| Johan Swinnen over Anders Zichtbaar - Bleri Lleshi over Identiteit en interculturaliteit |
|
HVW – HVR
Uitz.: 24.05.10
Opn.: 20.05.10
Real.: Frank
Stappaerts
Beginwijs
--
Goedenavond
luisteraar en welkom in HVW. Vandaag spreken we met
Neen, zeker niet
vandaag, nu wij echt geconfronteerd worden met communicatie en het grote belang
ervan. Regeringen, politieke partijen, ngo’s, industrieën, bedrijven stoppen
miljoenen euro’s in communicatie en huren zeer professionele mensen in om heel
slimme beeldcampagnes te maken waar visies, meningen, producten aan de man
moeten worden gebracht. Maar daar vlak tegenover staat de nauwelijks geschoolde
burger. We kunnen zo’n beetje zeggen dat die visuele ongeletterdheid, zoals het
soms aangeduid wordt, een belangrijk aspect is. Al meer dan twintig jaar doceer
ik ook het vak beeldcultuur, zowel aan de universiteit als aan de hogeschool,
aan kunstenaars. Dan zie je toch wel dat er heel veel vragen rond zijn: hoe
kunnen we beelden leren lezen? Hoe kunnen we deze interpreteren? Met dergelijke
visuele educatie kun je naar mijn mening niet vroeg genoeg beginnen. Ik merkte
dus ook dat juist in het hoger onderwijs er heel veel vraag is naar en heel
veel belangstelling voor die beeldcultuur. Het zichtbaar maken, dat is wel
duidelijk voor de mensen, maar juist op een andere manier kijken is iets wat
heel belangrijk is. Wat ik ook systematisch hoorde bij de studenten, was: ja,
we kenden die film, die fotoreportage of die fotograaf, maar een andere
invalshoek kiezen, natuurlijk is dan de filosofie vaak iets interessants. Maar
ik merkte ook dat men zo’n groot belang ging hechten aan die meningen, aan die
beelden, ook historische beelden, dat men dan zegt: maar wat wordt daar juist
mee bedoeld? Het staat niet geschreven, het is gevisualiseerd. Het is niet het
gesproken woord, maar het vastgelegde beeld. Dat men dan bepaalde waarden ging
zoeken in die reportages, in de filmwereld, en zo verder. Dat was een belangrijk
punt. Er zijn heel veel gadgets, heel veel apparaten, die we allemaal bij ons
gekregen hebben om beelden vast te leggen. Wie had ooit gedacht dat iedereen
een telefoon zou gaan verbinden met een fotocamera? Dat iedereen nu kan
fotograferen? Ik heb het vorige week nog in mijn les gevraagd: steek eens de
hand omhoog wie op dit ogenblik een foto zou kunnen maken. Dat is bijna vier
vijfde van de groep studenten. Dus dat is een belangrijk gegeven, maar dat
heeft ook consequenties. We zijn allemaal een stuk fotojournalist geworden,
maar hoe gaan we daarmee om? Ik vond iets wat heel belangrijk was, dat zijn
juist die waarden, dat humanisme, dat omgaan met die beelden, de ethiek op dat
vlak. Dat gaat niet alleen van een foto die eens genomen wordt in een gevangenis,
een cipier die een gevangene fotografeert, maar dat gaat natuurlijk over, heel
ruim, hoe gaat men om met tsunami’s? Hoe gaat men om met mensen die vermoord
worden op straat? De komst ook van die camera’s in het dagelijks gebruik, en ik
denk echt dat de i-phone een heel belangrijk gegeven is om te zien in onze
samenleving hoe men daarmee omgaat. Het is juist rond die waarden dat ik een
aantal colleges, een aantal lessen ben gaan vormen, maar ook een heleboel
collega’s heb aangespoord om eens de nadruk te leggen, niet zozeer op het
geschrevene, op het zuiver filosofische. Maar ik heb hun de opdracht gegeven:
vertrek vanuit het beeld en kom zo naar je dada, naar je manier van denken. Dat
is heel breed gegaan, van heel jonge vorsers die met het beeld werken, tot
mensen die werkelijk diepgaander zijn in de zin van de filosofie. Wat zijn de
mogelijkheden daarvan, om dat te linken? Dan zie je dat vaak een beeld gebuikt
wordt als een kapstok, maar we hebben juist geprobeerd om toegankelijke
artikels te maken die toch die diepgang geven, maar die een beetje opleiden
naar kritische consumenten van het beeld.
