Home arrow Nieuws arrow Pius XII en de vernietiging van de Joden
Pius XII en de vernietiging van de Joden

Een boek van Dirk Verhofstadt en enkele reacties daarop 

Vijftig jaar geleden, op 9 oktober 1958, stierf Pius XII, de meest besproken paus uit de wereldgeschiedenis. Velen beschouwden hem als een van de grootste pausen ooit, tot Rolf Hochhuth in 1963 zijn controversiële toneelstuk Der Stellvertreter publiceerde. Hochhuth beschuldigde Pius XII ervan dat hij niets ondernomen had om de jodenvervolging aan te klagen, laat staan te stoppen. Deze vraag is weer actueel. Ten eerste omdat het Vaticaan volop bezig is Pius XII heilig te verklaren. Ten tweede omdat de katholieke Kerk nog steeds geen schuld heeft bekend. Tot slot omdat de laatste rechtstreekse getuigen van deze dramatische gebeurtenis aan het verdwijnen zijn.

Dirk Verhofstadt schrijft over de houding van Pacelli en latere paus Pius XII tegenover de machtsgreep van Hitler, over de ondergang van de katholieke Zentrumspartij, het concordaat tussen nazi-Duitsland en het Vaticaan, het nationaalsocialistisch onderwijs, het T4-programma (de moord op fysiek en mentaal gehandicapten), de inval in Polen, de Operatie Barbarossa, de Joden in Nederland, priester-president Tiso van Slowakije, de Ustasa in Kroatië, de deportatie van de Joden uit Rome, de Hongaarse Holocaust, de hulp aan oorlogsmisdadigers, de weigering van de Kerk om ondergedoken joodse kinderen terug te geven, het falen van de geallieerden, het antisemitisme na de Holocaust, en de morele schuldvraag van de Kerk en de paus.

Over "Pius XII en de vernietiging van de Joden" schreef de pers:

Frans L. Van den Brande (De Leeswolf)
'Verhofstadt heeft zijn dossier grondig bestudeerd. Het is een flinke kluif geworden met veel historisch materiaal, hoewel de meeste bronnen al bekend waren. Een pluspunt is dat hij alle stemmen laat horen, zowel de voor- als de tegenstanders van Pius XII.'

Wim van Rooy (Liberales)
'Dirk Verhofstadt toont zich een rasecht historicus voor wie de bronnen heilig zijn en die slechts conclusies trekt bij een overvloed aan evidentie, maar tegelijk zindert door het hele werk heen zijn verontwaardiging en zijn verbijstering. Het sterke aan deze bittere aanklacht is dan ook dat deze twee attitudes, de wetenschappelijke van de historicus en de verontwaardiging van de humanist, elkaar nergens voor de voeten lopen. Niet alleen behandelt de auteur de primaire en secundaire bronnen over de judeocide (deze term is, zoals bekend, neutraler dan het religieus geïnspireerde Holocaust), maar hij put voor een zeer groot deel uit de Actes et Documents du Saint Siège relatifs à la Seconde Guerre Mondiale, de volledigste collectie documenten van het Vaticaan die tot op heden werd verzameld, ook al is die nog steeds niet volledig. Dat helse karwei op zich alleen al rechtvaardigt dit boek: nergens immers zal men vandaag een compendium over deze materie vinden dat vollediger en sluitender is dan dit intellectuele huzarenstukje van Dirk Verhofstadt.'

Patrick Vandendæle (Proxis.be)
'De sterkste hoofdstukken komen op het einde, de strijd tussen Kerk en Joden om de verborgen kinderen die het overleefden, en een kort maar bijzonder raak stuk over Konrad Adenauer en zijn ontgoocheling in de houding van de kerk. Het deed me denken aan het boek van John en Carol Garrard, Russian Orthodoxy Resurgent, Faith and Power in New Russia, verschenen bij Princeton University Press.'

Jeannick Vangansbeke (Geschiedenis.nl)
Een intrigerend boek, een boek dat tot nadenken noopt.'

