| Pauwels - Galilei |
|
HVW Pauwels Galilei
Opname: 20.08.09
Uitz.: 24.08.09
Samenst.: FS / KVD
Muziek:
20” Signe E. Clapton E. Clapton 9 45024-2
25” Diferente P.C. Sohal/E.
Makaroff/C.H. Mueller Gotan Project YAB023CD.6127112
15” Wish
you were here Gilmore/Waters/Wright Pink Floyd 7243 8 29750 2 1
1’20” Bride theme from Blinking lightsEels Eels 00601091042322
Goedenavond en welkom bij HVW, met daarin twee bijdragen. Zowat 400 jaar geleden verbeterde Galileo Galilei de verrekijker en, vooral, hij richtte hem op de sterrenhemel. Daarmee deed hij opzienbarende ontdekkingen en legde de grondslagen voor de moderne empirische wetenschap. Straks praten we daarover met Gustaaf Cornelis van de VUB. Maar eerst een bijdrage van FS over “Big business met nazi-Duitsland” van Jacques Pauwels. Frank Stappaerts had een gesprek met de auteur. En daar beginnen we mee.
De Belg Jacques Pauwels doceerde lange tijd aan verschillende
Canadese universiteiten en schreef, ook in het Nederlands, enkele boeken over
de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Onlangs verscheen van hem “Big
business met nazi-Duitsland”, waarin hij schrijft dat de grote zakenlui best
tevreden waren – of zijn – met een democratisch politiek systeem, tenminste
indien er hoge winsten gemaakt kunnen worden. Maar, schrijft hij ook, indien ze
ervan overtuigd geraken dat grote winsten slechts verwezenlijkt kunnen worden
wanneer de staat geleid wordt door een ‘sterke man’, met andere woorden binnen
het kader van een dictatuur, dan zijn ze bereid om een dictator aan de macht te
helpen brengen. “Big business met nazi-Duitsland” is daarvan een concreet
voorbeeld! Jacques Pauwels:
Inderdaad, het gaat dus over de zakenwereld, de grote zakenwereld,
de grote industrie, de grote banken, in Duitsland eerst en vooral, daarna in Amerika
zelf, en de reden waarom die eigenlijk zo nauw samengewerkt hebben en zo
gezellig samengewerkt hebben met de nazi’s en, in het geval van de Duitse big
business, waarom en hoe die Hitler aan de macht hebben helpen brengen. Helpen
brengen, zeg ik wel. En hoe achteraf de Amerikaanse big business mooi heeft
samengewerkt met het naziregime en er ook sterk van heeft geprofiteerd. In
Duitsland was er vóór de Eerste Wereldoorlog geen democratie. Het keizerrijk
was een heel autoritair regime: ik zou het woord dictatuur niet gebruiken, maar
Bismarck was een heel sterke leider. De keizer was de baas van het hele land.
Er was wel een beetje democratische aanpak daarbij ook, maar bitter weinig. En
dat systeem, die goede oude keizertijd, zoals men achteraf is gaan zeggen in
Duitsland, beviel mensen als Krupp opperbest, want daar konden zij heerlijke
zaken doen, onder andere leveringen aan het leger, kanonnen en zo. Zo is Krupp
bekend geworden en zo heeft Krupp veel geld verdiend. Zo kwam het ook tot
oorlog. Na de oorlog, toen dat regime verdween als gevolg van de nederlaag,
kwam er in Duitsland een democratie die enigszins pacifistisch was. Ik
vereenvoudig de zaken een beetje, maar toen waren Krupp en konsoorten eigenlijk
veel minder gelukkig, want een democratie die geen groot leger op de been
houdt, die geen oorlog wil voeren, daar kan men geen geld verdienen door het
produceren en verkopen van kanonnen. Dus men snakte naar opnieuw een autoritair
systeem dat militaristisch zou zijn, een oorlog zou ontketenen, waarvan men
allerlei voordelen verwachtte en waarvoor men dan ook kanonnen, camions, tanks
en vliegtuigen zou kunnen leveren. Daar zou winst van gemaakt worden! Inderdaad
was het zo dat die Duitse industriëlen niet hielden van de Weimarrepubliek,
maar wel van de dictatuur die Hitler opgelegd heeft en die zij hem hebben
helpen op te richten. En achteraf was het ook zo met de Amerikaanse industrie.
