Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow Johan De Boose - Henri Oosthout
Johan De Boose - Henri Oosthout
HVW – HVR

Uitz.: 08 08 11
Opn.: 07 07 11
Real.: Frank Stappaerts

Johan De Boose, ‘Bloedgetuigen’ / Henri Oosthout,  “Het schandaal van de filosofie”

Beginindicatief
--
Goedenavond en welkom in HVW. En straks praten we met Henri Oosthout over  zijn laatste boek, “Het schandaal van de filosofie. Hoofdlijnen van het sceptische denken van de oudheid tot heden”. Want starten doen we met Johan De Boose. Zijn nieuwe en groots opgezette roman  ‘Bloedgetuigen’ telt meer dan zevenhonderd bladzijden. Het is een erg complex verhaal, met verschillende verhaallijnen, maar het is ook een geschiedenis van de twintigste eeuw. Maar, waarover gaat het boek precies? Johan De Boose:

Het zijn vier verhaallijnen. Je hebt het verhaal van een Vlaamse jongen die naar het Oostfront trekt in 1943 en daar zal sneuvelen en dus heel zijn levensverhaal, alles wat er aan vooraf gaat en al wat er daarna komt, met zijn familie. De tweede verhaallijn is die van een Russische joodse jongen die in het leger van Stalin gaat in de tweede wereldoorlog en dus uit idealisme voor het communisme gaat vechten tegen Hitler. Dat is de tweede verhaallijn, ook met wat eraan vooraf gaat en wat erna komt. De derde lijn is die van een jonge vrouw in Sint Petersburg die ballerina wil worden en die in allerlei omstandigheden terecht komt. Haar ideaal bereikt ze ook nooit. Uiteindelijk bevindt ze zich in het omsingelde Leningrad tijdens de tweede wereldoorlog en probeert ze te overleven op alle mogelijke manieren. Dus dat zijn de drie realistische verhaallijnen. Dan is er een vierde, de geschiedenis zelf die spreekt en die met een perfect geheugen, maar zonder geweten, dus zonder moraal of ethisch besef, terugkijkt op haar eigen bestaan en zo de geschiedenis vertelt.

Zoals je het al aanbracht, eigenlijk probeer je in het boek die verschillende mensen, die verschillende ideologieën te begrijpen, in te leven, zonder te oordelen, zonder te veroordelen!

Dat was mijn oorspronkelijke opzet en ik ben blij dat je die vraag stelt omdat blijkt dat het dus ook zo overkomt. Ik probeer niet te zeggen van kijk die heeft dat gedaan en dat is verkeerd. Ik probeer mezelf te verplaatsen in enkele personages die radicale, heel drastische beslissingen nemen en ik probeer te beschrijven hoe ze tot die beslissing komen, ik probeer te begrijpen waarom ze dat doen. De beste manier om dat te doen is empathie, in dat personage kruipen of dat personage in jezelf laten kruipen en jezelf af te vragen wat zou ik gedaan hebben in die omstandigheden? En vaak kom ik dan tot de conclusie van waarschijnlijk had ik dat ook gedaan. Uiteindelijk moet dat de lezer ook dwingen tot een soort inleving en begrip voor heel complexe omstandigheden. Het is gemakkelijk om alles zwart/wit te stellen. Zwart en wit dat bestaat wel, maar dat zijn de uitzonderingen. Al wat er tussen zit is interessant.

Uiteindelijk is het ook het verhaal van de grote ideologieën van de twintigste eeuw. De mensen die je aan het woord laat, de mensen waarvan je het leven beschrijft, hun engagementen beschrijft, zijn heel sterk ideologisch gemotiveerd. Zij kunnen oordelen van in hun situatie wat goed is en wat slecht is, maar de blijkbaar achteraf, de lezer heeft op het einde van het boek toch wel een panoramisch zicht op het boek, die weet dat ze zich allemaal hebben vergist!