Ook onze eigen voorzitter Rik Pinxten heeft zo het één en ander te zeggen over deze publicatie. Hierbij zijn recensie:

Dit is een vreselijk boek. Het is een schitterend boek, maar jammer genoeg ook bijzonder ontluisterend voor de figuur over wie het gaat, en voor het instituut van de rooms-katholieke Kerk. Als je op een rijtje zet wat Verhofstadt hier allemaal aan feitenmateriaal heeft verzameld en tegelijk beseft dat invloedrijke kringen in het kerkinstituut bezig blijven met de vroegere paus als rolmodel of groot kerkvorst de geschiedenis te laten ingaan door hem heilig te verklaren, dan word je een beetje bang. Bang voor de toekomst wanneer blijkt dat de onverzettelijkheid van het grote gelijk over vele, vele lijken toch moet blijven zegevieren en dat een manifeste misdaad tegen de mensheid dat niet zal mogen verhinderen. Let wel, paus Pius XII is zelf geen massamoordenaar in deze fase van de geschiedenis van zijn instituut, maar de ‘hoge waarde van de plicht tot spreken’ is in dit hele dossier rond de concentratiekampen zeer duidelijk en bewezen ontkend door de paus en zijn entourage.

De auteur toont aan dat het Vaticaan en de paus zelf wel degelijk – en dit minstens vanaf 1941 – goed geïnformeerd waren over de uitroeiingsintenties en de reële vernietigingspraktijken van het nazi-regime, en herhaaldelijk geweigerd hebben om het grote morele gezag dat (toen, en in mindere mate nu) met het pauselijke statuut samenhangt, te gebruiken om zich uit te spreken tegen Hitler of het nazisme. De ‘bewijslast’ is indrukwekkend. Erger nog, in zijn laatste hoofdstukken geeft Verhofstadt aan dat tot op vandaag enige ernstige verontschuldiging vanwege de rooms-katholieke Kerk voor haar eigen kerkleider en voor de eeuwenlange geschiedenis van antisemitisme uitgebleven is. In dat licht is de mogelijke heiligverklaring van Pius XII een onaanvaardbare weg die tot een ‘morele kortsluiting’ zou leiden: ‘ze zou aangeven dat stilzwijgen over wandaden waarvan men kennis heeft en die men op een of andere manier kan verhinderen of verhelpen, ethisch verantwoord is’. Een recente encycliek van Benedictus XVI wordt in dit licht zelfs ergerlijk: in de traditie van de politiek na de Eerste Wereldoorlog (met de instorting van het grote katholieke Habsburgse Rijk) wordt verder gekozen voor de weg van de bekering van de Joden (die daardoor ‘verlost’ moeten worden), de strijd tegen de secularisering en zelfs de bewuste aanval tegen ‘het probleem van de democratie’, waarbij communisme en secularisme (met liberalisme) als vijanden worden gezien, en autoritaire regimes in de praktijk van de voorbije eeuw als potentiële bondgenoten gelden.

Het boek is dus een fundamentele studie, zoals blijkt uit mijn inleiding. Het historisch onderzoek legt massa’s feiten bloot, vaak aan de hand van documenten uit de eerste hand: van de Duitse leiders uit de nazi-tijd, van het Vaticaan en van tijdgenoten van toen. De auteur gaat daarbij zeer grondig te werk.

Wat me echter als humanist het meest aanspreekt, is dat de auteur zijn analyse in een cultureel, politiek en levensbeschouwelijk kader plaatst dat tot vandaag zijn relevantie niet verliest: onze rechtsstaat is de enige garantie om de barbarij van toen niet opnieuw te moeten beleven, en het systematisch ontwijken of verhullen, wegkijken of selectief dulden van regels en feiten is kwalijk voor de hele constructie van de democratische rechtsstaat. Verhofstadt toont hoe een belangrijke instelling als de roomse Kerk in dit dossier precies die weg opgegaan is, en dat tot nu niet wil toegeven en corrigeren. Hij organiseert daarbij helemaal geen ‘heksenjacht’ op Pius XII. Integendeel, hij tracht begrip op te brengen voor sommige keuzes (en vooral niet-keuzes) door te verwijzen naar vrees voor het voortbestaan van de Kerk in Duitsland, of vrees voor het communisme, of nog, vrees voor de vernietiging van het Vaticaan. De prijs die daarvoor betaald werd, is echter onmenselijk en op geen enkele manier ethisch te verantwoorden. Vandaag moet het instituut het menselijke falen, ook in de figuur van de vroegere paus, toegeven en de medeplichtigheid aan een onvoorstelbare misdaad bespreekbaar maken. De mogelijke heiligverklaring van Pius XII staat symbool voor het tegendeel.