Zij waren ook betrokken met nazi-Duitsland, door investeringen in Duitsland. En
die hielden ook van Hitler en die verwachtten ook van Hitler grote dingen, van
een dictatuur. Ze hebben het inderdaad ook ferm gekregen. Want ook de
Amerikaanse bedrijven, met dochterondernemingen in Duitsland, hebben sterk
kunnen profiteren van het naziregime. Zij hebben door bestellingen aan de
Wehrmacht, aan de SS, veel geld verdiend. En de Amerikaanse bedrijven hebben
aan Hitler veel olie geleverd, en camions en vliegtuigen en noem maar op. Dus
voor hen was een dictatuur op dit gebied, kwestie van het maken en
maximaliseren van winsten, veel beter dan een democratie.
Kunt u daar een paar concrete
voorbeelden van geven?
Ik kan daar zeker een heel mooi voorbeeld van geven. General
Motors is een fima die tegenwoordig veel ter sprake komt. Die hebben in 1929 de
grootste Duitse automobielfabrikant Opel overgenomen en die zijn dan in
Duitsland gaan produceren. Maar dat was in 1929, en een paar maanden later was
er dus de grote crisis, en toen kon die nauwelijks in Duitsland bij de gewone
man auto’s verkopen. Die mensen, de Duitsers, waren arm, werkloos, die hadden
geen geld voor auto’s. Maar toen kwam Hitler aan de macht, die bij Opel
bestellingen ging doen voor vliegtuigen en camions. De winstgevendheid van Opel
ging plots de hoogte in dankzij Hitler. En dankzij Hitler heeft General Motors
via zijn dochteronderneming Opel in Duitsland grote winsten gemaakt in de jaren
dertig na de opkomst van Hitler. Daarvoor niet, daarna wel. En ook nog
gedurende de oorlog. Dus Opel was Hitler heel dankbaar en heeft heerlijk met
Hitler samengewerkt omdat ze via Hitler, via zijn dictatuur, veel geld konden
verdienen, wat ze onder de democratie van Weimar, vóór 1933, niet konden.
Hetzelfde met Ford. Ford heeft ook een Duits bedrijf gesticht,
eveneens in 1929, en verloor in de vroege jaren dertig veel geld, in ’30, ’31,
’32. Toen kwam Hitler aan de macht en kwamen de bestellingen binnen: wapens,
voertuigen, vliegtuigen, noem maar op. Zo begon Ford te produceren voor de
nazi’s en verdiende daarbij heel veel, geld want de nazi’s betaalden de
rekeningen.
Daarnet zei u ‘helpen aan de
macht komen’. Ik neem aan dat dat een belangrijk onderscheid is!
Men mag de zaken niet te eenvoudig voorstellen. Het is niet alsof
mensen, zoals de grote Duitse bedrijven en de Amerikaanse bedrijven in
Duitsland, Hitler aan de macht hebben gebracht als een soort marionet, zoals
dat soms voorgesteld wordt. Zo was het niet. Er waren ook andere groepen van
mensen in Duitsland die er belang bij hadden dat er een dictatuur opgericht
werd. Bijvoorbeeld het leger, alsook de grootgrondbezitters, de zogenaamde
Junkers, en bepaalde groepen binnen de kerk, zowel de katholieke als de
protestantse kerken. Dus de industriëlen en bankiers van Duitsland waren niet
de enigen. Maar in mijn boek concentreer ik mij op die groep binnen de Duitse
elites waarvan men kan zeggen dat ze in het algemeen Hitler aan de macht heeft
gebracht. Ik concentreer me dus op die groep, de industriëlen en de bankiers.
Die hebben inderdaad een grote bijdrage geleverd. Men kan niet zeggen dat zij
alleen Hitler aan de macht hebben gebracht, maar ze hebben een grote, een heel
belangrijke bijdrage daartoe geleverd. Zonder de hulp van industriëlen zoals
Stinnes, Krupp enzovoort was Hitler nooit aan de macht gekomen.
In uw boek wijst u op de relatie
tussen big business en oorlog. Alleen die relatie kan verklaren dat de
Verenigde Staten zich enerzijds voordoen als het vredelievende vlaggenschip van
de democratie, maar anderzijds toch, sinds de Tweede Wereldoorlog, bijna altijd
wel ergens een oorlog aan het voeren zijn!
Met het geval van de Amerikaanse politiek moeten we namelijk een
onderscheid maken tussen ‘Anspruch und Wirklichkeit’, zoals men het in het
Duits zegt, tussen de theorie en de praktijk. In de theorie staat Amerika
natuurlijk voor vrijheid, voor democratie, voor vredelievendheid enzovoort.