Dat is ook de bedoeling van het boek, las ik
ergens: de lezer aanzetten om de beeldige werkelijkheid op een humanistische
manier te bestuderen. Heel mooi geformuleerd, maar zeg ik dan: hoe pak je dat
aan?
Ik denk dat het
belangrijk geweest is dat ik echt gekeken heb om met die mensen samen te werken
die je niet onmiddellijk in een van de twee vakjes kunt doen. We zijn een
beetje misvormd vanaf de jaren tachtig met het onderscheid tussen enerzijds de
mensen die het woord verdedigen, en dan de anderen, die het beeld verdedigen.
En och ja, het woord ging helemaal verdreven worden, het beeld ging alles
zeggen, het beeld was ook een synoniem voor oppervlakkigheid. Dat is natuurlijk
sterk de vraag. Hoe ga je daarmee om? Ik heb met de mensen een gesprek gehad.
Hoe pakken zij dat aan? Hoe zijn daar mogelijkheden? Dat is heel gevarieerd.
Dat gaat van projecten van de grote man van de nouvelle vague, Jean-Luc Godard,
die in Mozambique pogingen gedaan heeft, die eigenlijk zeer weinig bekend zijn,
om juist in die nieuwe samenleving film te gebruiken om daar een creatie mee te
maken, de maakbaarheid van de mens. Dat is een voorbeeld uit het boek, maar
iets wat nieuw is, wat verfrissend is en waarvan ik ook merk dat men erover
praat. Ik denk dat dat belangrijk is. Het is enerzijds die praktijk, anderzijds
die theorie. Hoe gaan we daarmee om? Het is niet alleen een academisch boek
geworden, het is een boek dat je in stukjes kunt lezen, maar dat erg
toegankelijk is omdat het juist zo herkenbaar is. Er staan niet zo heel veel
foto’s in het boek, maar het is beeldend geschreven en bevat verwijzingen naar
websites of naar beelden die opgeroepen kunnen worden. Ik denk dat die
toegankelijkheid een heel belangrijk punt is, maar ook weer die zingeving. Die
zingeving die zo belangrijk is, het individu heel centraal, identiteit, moraal,
levensbeschouwing. En je merkt dat daar heel wat vragen rond komen. Ik heb
reeds enkele lezingen gegeven naar aanleiding van de publicatie van het boek.
Dan ging het bijvoorbeeld over identiteit, wat zich ook afgespeeld heeft bij de
discussies met Sarkozy, Verhofstadt en anderen: hoe ga je om met identiteit?
Ook in ons eigen land: de identiteit van Vlaming te zijn? Wat betekent dat in
Vlaanderen, in Brussel, in Wallonië? Deze discussies zijn eigenlijk zeer
belangrijk en sluiten ook aan bij die levensbeschouwing. Ik vind dat we in dit
boek een stap gezet hebben om juist aan die humanisering een maatschappelijke
context te geven. Hoe zit het met het functioneren binnen een organisatie,
binnen een maatschappelijke verhouding? We hebben geprobeerd om juist die
beelden te bekijken vanuit die zingeving en het dan open te trekken naar die
brede humanisering. Daarin, denk ik, zijn we toch wel duidelijk geweest, dat we
die twee begrippen hebben kunnen verweven. Je merkt ook in het onderwijs, in
het onderzoek, maar ook in het dagelijks leven, dat dat in de samenleving
vermengd wordt met elkaar. Dus “Anders zichtbaar” wil juist kritische opstellen
geven, maar die vaak ook uitmunten door creativiteit. Echte schrijvers hebben
zich kunnen uitleven. Vandaar ook de dikte van het boek. Het was soms zo
pijnlijk om maar tien pagina’s tekst te krijgen die je dan zou moeten
reduceren. Ik vond dat wij in dit tijdperk van boeken een keer konden gaan over
beeldcultuur naar het vrij uitgaan over die zingeving en dat humanisme. Temeer
omdat, en ik heb hier in mijn bibliotheek heel wat boeken staan, zowel
Nederlandstalig, Franstalig, Engelstalig, over beeldcultuur, visual culture, en
hoe vaak gaat het alleen maar over: wat is televisie, of de rol van “Big
Brother”, of de betekenis van “Mijn restaurant” en zo verder. Hoe belangrijk
ook, beeldcultuur is meer dan alleen maar televisie, meer dan alleen maar film,
maar is juist die brede waaier, zoals we ook zien dat fotografie vandaag een
heel belangrijke rol speelt in de beeldvorming nu naar aanleiding van vijftig
jaar Congo, Belgisch-Congo. Je ziet dat bij boeken die voorgesteld worden,
juist gezocht wordt naar een Stephan Vanfleteren bijvoorbeeld om het boek te
illustreren. Dus je krijgt die verwevenheid daarbij, maar het is ook een
verhaal dat verteld wordt.