In mijn analyse is het boek een belangrijke bijdrage aan de emancipatie van burgerschap in een seculiere maatschappij: we moeten leren inclusief te redeneren, en ons minstens bewust zijn van de exclusie die besloten ligt in particuliere tradities en in om het even welk ‘groot gelijk’. Dat wil zeggen, de mensheid in al haar diversiteit is het ijkpunt voor onze belangrijke keuzes, en niet de lokale, in tijd en ruimte beperkte uitgangspunten van één geloof, één traditie, één volk. Het fameuze principe van de onfeilbaarheid van de paus (sinds 1870), dat ook aangehaald wordt in het boek, maakt het voor het instituut van de roomse Kerk extra moeilijk om inclusief te denken over de mensheid als divers en feilbaar. Aan de andere kant is dit de enige optie voor de toekomst, die een duurzame en relatief vredevolle samenleving op deze ene en beperkte aarde mogelijk maakt.

De historische ‘uitklaring’, zoals door Verhofstadt gebracht, is een belangrijke stap op de weg van het leren omgaan met verschillen door zichzelf als ethisch verantwoordelijk en feilbaar te zien. Humanisten, van socialistische, liberale of ecologische signatuur, gaan die moeilijke weg op. Aan de gelovigen moeten we dringend vragen hetzelfde te doen. Een boek als dit is daarbij een instrument voor bewuste verwerking van een deeltje van ons verleden. Hopelijk grijpt het instituut van de rooms-katholieke Kerk dit boek aan om het ernstig te bespreken. We kunnen verder zelf als humanisten bewerkstelligen dat meer van dergelijk werk zou verschijnen, want dit zijn tekenen van grote beschaving.

 

Hierbij volgen ook nog enkele binnengelopen reacties op deze recensie.

 

Beste Heer,

Uw analyse van het boek van Verhofstadt deel ik volkomen. Wel enkele kanttekeningen.

 Een gewetensonderzoek – wat een belangrijk deel uitmaakt van het sacrament van de biecht – opleggen aan het Vaticaan en zijn vazallen naar aanleiding van dit boek lijkt me wel erg utopisch. Vrije meningsuiting binnen de Kerk is al niet evident als je ziet hoe de bisschoppen zo’n diplomatische taal gebruiken in de media als het gaat over ethische standpunten als de plaats van de vrouw in de Kerk, celibaat, euthanasie enz., om toch maar hun baas niet tegen het hoofd te stoten en misschien hun job te verliezen. zoals met enkele theologen en met de bisschop van Evreux geschied is.

 Ik citeer : Humanisten, van socialistische, liberale of ecologische signatuur, gaan die moeilijke weg op. U vergeet de humanisten van christelijke signatuur. Die gaan de moeilijkste weg op door in de club te blijven en zo aan de kar te duwen. En wat met de humanisten van socialistische en ecologische signatuur die zo graag een handje gingen drukken aan Stalin of zijn vazallen en nog wat fier zijn als ze op de foto mogen prijken naast een Castro of andere dictators.

 Naar mijn mening relativeert u nog niet voldoende de invloed van de Kerk. En hier zijn we aan een heikel punt beland. Er wordt nog te veel energie besteed aan het bekampen van de katholieke kerk in een tijd waar een andere dogmatische godsdienst heel geleidelijk zijn tentakels uitstrekt en onze Verlichtingswaarden probeert te ondergraven waaronder vrije mening en scheiding van staat en kerk. Maar hier komt het correcte denken in het geding en staan vooral de linkse intellectuelen niet meer op de barricaden voor de emancipatie van de vrouw of vrije mening en kritiek op de godsdienst of op hun ‘ heilige ‘ teksten.

Mag ik hopen dat ook u hier alert voor blijft.