Maar de praktijk is dikwijls heel anders. Amerika heeft al veel oorlogen
gevoerd, dikwijls zelf uitgelokt. Amerika heeft, zoals men weet, in vele delen
dictaturen ondersteund. Ik denk aan Zuid-Amerika bijvoorbeeld. Dus er is ergens
een wanverhouding tussen de theorie en de werkelijkheid. Dat was ook zo in het
geval van het nazisme. Achteraf, na de oorlog, is men gaan geloven dat Amerika
van in het begin tegen Hitler was en dus vóór democratie, tegen racisme
enzovoort, maar dat klopt helemaal niet. Want vóór de oorlog waren er veel
grote, machtige mensen in Amerika die het voor Hitler hadden, die graag met
Hitler samenwerkten. Men zei in die tijd: ‘you can do business
with Hitler’. En het racisme van Hitler was geen probleem, want die mannen waren
zelf racisten, die waren zelf antisemieten. De grootste antisemiet ter wereld
in de jaren twintig was waarschijnlijk niet Hitler zelf, maar Henry Ford.
Hitler heeft veel geleerd, wat antisemitisme betreft, van Henry Ford. In de
praktijk in Amerika, de rassenscheiding tussen zwarten en blanken, dat heeft
Hitler zelf ingevoerd in Duitsland, maar dan wel op het gebied van de
verhouding tussen ariërs zogezegd en joden, maar het was hetzelfde systeem. De
verovering van het wilde Westen, waar de Amerikanen de indianen uitgemoord
hebben, dat kan men wel zeggen, want men spreekt inderdaad over de genocide, en
op die manier een reusachtig gebied verworven hebben, dat was het grote
voorbeeld, de grote inspiratie van Hitler wat de verovering van Oost-Europa betreft
en de behandeling van die Untermenschen en die Slaven, de joden die daar
woonden. Die moesten weg om plaats te maken voor het superieure herrenvolk. Net
zoals de indianen hadden moeten plaatsmaken voor het superieure Amerikaanse
volk. Dus de feiten mag men niet onderschatten. Het voorbeeld van Amerika was
een grote bron van inspiratie voor Hitler. Dat wordt gewoonlijk niet behandeld
in de geschiedenisboeken, maar is wel heel belangrijk.
In de westerse wereld is
iedereen vrij om zijn of haar mening te formuleren, maar, schrijf je, sommigen
zijn in dit opzicht vrijer dan anderen. En je verwijst daarbij naar wat je dan
noemt ‘antiseptische literatuur’!
Het is namelijk zo dat bepaalde dingen – bijvoorbeeld wat ik te
zeggen heb in dit boek over nazisme en big business – natuurlijk bepaalde
mensen voor het hoofd stoot, dat ze dat niet graag horen. Men kan niet zeggen
dat het niet waar is, het is waar. Indien het niet waar zou zijn, dan zou ik nu
in de gevangenis zitten, want men mag niet zomaar leugens gaan vertellen, dat
gaat gewoon niet. Maar het is waar. Dat weten die mannen ook, dat weten de
leiders van Ford, General Motors, IBM en ITT, dat die samengewerkt hebben, die
bedrijven, met de nazi’s, en ervan geprofiteerd hebben. Dat zijn feiten, dat
zijn geen theorieën. En die weten dat! Maar die hebben liever dat jullie, dat
de luisteraar, de gewone man, dat niet weet. Dus als iemand zoals ik dat soort
geschiedenis schrijft, dan hebben ze liever dat die boeken onbekend blijven,
ofwel heel negatief besproken worden als zijnde onbelangrijk of een beetje
flauwekul en zo. En omgekeerd krijgen boeken die gewoon niet spreken over die
relatie tussen Amerikaanse business en Duitse business en de nazi’s, veel meer
aandacht. Dat boeken waarin gesproken wordt over Hitler die schuld had aan
alles en die gewoon de Duitse industrie dwong om te doen wat zij deden
gedurende de oorlog, namelijk het produceren voor de nazi’s, wapens en
allerlei, dat dat zo gegaan is, dat die mensen niet anders konden …
Dergelijke boeken worden dan wel aangeprezen, worden dan wel onder de aandacht
van het publiek gebracht, die krijgen dan ook goede publiciteit, van die mensen
zegt men dat het goede specialisten zijn in de geschiedenis, die weten hoe het
in elkaar zat en zo. Maar omgekeerd krijgen boeken die heel kritisch de zaak
bekijken, geen aandacht. Dus de antiseptische boeken, zoutloze boeken, waar
gewoon gesproken wordt over bepaalde politieke ontwikkelingen en de militaire
zaken, hoe veldslagen geleverd werden en zo, dat mag wel. Maar die zaken uit de
doeken doen, die verhouding tussen de nazi’s en het grote kapitaal in Duitsland
en Amerika, dat mag gewoon niet.