Het boek is een reader, het is een
overzicht, met enkele tientallen artikels. Maar heel typisch: in jouw woord
vooraf of in je inleiding begin je je uiteenzetting met het Mundaneum!
Het Mundaneum in
Mons (Bergen) heeft mij altijd geboeid. Je weet daar zo vaag iets van, dat er
inderdaad heel veel bij elkaar gebracht werd. Maar het is een beetje de
buitenlandse pers, in de eerste plaats dan, en daarna ook Eric Bracke in De
Morgen, die het een beetje opnieuw onder de aandacht gebracht hebben. Ik was
toen, net op dat ogenblik, aan het denken aan het concept van het boek van
“Anders zichtbaar” en heb toen opnieuw een bezoek gebracht aan dat Mundaneum.
Het museum werd in 1910 gesticht door de pacifist Paul Otlet en Henri La
Fontaine, senator van de socialistische partij, vrijmetselaar ook, winnaar van
de Nobelprijs voor de vrede, toch niet min. Zij hebben juist getracht om een
verzameling aan te leggen door zes kilometer papier samen te brengen van al wat
er gebeurt in de wereld. Die kennis, die wijsheid, ging met een ingenieus
systeem met fichekaarten verbonden worden met elkaar. Het is dus niet zonder
reden dat in de New York Times geschreven werd dat het inderdaad de voorloper
is van internet. Ik vind dit belangrijk omdat het gaat over een archief, maar
ook over illustratie, plus ook vanuit een gegeven. Het was niet een
vrijblijvend organiseren, en dat vind ik ook zo belangrijk, maar de thema’s
waren duidelijk pacifisme, feminisme en anarchisme. In die periode is dat toch
niet zo onbelangrijk. Als je dan ziet dat die miljoenen fiches met elkaar
verbonden kunnen worden vanuit een overtuiging, vanuit een visie, om de
mensheid en om de kwaliteit van het leven te kunnen verbeteren, voel ik me daar
zeer goed bij. Enerzijds vanuit mijn artistieke opleiding, maar anderzijds ook
als kunsthistoricus, vind ik dat zeer mooi verweven in elkaar, hoe je hier echt
vanuit die cultuurwetenschappen komt tot een poging om de mensen zinvol te
Tot zover nog
MUZIEK
Jaune Toujours met “Ici Bxl”. Daarmee zijn we bij Bleri Lleshi, die het boek “Identiteit en interculturaliteit. Identitietsconstructie bij jongeren in Brussel” samenstelde. Het boek is een uitvloeisel van het project “Ideaal Brussel”, dat door Kif Kif en de Vlaamse Gemeenschapscommissie in 2008 werd opgezet.
Inderdaad, in 2008.
Ik denk dat ik er in september aan begonnen ben. Het onderzoek werd gevraagd
door de VGC, Kif Kif werd gevraagd om uit te voeren en ze hebben mij toen
aangesteld om na te kijken hoe de ideale beelden van Brussel zijn bij Brusselse
jongeren. Dat was in het kort het opzet van het onderzoek.
Het boek gaat over identiteit,
identiteitsconstructie in een interculturele context. Het leert mij alvast dat
we dan te maken hebben met dynamiek en complexiteit!