André Leemans (15/03/2009)

----------------------------------------------------------------------------

Na grondige lezing van Dirk Verhofstadts werk over Pius XII en de Holocaust, en na een aanvankelijke aarzeling, onderschrijf ik ten dele Rik Pinxtens conclusies zoals samengevat in Liberales 13/03/09, maar ook slechts ten dele. Ik onderschrijf dat Verhofstadt méér dan grondig zijn historisch huiswerk heeft gemaakt en dat zijn bewijslast verpletterend is. Ik onderschrijf dat hij dit op een genuanceerde wijze doet en geen heksenjacht ontketent of voortzet. Uiteraard onderschrijf ik ook Pinxtens stelling dat ‘het fameuze principe van de onfeilbaarheid van de paus (sinds 1870) dat ook aangehaald wordt in het boek, het voor het instituut van de Roomse Kerk extra moeilijk maakt om inclusief te denken over de mensheid als divers en feilbaar,’ maar om die conclusie te bereiken is dit boek van Verhofstadt natuurlijk niet nodig. Tenslotte ben ik het volmondig eens met Pinxtens visie dat ‘onze rechtstaat de enige garantie is om de barbarij van toen niet opnieuw te moeten beleven, en het systematisch ontwijken of verhullen, wegkijken of selectief dulden van regels en feiten is kwalijk voor de hele constructie van de democratische rechtstaat’. Toch denk ik dat Pinxten – en Verhofstadt – de essentie niet begrepen hebben. Waarom?

Verhofstadts boek presenteert zich als meer dan een afrekening met één specifieke paus, of als een afrekening met één specifieke katholieke dwaasheid – de onfeilbaarheidsleer. Het presenteert zich als een afrekening met precies dat Europa waarvan Verhofstadt zich als de vertegenwoordiger opwerpt, en hij zegt dat al met zoveel woorden in zijn inleiding: ‘Het was immers precies in het christelijke Europa dat zich de grootste moordpartijen in de geschiedenis hebben voorgedaan (…). Op het Europese grondgebied zijn het liberalisme, en met het liberalisme het individualisme en het kosmopolitisme, in de eerste decennia van de twintigste eeuw ten onder gegaan’ (p. 12). Dat is eenvoudig niet waar en brengt het boek – ondanks zijn indrukwekkend bronnenonderzoek – terug tot wat het echt is: een ideologisch pamflet. Daar is op zich niets op tegen, maar dan moet men het ook vanuit dat criterium benaderen.

Om te beginnen: liberalisme, individualisme en kosmopolitisme zijn geen natuurlijke verschijnselen, zoals het modieuze cultuurrelativisme – schatplichtig aan het antropologische structuralisme – ons probeert wijs te maken. Het zijn historische verschijnselen die in het postchristelijke Europa, en de ervan afgeleide Verenigde Staten, zijn ontstaan en NERGENS ELDERS TOT VANDAAG. Zij zijn er ook niet ten onder gegaan maar integendeel gered. Dat gebeurde met behulp van die Verenigde Staten, met als voorlopige afsluiting de val van de Muur in 1989, en dit na een dubbele regressie die in geen van haar beide aspecten christelijk maar door en door heidens waren. Dat zowel stalinisme als nazisme zich in hun regressieve pervertering bedienden van religieuze retoriek, dat Stalin zelf op een blauwe maandag orthodoxe seminarist was en Hitler christelijke symbolen accapareerde voor zijn neopaganisme, maakt van beide dictators nog geen ‘christelijke moordenaars’ en maakt het christendom ook niet verantwoordelijk voor de misdaden van de twintigste eeuw.

Door dit echter impliciet als uitgangspunt te nemen introduceerde Verhofstadt een tendentieuze stelling die hij nergens hard maakt maar die precies past in de ideologie die Rik Pinxten zelf propageert in naam van wetenschap. Uiteraard gaan christenen niet vrijuit aan de misdaden in de geschiedenis en iedereen kan het lijstje opdreunen, van kruistochten via inquisitie tot heksenjachten. Maar dergelijke oprispingen van haat en geweld, vaak gevoed door irrationele angst, kwamen in alle culturen voor, ook in de geschiedenis van het liberalisme en individualisme, wij hoeven slechts te herinneren aan Robespierre. De bewering echter dat de grootste moordpartijen in de geschiedenis intrinsiek christelijk waren, is grotesk en gebaseerd op precies dat wat de cultuurrelativisten kwijt willen raken: een excessief christelijk schuldcomplex. Zij reiken daarmee een vrijbrief uit aan de agressieve beschavingen van vandaag die zich beroepen op het christelijke verleden (dat zij van de westerse geleerden hebben leren kennen) om de misdadigheid van hun eigen cultureel en religieus verleden te ontkennen. Wel verontwaardiging over de Kruistochten dus, niet over de 350 jaar eerder begonnen Jihad. Terechte woede omwille van de burgerslachtoffers in Gaza maar geen woord van medeleven met de slachtoffers van de zelfmoordaanslagen, enzovoort.