En dat maakt het werk van Jacques Pauwels nu net zo belangrijk.
“Big business met nazi-Duitsland” is een uitgave van EPO én is te koop in de
goede boekhandel.
“Bride theme from Blinking lights”, een hele mondvol, maar het is
muziek van Eels. Die brengt ons bij het volgende, want je zou het haast
vergeten, maar 2009 werd door de Verenigde Naties uitgeroepen tot het Internationale
Jaar van de Sterrenkunde. Daarin neemt Galilei een bijzondere plaats in.
Precies 400 jaar geleden kwam de Italiaanse onderzoeker op het idee om een
telescoop te richten op de sterrenhemel en zo aan astronomie te doen. Over de
betekenis daarvan praten we met wetenschapsfilosoof Gustaaf Cornelis van de
VUB. Dit was alvast wat Galilei zag:
‘Ik heb miljarden sterren
gezien. Die nooit eerder door een menselijk oog zijn aanschouwd. En die het
aantal oude, eerder bekende sterren in tienvoud overtreffen. Maar wat ver weg
de grootste verbazing zal wekken en wat er mij in het bijzonder toe heeft
gebracht om de aandacht van alle astronomen en wijsgeren te vragen, is dat ik
vier planeten heb ontdekt die niet eerder bekend waren of zijn waargenomen door
de astronomen van voor mijn tijd.’
Gustaaf Cornelis met een stukje uit “Siderius Nuncius” van
Galilei, het verslag van een historisch moment voor de sterrenkunde en de wetenschap.
In 1609 kreeg Galilei een exemplaar van de zogenaamde ‘Hollandse kijker’ in
handen. Hij verbeterde het instrument en richtte het op de nachtelijke hemel.
Een geniale ingeving, want een revolutie voor de astronomie en de empirische
methode. Het maakte hem blijvend beroemd, maar het bracht hem ook in aanvaring
met de verouderde wetenschap van toen. En met de kerk. Maar wij hebben het hier
even niet over het proces-Galilei en zijn veroordeling in 1633. Wél over zijn
betekenis voor de verdere wetenschap.
En alvast dit: Galilei is dus niet de uitvinder van de telescoop.
In 1608 had Hans Lippershey uit Middelburg er reeds een octrooi voor aangevraagd.
Maar de verbetering van het toestel en de systematische waarnemingen die
Galilei ermee deed, zijn het begin van de moderne astronomie. Gustaaf Cornelis:
We weten ook niet precies wie de ontwikkelaar is van de
verrekijker. Bovendien is hij ook niet de eerste die dan die verrekijker naar
de hemel heeft gericht. Daar was ook weer eentje voor hem. Waar het over gaat,
is dat hij die verrekijker, of het systeem beter, heeft geoptimaliseerd.
Aanvankelijk was die vergroting iets van drie keer. Hij haalde dan uiteindelijk
uit dergelijke toestellen een vergroting van twintig. Dat is één aspect. Het
tweede aspect – en dat maakt hem tot een groots wetenschapper – is dat hij zijn
waarnemingen stelselmatig bijhield. En dat hij aantekeningen maakte, tekeningen
maakte, de posities van de sterren maakte. Dat is dan eigenlijk het begin van
de moderne astronomie.
Die aantekeningen hebben wij nog allemaal, hé?
Die hebben wij nog allemaal. En dat zijn schitterende stukken. Als
je nu natuurlijk wetenschappelijke aantekeningen zou zien, wel dan schort er
wel wat aan. Maar het zijn heel precieze dingen. Want uit een van de
tekeningschema’s die hij van die vier maantjes van Jupiter … Hij noemt het
nog wel planeten op dat moment, maar die vier maantjes van Jupiter heeft hij zo
exact aangeduid, dat moderne software heeft kunnen achterhalen dat een
sterretje dat erbij stond, eigenlijk Neptunus was. Dus hij heeft ook Neptunus
voor de eerste keer gezien. Hij wist het niet dat het een planeet was, maar het
geeft aan dat zijn tekeningen heel accuraat waren, al lijken het bij bepaalde
momenten zelfs maar kribbels.