Ja, ook dat kun je weer op verschillende manieren uitleggen. Als lezer kun je je conclusie trekken. Je kunt zeggen, ik word van de ene kant van het ideologische spectrum naar de andere kant geslingerd, en op de ene bladzijde voel ik bijna sympathie met die nationaal-socialisten. Merkwaardig kun je dan, dat heb ik ook als schrijver gehad, op een andere bladzijde kun je ineens denken van dat communisme was misschien toch niet zo slecht, en nog meer van die dingen. Dus uiteindelijk ben je als lezer zo’n beetje ontregeld, ontredderd, en dan moet je voor jezelf de conclusie trekken. Wat is dat nu? Was dat nu verkeerd of niet? Ik heb ik aanloop naar dit boek met veel mensen gesproken, met mensen die die situatie hebben meegemaakt, vijfentachtigplussers, die zeggen van wij geloofden toen in dat ideaal en we geloven daar nu nog in. En wat voor een ideaal was dat? In het geval van het Vlaams-nationalisme was dat het ideaal van een onafhankelijke Vlaamse staat in een vrij Europa met een groot utopisch gehalte eigenlijk. Heel erg idealistisch, sterk idealistisch. Bijna onmogelijk! Maar het hangt er maar vanaf aan welke kant van de oorlog je gaat staan om iets goed of slecht te vinden, het hangt ervan af vanuit welke ideologie je het gaat bekijken om het te beoordelen of veroordelen. Maar belangrijk is wel dat je kunt zien van op een bepaald moment is het zo dat er zich dingen voordoen en dat mensen daarin beslissingen nemen die denken dat het het beste is wat ze op dat moment doen. En zelfs dat ze daar misschien niemand kwaad mee willen doen. Alleen maar, vooruit naar dat ideaal! En of dat nu fascisme was of communisme, of iets anders, maar dat zijn nu de twee ideologieën die de twintigste eeuw hebben bepaald. Het zou ook een godsdienst kunnen zijn. Ik denk aan de kruistochten, dat soort geschiedenissen, of in de Griekse oudheid. Altijd zijn er bepaalde situaties, telkens doet dat zich weer voor in de geschiedenis van de mensheid dat situaties gecreëerd worden waarin je gedwongen wordt van een stelling in te nemen. En achteraf kun je dan zeggen van dat was goed of dat was fout. De Balkanoorlogen van de jaren negentig, dat is ook zo’n voorbeeld waar ik mij ook in verdiept heb en nog steeds in geïnteresseerd ben. Dan kun je zeggen van ja, de twee kampen hebben allebei gelijk of allebei ongelijk, het hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt.

Het is een enorm gedocumenteerd boek. Je hebt ook veel getuigenissen opgenomen. Je hebt er ook veel voor gerezen. Op de meeste plaatsen ben je geweest die je beschrijft in het boek. Een voor de hand liggende vraag, of een uitdagende vraag in dat geval, wat is echt en wat is fictie?

Wat de realistische verhaallijnen betreft is alles gebaseerd op een aantal dingen, getuigenissen van mensen die ik heb gesproken, dingen die ik heb gelezen, films die ik heb gezien, verhalen die mensen mij kwamen vertellen, dingen die mij in de schoot vielen op een bepaald moment. Dus dat was een hele stapel ideeën die zich aandienden waar ik dan mijn weg in gezocht heb en het kaf van het koren gescheiden heb. Vooral dan mijzelf ingeleefd heb in bepaalde personages en dat verder met mijn fantasie gevoed. Je zou kunnen zeggen, wat heeft het beeld te maken met de klei waaruit het gemaakt is? Het beeld is een afgewerkt geheel dat geconstrueerd is en dat iets betekent. De klei is het vormeloze materiaal waar van alles mee moet gebeuren. Al het materiaal dat ik kreeg was de klei en uiteindelijk maak je daar dan met veel fantasie en techniek een beeld van. Dus in die zin zit er waarheid in, er zit ook veel fantasie in, maar de geest van de verhalen moet wel kloppen. Je mag geen onzin vertellen.

Het boek is opgebouwd uit verschillende compartimenten waar dus de levens, het verhaal, verteld wordt. Nu de mensen die aan bod komen zijn niet op de hoogte van de andere verhalen. Het is de lezer zelf die op het eind eigenlijk een soort van panoramisch beeld krijgt. Nu, mijn vraag is dan, de centrale boodschap van het boek, ergens denk ik is het een waarschuwing voor het utopische denken!