Pius XII dan. Dit was een onaangename man, bekrompen in de zin waarin vele academici bekrompen zijn, opgesloten in een eigen kunstmatige wereld, gevangen in een onwrikbaar paradigma. Dat belet niet dat hij het recht heeft bekeken te worden in zijn Sitz im Leben en dan ontmoeten we waarschijnlijk een getormenteerde maar moreel hoogstaande figuur. Die toont Verhofstadt – ondanks zijn indrukwekkende bronnenonderzoek – ons niet echt. Ik weerhoud kort twee elementen.

Verhofstadt weidt niet uit over de achtergrond van Eugenio Pacelli die opgeleid werd in de diplomatieke dienst van Benedictus XV, de oorlogspaus van ’14-’18. Cruciaal in de Vaticaanse diplomatie was dat zij neutraal wilde blijven, niet omdat er katholieken aan beide kanten vochten, maar omdat zij hoopte te bemiddelen, en zo het leed te verminderen. Die lijn heeft Pius XII later doorgetrokken op dezelfde verbeeldingloze wijze als Leopold III de obsessie van het niet verlaten van het Belgische grondgebied van zijn vader Albert I heeft voortgezet. Beiden maakten dezelfde blunder, zij zagen het verschil niet tussen een oorlog tussen twee imperialistische blokken en één tussen krachten die de barbarij verdedigden en krachten die op onvolmaakte manier de democratie belichaamden (en daartoe een alliantie sloten met één van beide barbaren).

Tweede zwakheid van Verhofstadt: hij duidt Pacelli’s angstvallige en vaak pijnlijke neutraliteit tegenover het nazisme – bijvoorbeeld bij de laffe inval van het katholieke Polen na het Molotov-Ribbentrop Pact – vanuit zijn vrees voor het communisme en wuift dat eigenlijk weg als een teken van bekrompenheid. Hij vergeet daarbij dat het Vaticaan bijzonder goed ingelicht was over wat er in de Sovjet-Unie gebeurde en daar – in tegenstelling tot vele Europese liberalen – zeer bezorgd over was. Hij wist van de uithongering die in de Oekraïne eind jaren twintig plaatsgevonden had voor Hitler zelfs maar een uitzicht had op de macht in Duitsland en miljoenen doden had gekost. Hij wist van de Moskouse processen en arbitraire massadeportaties die waarschijnlijk meer slachtoffers veroorzaakten dan de Holocaust en die plaatsvonden voor Hitler (in 1938) echt met de Jodenvervolging was begonnen. Hij wist ook dat beide oorlogvoerende partijen de meest verschrikkelijke wreedheden begingen, ik herinner aan de massamoord op Poolse officieren door de Sovjetische commissarissen in Katyn (1940) nog voor de Einsatzgruppen van Hitler met dezelfde technieken te keer gingen (1941).

Pius XII wist inderdaad heel veel, maar hij dacht ook dat de wereld er niet beter op werd als hij de ene dictator zou steunen tegen de andere, wat Churchill en Roosevelt feitelijk wel hebben gedaan. Misschien heeft hij daarin een beoordelingsfout gemaakt, maar dat is daarom geen morele fout. In Yalta werd de natie om wie de oorlog was begonnen – Polen – zonder scrupules uitgeleverd aan één van haar beide agressors, aan Stalin, en de Poolse vliegeniers, die als leeuwen gevochten hadden in de luchtoorlog om Londen in 1940, werd in 1945 zelfs het recht ontzegd om deel te nemen aan de overwinningsmars in die stad. ‘Europa’ in zijn geheel was zo laf voortaan een oorlog die in september 1939 begonnen was te betitelen als ’40-45’. In Nürnberg zetelde ongestoord een rechter – een Sovjetische – die zelf in de beklaagdenbank had moeten zitten, want schuldig aan alle drie de aanklachten, samenzwering tegen de democratie, beginnen van een ongerechtvaardigde oorlog en genocide. Men kan zich daarom afvragen wie eigenlijk het luidst gezwegen heeft.