Geniaal in dat opzicht is dat hij uiteindelijk dat toestel, de
telescoop, gebruikt om het heelal te gaan bekijken, hé. De sterren te gaan
bekijken en planeten te gaan bekijken. Maar wat ontdekt hij dan precies? Wat
ziet hij?
Wat leuk is met Galilei, is dat je al die waarnemingen vandaag de
dag zelf nog kunt doen. Dat is mooi. Je kunt je Galilei wanen. En dan zie je de
manen rond Jupiter, dan zie je de Melkweg die dan bestaat uit sterren. Voorheen
dacht men dat het melk was die uit de borst van de hemelgodin vloeide, maar nu
bleek het dat het uit sterretjes was opgebouwd. Hij zag kraters op de maan, dat
die maan niet perfect was, hij zag de fasen van Venus, hij zag zonnevlekken op
de zon. Hij zag zovele nieuwe dingen … En nogmaals, hij stelt dat dan ook
te boek en hij verspreidt dat. En van belang ook: hij claimt het ook. Hij zegt:
‘Dat zijn mijn waarnemingen.’ En dat is iets wat wij tegenwoordig ook doen,
momenteel in de wetenschap, van: ‘Je claimt een waarneming en het kan ook
gecontroleerd worden.’ Omdat de metingen, of waarnemingen, zo precies waren.
Ja, zijn waarnemingen druisen in tegen de gangbare theorieën van
zijn tijd. Die men ontleent aan Aristoteles. Op welke manier gebeurt dat dan?
Want je zou kunnen denken dat Aristoteles toch wel een gezaghebbende figuur
was, en toch haalt Galilei hem onderuit. Op welke punten eigenlijk?
Aristoteles was uiteraard een autoriteit, hé. Dat is al van de
vierde eeuw v. Chr. dat die het voor het zeggen had. Wat astronomie betrof,
sterrenkunde, waren er twee dingen. Ten eerste, je had het ondermaanse en het
bovenmaanse. Alles wat onder de maan zat, was werelds, imperfect, terwijl alles
wat boven de maan zat, perfect was. Aan de andere kant heb je dan de
kinematica, de mechanica, namelijk dingen vallen naar de aarde als ze zwaar
zijn. En waarom vallen ze naar de aarde? Omdat dat de natuurlijke plek is om
zich te bevinden. En waarom gaat vuur naar boven? Omdat de natuurlijke plek van
vuur is dichter bij de maan aan. Maar wat gaat nu die Galilei merken? Wel, die
maan heeft dus kraters. Die is niet perfect. Wat merkt ie nog ? Je ziet daar
maantjes rond Jupiter draaien. Dat wijst erop dat die niet rond de aarde
draaien. Dus dat is ook een weerlegging van Aristoteles. Dat geeft aan voor
Galilei dat Copernicus het bij het rechte eind moest hebben.
Een belangrijke waarneming, of tenminste wordt ook wel aan Galilei
dan toegeschreven, dat hij via de schijngestalten van Venus dan ook duidelijk
heeft aangetoond dat in feite Copernicus met zijn heliocentrische systeem
gelijk heeft.
Hij heeft wel degelijk als eerste die Venusfasen waargenomen. Wat
betekent dat? Galilei ziet bij Venus dat je er ook een driekwartfase hebt. Dus
dat betekent dat Venus zich eigenlijk achter de zon moet bevinden op een
bepaald moment. Daarnaast krijg je ook een halve Venus en een sikkel-Venus. Wat
dan betekent dat Venus tussen zon en aarde moet zitten. En dat is dan een
bewijs voor Galilei dat die planeet rond de zon beweegt.
Bewijs volgens Galilei dan?
Volgens Galilei. Nu, dat toont niet rechtstreeks Copernicus aan.
Dat is dus eigenlijk ‘circumstantial evidence’ samen dan met het verhaal van
Jupiter en die maantjes. Waar het om gaat, is eigenlijk dat hij gewoon zegt:
‘Venus draait rond die zon.’ Nu, dat is niet enkel voor Copernicus positief.
Dat geldt evengoed voor het verhaal van Tycho Brahe, een tijdgenoot. Dat geldt
ook voor Heraclides van Pontos, dat is dan weer een oude Griek. Die hadden ook
gezegd van: ‘Venus, net zoals Mercurius trouwens, draait rond de zon.’ Maar als
je natuurlijk al het materiaal vindt of bij elkaar telt wat Galilei heeft
gevonden, dan ziet het er voor Copernicus wel heel positief uit. Maar Galilei
ging ervan uit dat Copernicus gelijk had. En dat was een beetje vooringenomen
van Galilei. Hij legt er zich dan ook op toe om dat te bewijzen. En dat doet
hij dan met als je alles bij elkaar telt.