Terecht! Het zijn
twee van de drie grote conclusies van het boek. Inderdaad, wanneer we over
identiteit spreken, is er eerst en vooral die complexiteit. In tweede instantie
is er de dynamiek van identiteit. Op dit moment bestaat er een beeld van
identiteit dat terug te vinden is in het discours van de media en van politici
en dat ook ingebakken is in het denken van veel mensen, namelijk dat identiteit
vooral iets standvastigs, weinig dynamisch is. Waarom? Omdat het vanuit de
media en vanuit de politiek een boodschap is die veel beter verkoopt. Ook
bijvoorbeeld als we kijken naar de politiek, wil men daar bepaalde dingen
realiseren, toch als men er bepaalde initiatieven voor een gemeenschap wil
nemen. Ik zeg maar iets: de mensen van Marokkaanse afkomst in Antwerpen
bijvoorbeeld. Voor hen is het veel gemakkelijker als zij een klassering maken
van alle mensen van Marokkaanse afkomst in Antwerpen, terwijl eigenlijk daar
veel meer diversiteit is binnen die gemeenschap. Maar rekening houden met die
diversiteit wil zeggen dat je jezelf voor een grotere uitdaging plaatst. Dat is
een punt. Een ander punt is dynamiek. Ja, dynamiek omdat identiteit andere
vormen blijft aannemen. Niet zozeer bij de migrant, maar bij elk mens.
Mettertijd kan iemand van gedachte veranderen. Iemand die op een bepaald moment
meer religieus is, kan minder religieus worden, om een voorbeeld te geven. Ik
denk dat die dynamiek van identiteit moet worden ingezien en dat er vooral
vanuit het beleid daarmee rekening moet worden gehouden.
“Identiteitsconstructie bij jongeren in
Brussel” is de ondertitel van het boek, en je schrijft, in navolging van Frantz
Fanon, dat het in sterke mate de meerderheid is die bepaalt hoeveel ruimte de
minderheid krijgt om haar identiteit vorm te geven!
Ik sta daar dus
volledig achter. Het is inderdaad de meerderheid die heel veel gaat bepalen.
Het is de meerderheid die zeg maar de politiek, de media, instituties en zo
verder in handen heeft. Maar niet alleen dat, ook bijvoorbeeld alles wat de
maatschappij produceert. Voorts geeft ze de aanzet welke richting de rest van
de samenleving op gaat, als die meerderheid geen rekening gaat houden met het
bestaan van die minderheden. Minderheden die soms groter zijn, bijvoorbeeld als
we in Brussel kijken, waar 60% niets te maken heeft met Belgen. Toch is die
diversiteit op dit moment helemaal niet terug te vinden op het niveau van het
beleid, op het niveau van de instituties. Dus wat krijg je dan? Dan heeft de
meerderheid, die eigenlijk een minderheid is, het toch voor het zeggen. Dat is
volgens mij een groot probleem. Ik denk dat we ernaar moeten streven om die
diversiteit te institutionaliseren, om dit juist te doorbreken, het dominante
discours van de meerderheid, dat volop terug te vinden is in de taal van de
politici, ook in de taal van de media. Als we naar Brusselse politici kijken
bijvoorbeeld, is zeg maar 60% niet-Belg, maar als we naar de Brusselse politici
kijken op de verschillende niveaus, zijn het bijna altijd de blanke
autochtonen, mannen meestal, met een aantal vrouwen daartussenin. Dat is
problematisch volgens mij. Laten we naar de media kijken. Ook de media is in
handen van die groep. Ik denk dat we signalen moeten sturen om dat te
veranderen. Kijk, er hoeft niet per se een positieve discriminatie te komen,
maar als het niet anders kan, ben ik daarvan een voorstander. Maar er moet een
soort bewustzijn komen, ook van de mensen die zelf in de media of in de
politiek zitten. Ik wil niet zeggen dat die mensen niets kunnen doen of niets aan
het doen zijn. Helemaal niet! Je hebt heel veel politici en mensen binnen de
media die een andere stem aan het woord proberen te laten en dat vind ik heel
positief. Maar inderdaad, dat discours moet doorbroken worden.
Je voerde een onderzoek uit bij jonge
Brusselaars waarin je peilde naar hun ideale Brussel. Daaruit bleek onder meer
dat diversiteit niet gereduceerd kan worden tot etnische diversiteit!
Als we spreken over
diversiteit, dan gaat het over veel meer dan etnische diversiteit. Trouwens, we
moeten ook heel erg opletten met het gebruik van het woord etnisch, als we het
bijvoorbeeld hebben over etnische minderheden. Daar heb ik het persoonlijk
moeilijk mee. Waarom? Gewoon om een voorbeeld te geven hoe makkelijk het is om
mensen in hokjes te duwen: je kunt bijvoorbeeld iemand hebben van Afrikaanse
afkomst die Vlaming is tot en met. Die zich dus totaal niet verbonden voelt met
Afrika of met allochtoon zijn of wat dan ook. Maar als we het vanbuiten zien,
gaan we zo iemand dan direct in een bepaald hokje plaatsen. Die mensen zijn
daar niet blij mee! Verder is diversiteit veel meer dan dat. We hebben al man
en vrouw, we hebben een bepaalde manier om over politiek te denken, religieus
denken, er zijn veel meer facetten waarmee wij rekening moeten houden. En
rekening houden met die verschillende facetten wil zeggen meer realistisch
zijn, maar ook met een grotere uitdaging in handen zitten als we die
diversiteit aanvaarden waarmee we het nogal moeilijk hebben volgens mij.