Dat praat Pius XII niet goed, ook ik keur zijn stilzwijgen af, maar beschouw dit niet als een morele doch als een tragische beoordelingsfout. Ik weiger Verhofstadt ook te volgen in zijn derde suggestie dat dit stilzwijgen deels te wijten was aan het latente antisemitisme dat voortleefde in de katholieke kerk. Toegegeven: de overgeërfde afkeer van de Joden in de evangeliën van Johannes en Mattheus – met de beruchte godsmoordperikoop – heeft Hitler geholpen, als glijmiddel gefungeerd mag je zeggen. Maar het antisemitisme van de nazi’s was geen verlengstuk ervan. Het was een logische uitloper van een andere vorm van antisemitisme, eentje voorgekomen uit het LIBERALE denken, uit het sociaal-darwinisme van de atheïsten Herbert Spencer en Ernest Haeckel, en tot een lugubere ideologie uitgewerkt door antichristenen als Arthur Gobineau en Houston Chamberlain.

Betekent dit dat ik christelijk antisemitisme – of preciezer: de Jodenhaat – wil goedpraten? Uiteraard niet, maar ik wil hem wel kaderen in de geschiedenis van het antisemitisme in het algemeen en die is verre van voltooid en wordt vandaag sterk gehinderd door een bijna pathologische neiging om het Jodendom sacrosanct te verklaren, en er op een seculiere manier toch weer een Uitverkoren Volk van te maken. In de polemiek wordt merkwaardig genoeg voorbijgegaan aan de beschrijving van het eerste (verijdelde) pogrom tegen Joden in de geschiedenis, in het Joodse Boek Esther dat dateert uit de derde eeuw voor de christelijke tijdrekening. De eenvoudige waarheid is immers dat de Jodenhaat een complex fenomeen is dat momenteel toegeschreven wordt aan het christendom alléén maar feitelijk teruggaat op de Oudheid en te maken had met – zoals het Boek Esther aangeeft – het feit ‘dat dit volk zich apart houdt’, steeds een uitzonderingspositie opeiste en waarschijnlijk ook van in de Oudheid (via het netwerk van de halve shekel) de internationale geldhandel controleerde. Nogmaals: ik vind dat geen reden om mensen of een volk te vervolgen, maar blijkbaar oordeelden doorheen de geschiedenis velen er anders over, en dat waren zeker niet alleen christenen.

Dat wordt verdoezeld in het werk van Verhofstadt met als duidelijkste uiting zijn beschrijving van wat hij ‘één van de eerste progroms tegen Joden’ noemt, in het jaar 38 na Christus in de Egyptische stad Alexandrië (p.51). Wie dit oppervlakkig leest zou kunnen denken dat het om een  christelijk pogrom ging, terwijl er in werkelijkheid toen nog amper christenen waren, en het een Griekse aanval betrof, zoals beschreven door de Joodse filosoof Philo. Hij werd ontketend door het volk waaraan wij de seculiere filosofie danken omdat de Joodse stadsgenoten (terecht) verweten werd dat zij wel de lusten maar niet de lasten van het burgerschap wilden dragen. Het feit dat Verhofstadt dit in zijn zo omvangrijk boek vergeet te vermelden, is op zijn zachtst tendentieus te noemen want de allereerste geregistreerde aanval van christenen op Joden vond pas 350 jaar later plaats, in het Syrische Kallinikon, in dezelfde periode overigens dat in Alexandrië de aanval plaatsvond op het Serapeum, met zijn beroemde wetenschappelijke bibliotheek. Ook dat had de auteur mogen vermelden, temeer omdat in de tussenliggende periode het Jodendom tot drie keer toe was gedecimeerd door de Romeinen (66-73, 115-118, 132-135) zonder dat er christenen bij betrokken waren. Opmerkelijk daarbij is overigens dat men veelal vergeet dat het officiële rabbinaat van Yavneh ondertussen de vervolging tegen de christenen actief had aangemoedigd door hen – via de Birkat ha-Minim of ‘vervloeking van de ketters’ – uit de synagogen te stoten, wat hen veroordeelde tot het statuut van ‘religio non licita’, niet toegestane godsdienst.

