheid van religie, met een
soort van vrij denken wederom. Dat is echt wel zeer goed mogelijk. De kunst
heeft die mogelijkheid.
Een van je regels om hedendaagse
kunst te begrijpen, is: een kunstwerk wordt interessanter naarmate men er meer
van weet. Maar toch zeg je ook: hedendaagse kunst is gemakkelijk!
Wel, dat is een
beetje wat ik daarjuist zei, mijn dada van de kunsteducatie. Ten eerste is het
een stelling. Het is eigenlijk een boutade dat het gemakkelijk is, want het is
natuurlijk niet gemakkelijk. Anders zou ik dat boek ook niet moeten schrijven
in twee delen – en er komt nog een derde deel – om het uit te leggen. Als je al
drie boeken nodig hebt om vijftig jaar uit te leggen, is het niet gemakkelijk.
Alleen is mijn stelling dat als men die boeken gelezen heeft, het dan
begrijpbaar moet zijn. Het is eigenlijk een verzet tegen het niet willen
begrijpen. We zijn bereid om het even wat allemaal te gaan leren: talen leren
bijvoorbeeld. We vinden het normaal dat we een heel jaar lang een paar avonden
in de week les gaan volgen, om gewoon een beetje op reis onze spaghetti in het
Italiaans te kunnen bestellen. Maar voor kunst moet dat vanzelfsprekend zijn.
Nu, dat is niet zo. Kunst is altijd een soort van tekensysteem van één
kunstenaar en het is niet evident om dat onmiddellijk te kennen. Dat vraagt een
beetje inspanning. Het boeiende ook aan die kunst is dat dat leerproces
oneindig is. Men komt nooit op een punt dat men zegt: nu weet ik het allemaal
over alles. Zelfs niet over één kunstwerk. Naarmate men er meer informatie van
krijgt, naarmate men het meer bestudeert – niet echt bestuderen, maar er meer
naar kijken –, gaat men er ook andere dingen in zien. Dat is dat
oneindigheidsproces, dat vind ik juist boeiend. Natuurlijk, de interpretatie is
des te boeiender naarmate diegene die het interpreteert daar andere contexten
bij kan betrekken, dat is nu eenmaal zo.
Tot zover nog Willem Elias.
“Aspecten van de Belgische kunst na ‘45” is een uitgave van Snoeck, en is te
koop in de goede boekhandel.
Daarmee zijn we aan het eind van
HVW. Samenstelling en presentatie waren van KVD en FS. De tekst van dit
programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange
Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel.: 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je
de tekst ook op www.h-vv.be.
Volgende week zijn we er weer en dan
heeft KVD het over”Darwin voor dames” en is er ook een bijdrage over “De factor
Fidel”, over Fidel Castro en de ethiek, met Katrien Demuynck en Marc
Vandepitte.
Dit was het
wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!
Muziek:
10” High Heels – Sakamoto Sakamoto 262975 |