Zeg je ook niet dat diversiteit, zoals het
nu bekeken wordt, heel vaak een groepsdiversiteit is, terwijl jij in je boek
eigenlijk zegt dat we ook naar het individu moeten kijken? Diversiteit speelt
zich veel meer af op het niveau van het individu!
Inderdaad, ik zeg
dat wij ook naar het individu moeten kijken, maar ik vind het wel gevaarlijk
als dat idee van individualisme wordt verkocht. Want dat is wat nu heel erg aan
het gebeuren is. Dat individualisme voedt het huidige systeem mee. Elke partij,
elk discours dat aan de macht komt, zegt dat men het opneemt voor het individu
en alles doet voor het individu. Er zit altijd een gevaar in om het te
misbruiken. Maar wat ik wil zeggen, is: je hebt groepen en je hebt individuen.
Een groep bepaalt niet alles voor een individu. Dat is een belangrijk punt om
te zien. We denken dat voor een Turk, voor iemand van Turkse afkomst, dat
Turk-zijn zo belangrijk is voor hem of voor haar dat het alles zal bepalen voor
die persoon. Dat is niet waar! Het zal bepaalde dingen bepalen, maar de persoon
is nog steeds een individu dat bepaalde keuzes maakt, dat een bepaalde manier
van leven kiest. Dus we moeten eigenlijk naar beide kijken. Ik denk dat het
interessant is om naar die twee te kijken als we het individu beter willen
begrijpen.
In België heeft men het moeilijk om te leven
met diversiteit, denken we alleen al aan onze taaltoestanden. Te tolerant zijn
zou tot onze eigen destructie leiden. Diversiteit moet dan ook gemanaged
worden. Alles wordt gereduceerd tot een verschillende culturele achtergrond, en
problemen van ongelijkheid, uitbuiting en onrechtvaardigheid blijven op die
manier buiten zicht!
Dat is wat er al
heel lang aan het gebeuren is. Als we kijken naar het discours van
multiculturalisme, als we kijken naar wat er de laatste twintig jaar gebeurd
is, dan zien we een verschuiving van de discussie van de ongelijkheid, die
trouwens steeds meer is gaan toenemen, dus het is helemaal verschoven naar
cultuur. Ik heb het daar persoonlijk heel moeilijk mee. Ik wil niet beweren wat
er soms vanuit linkse hoek wordt beweerd, dat cultuur niet belangrijk is, of
dat identiteit een vals bewustzijn is. Helemaal niet! Volgens mij zijn beide
heel belangrijk. Ik zeg altijd dat voor mij identiteit eerst en vooral is
proberen te begrijpen: wie heb ik voor mij? Vooral praktisch! Maar tegelijk zeg
ik dan: we moeten kijken naar de ongelijkheid. Dan heb ik het over de sociale
ongelijkheid, de politieke ongelijkheid, de economische ongelijkheid, en ook de
culturele ongelijkheid. Die ongelijkheid neemt steeds meer toe. Wat wij op dit
moment moeten doen, is die ongelijkheid aanpakken, maar die ongelijkheid
aanpakken wil zeggen dat we de echte problemen, de echte uitdagingen moeten
aanpakken die we op dit moment hebben. En daarvoor heb je politici nodig, heb
je mensen nodig, heb je een bewustzijn nodig dat echt is.
Tot zover nog
Daarmee zijn we
aan het eind van HVW. Samenstelling en presentatie waren van FS. De tekst van
dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging,
Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel. 03 233 70 32. En over
enkele dagen vind je de tekst ook op h-vv.be,
waar je de uitzending nog even kunt herbeluisteren.
Volgende week
zijn we er weer en dan hebben we het met Jozef Pacolet over zwartwerk in
België.
Dit was het wat
ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!
Muziek:
10” High Heels – Sakamoto Sakamoto 262975
2’55” Ici Bxl – Jaune Toujours P. Maris/T.
Raballand chou 0402
|