Dat de christelijke Jodenhaat onweerlegbaar afkeuring verdient is daarom evident maar even evident is dat de heidense Jodenhaat de christelijke lang vooraf ging en dat de Joodse christenhaat ook historisch eerst is gekomen, los van de omstreden kwestie of Jezus zelf nu door een Joodse of door een Romeinse rechtbank werd veroordeeld. Dat deze christelijke Jodenhaat – een virulente en langdurende reactie op de eerdere Joodse christenhaat – de nazistische vergemakkelijkt heeft is ook een feit, maar hij was er oorzaak noch oorsprong van. Hitler zelf legde zijn obsessie in Mein Kampf bloot als een reactie op ‘vijftienduizend volksbedervers’ die hij liefst vergast had gezien omdat zij – als bolsjevieken en woekeraars – enerzijds de moraal van het vaderland zouden hebben ondermijnd, anderzijds op zijn rug oorlogswinsten zouden hebben geboekt. Helaas voor het Jodendom, het is inderdaad een uitzonderlijk slim volk – tien procent van de Nobelprijzen met 0,3 promille van de wereldbevolking. En dus stamden er inderdaad proportioneel veel kritische journalisten uit hun rangen, plus hadden een aantal onder hen zich als specialisten in grootdistributie verrijkt met leveringen aan het front.

Wat betekent dit nu voor de figuur van Pius XII? Het debat rond zijn optreden is ongetwijfeld cruciaal en het is juist om te protesteren tegen zijn eventuele heiligverklaring, maar dit debat kan niet als inzet hebben – zoals Etienne Vermeersch in een reactie op het boek van Verhofstadt gesteld heeft – dat de katholieke kerk als morele instantie getoond heeft dat zij overbodig is, vermits ze geen moreel baken is geweest toen Europa dit nodig had. Het liberalisme is dat ook niet geweest, zo min als het Jodendom zelf. Op de conferentie van Evian van 1935 waren de democratieën zeer terughoudend tegen opname van Joden uit Duitsland, in Frankrijk protesteerden Joodse organisaties tegen een toevloed van geloofsgenoten en van vooraanstaande zionisten is geweten dat zij slechts Joden opnemen wilden die of geld of jeugdige werkkracht bezaten. Als het erom gaat met boter op het hoofd in de zon te gaan staan dan mag men Pius XII in het rijtje zetten naast David Ben Goerion en Winston Churchill en zovele anderen die vandaag bejubeld worden als heldhaftige strijders tegen het fascisme. Waarom dan toch die voortdurende aanvallen op de nagedachtenis van Pius XII?

Die vertrekken volgens mij vanuit een onbewuste agenda, een agenda van zelfhaat die de tak wil afzagen waar Europa zelf op zit. Het liberalisme waar Verhofstadt, en het kosmopolitisme waar Pinxten zich op beroept zijn maar ontstaan in Europa omdat het christelijke wortels had. In het christendom werd voor de eerste keer in de geschiedenis de menselijke persoon centraal geplaatst, hij werd zo belangrijk geacht dat Gods eigen zoon zijn leven voor hem gegeven had. Dit heeft de diepe kern uitgemaakt van de latere Verklaring van de Rechten van de Mens, een verklaring waar in geen enkele andere beschaving ooit de aanzet toe werd gegeven. Let wel: ik ben zelf al lang geen ideologische katholiek meer, hoogstens een sociologische. Dat die Verklaring er maar kwam in verzet tegen een Kerk die ondertussen die boodschap perverteerde, is een andere kwestie. Door vandaag het christendom tot meest misdadige beschaving ooit uit te roepen, openen de cultuurrelativisten de poort voor andere beschavingen die de mensenrechten niet erkennen – zelfs niet formeel – en hun immoreel waardestelsel als moreel gelijkwaardig willen erkend zien. Met als onvermijdelijk gevolg de invoering van de shariah en de verdrukking van de vrouw en de dhimmi’s of andersgelovigen. In naam van de strijd tegen een Middeleeuwse kerk wordt zo de Middeleeuwse Islam via een achterpoortje binnengeloodst. Dat is niet Verhofstadts agenda, hij realiseert zich dat volgens mij niet eens, maar wel de onvermijdelijke uitkomst ervan.

Eddy Daniels (14/3/2009)

----------------------------------------------------------------------------

Uw reactie hieraan toevoegen?

Mail naar Dit e-mail adres is beschermd door spambots, je hebt Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken

 

 

 

Valide CSS!