Hij is uiteraard de grondlegger van de empirische wetenschap,
zullen we maar zeggen, in dit geval. Empirische tradities bestonden al wel een
beetje, maar hij onderbouwt het dan toch wel op een stevige manier. Nu is er
ook wel het verhaal dat zijn tijdgenoten of een aantal medewetenschappers
eigenlijk niet zo gewonnen waren uiteraard voor die empirische wetenschap en
ook weigerden om door de kijker, de telescoop, te komen kijken. Met het
gegeven: hoe de hemel eruitziet, hebben Plato en Aristoteles al aangeleerd. Kun
je zeggen dat die mensen een beetje achterlijk waren of zo?
Aristoteles, natuurlijk, die ging al zolang mee. Hetzelfde gold
voor Ptolemaeus, dus men zou niet meteen van de ene op de andere dag gekozen
hebben voor een ander paradigma. Dat duurde wel even. Trouwens, Aristoteles is
dood en begraven pas in de negentiende eeuw. Dan mag je zeggen dat het hele
denken van Aristoteles een einde heeft gekend. Dus het is vrij normaal dat men
in die periode dan toch maar veiligheidshalve voor de oude systemen koos. Het
zal dan nog een paar 100 jaar duren voor het effectief rond is. Maar daar gaat
het over de specialisten, de experten, en dus ook, zoals al gezegd, die
bovenbouw in de maatschappij die de eer en het genoegen had om door de kijker
eens te kijken. Natuurlijk, de man in de straat, de leek, ja, voor hem zat het
heelal er nog altijd uit zoals de Bijbel het voorschreef.
Van Galilei wordt ook gezegd dat hij eigenlijk ook de grondlegger
is, niet alleen van die empirische methode, maar ook van het gebruik van de
wiskunde, de toepassingsmogelijkheden van de wiskunde in de fysica en dan ook
in de astronomie uiteraard, hé. Er is ook een aforisme dat hem wordt
toegeschreven: ‘Het boek van de natuur is geschreven in de taal van de
wiskunde.’ Eens bekijken wat hij er eigenlijk mee bedoelde.
Wel, goh, hij zit uiteraard in die pythagoreïsche traditie. Dat is
vijfde eeuw v. Chr. De gedachte is: de natuur is gestructureerd, en wil je de
natuur begrijpen, dan moet je dat via de wiskunde doen, want de natuurwetten
hebben een wiskundig formalisme. En alles wijst in die richting. Als hij
bijvoorbeeld de valwet afleidt, die overigens ook weer recht tegen Aristoteles
ingaat, wel, dan maakt hij natuurlijk gebruik van de wiskundige achtergrond,
hé, als docent wiskunde. Uit het vallen zelf van een vallend voorwerp kun je
niets afleiden. Je kunt het op geen enkele manier vertragen. Dus wat ie doet,
is gewoon een hellend vlak gebruiken. Dat betekent dat hij de resultante van
twee krachten gaat analyseren: een horizontale en een verticale. Dat is een
wiskundige aanpak. Dat de wiskunde achterliggend is aan de natuur, en dat je
dus kunt doordringen tot de waarheid door de wiskunde, is pythagoreïsch, is
platoons. Hij zet dat voort. En dat is iets wat nog steeds de overtuiging is
van de westerse wetenschap.
De betekenis van Galilei voor de wetenschappelijke onderzoeksmethode.
Een lijn die je gerust kunt doortrekken over Albert Einstein tot op vandaag.
Dat was nog wetenschapsfilosoof Gustaaf Cornelis.
Zo, deze aflevering van HVW zit erop. Vragen en bedenkingen kunt u
zoals steeds kwijt op onze redactie. Telefonisch op het nummer
03 233 70 32 en via de website op www.h-vv.be. Wij
gaan eruit met tangomuziek van Gotan Project, maar volgende week zijn we er
weer. Met het nieuwe schooljaar in het vizier praten we dan met Kinderrechtencommissaris
Bruno Vanobbergen over kinderrechten en onderwijs. Maar we hebben het ook over
het interlevensbeschouwelijke onderwijsmodel van het KA Antwerpen. Dat wordt
een gesprek met directrice Karin Heremans. Luisteren dus, volgende week
maandagavond, meteen na het Nieuws van 19.00 uur op Radio 1. Nog een fijne
avond en graag tot dan. Daaaaag.
|