Ja, in zekere zin wel. Dat is natuurlijk niets nieuws. Ik ben niet de eerste die dat beweert. Dat is ook niet mijn doel geweest. Mijn doel was niet: ik wil de mensheid waarschuwen voor de utopie, want dat is al veel eerder gebeurd, zowel in de filosofie als in de literatuur vind je daar heel veel voorbeelden van terug waarvan bijvoorbeeld een ‘1984’ van George Orwell of ‘Animal Farm’ of de Big Brother-idee, of de anti-utopische Russische romans zoals ‘Wij’ van Zamiatin. Enfin een hele reeks. Dus daar is al wel voor gewaarschuwd. Dat was niet mijn doel. Maar uiteindelijk was het toch één van de, als je het dan toch over boodschap wil spreken, ik vind dat geen fout woord, dan is het toch wel één van de boodschappen. Het idealisme is iets gevaarlijks omdat het een richting opgaat die je zelf niet in de hand hebt. Aan de andere kant kun je ook niet zonder een idealisme leven. Wat doe je dan? Dan doe je helemaal niets meer. Dus er komen personages in voor die blind idealistisch zijn. Anderen die heel gericht idealistisch ergens naartoe werken. Anderen die geen ideaal hebben. En allemaal eindigen ze in een bepaalde situatie die ze eigenlijk niet hadden verwacht. Dus is het een waarschuwing? Het is ook een realistische constatering van wat dat doet met mensen, dat idealisme jonge mensen kan opzwepen. Als ze wat ouder worden zijn ze opeens dat ideaal kwijt. Wat is daar dan mee gebeurd? En dan staat er weer een nieuwe generatie op. Het houdt de mensheid ook wel wakker natuurlijk, maar het is altijd bijzonder interessant en tegelijk heel gevaarlijk. Dat is de dubbelheid waar ik heel graag mee speel. Wat interessant is en tegelijk gevaarlijk. 

Het houdt de mensheid wakker zeg je, maar het is ook gevaarlijk. Als we naar die twintigste eeuw kijken, hoeveel miljoen slachtoffers zijn er gevallen!

Dat is het dus juist. Als je ziet van in naam van wat voor idealisme worden mensen dan massaal afgemaakt. Dat is één van de gruwelijkste dingen die je je kunt voorstellen. Elke eeuw heeft wel zo iets. Elke ‘beschaving’ heeft wel zo iets. Het is bijna alsof de mensheid den oorlog, het moorden, nodig heeft als motor om vooruit te blijven komen. Maar dat is een al te pessimistische visie, maar het is wel, mijn boek moet wel een soort staalkaart zijn van kijk dit is wat ideologieën hebben aangericht. En toch nog zijn er altijd mensen die erin blijven geloven. Tot op het laatste moment zijn er mensen die blijven geloven in het ideaal waar ze als jonge mens voor stonden. Dat is wel iets heel merkwaardigs. Iets wat ik toch ook wel in gesprekken heb gehoord, dat mensen vaak ook een harde kern hebben in hun ziel, een vasthouden aan bepaalde ideeën en die, wat er ook gebeurt nooit loslaten. Ook al zien ze dat het hen kapot maakt, of zou kunnen maken. Of al heeft het, in het geval van het Vlaams-nationalisme, van het extreme, niet het Vlaams-nationalisme op zich, maar het echt extreme, dat dat hele families in de vernietiging heeft gestort. En toch nog daarin blijven doorgaan! Dat is iets heel merkwaardigs. Maar dat boeit mij ontzettend om dat te zien, hoe dat gaat.

En dat was nog Johan De Boose over zijn nieuwe roman ‘Bloedgetuigen’, een uitgave van de bezige bij Antwerpen en te koop in de goede boekhandel. En zo dadelijk praten we met Henri Oosthout  over het sceptische denken, maar eerst muziek:

MUZIEK

Vorig jaar verscheen van Henri Oosthout “Het schandaal van de filosofie. Hoofdlijnen van het sceptische denken van de oudheid tot heden”. Het is een monumentaal boek, waarin doorheen de hele geschiedenis van de filosofie het scepticisme wordt belicht. Maar, vanwaar die titel, het schandaal van de filosofie? Henri Oosthout:

Het schandaal van de filosofie is een uitspraak van Immanuel Kant die gezegd heeft dat het een schandaal is dat de filosofie tot in zijn tijd nog niet een strikt bewijs had gevonden voor het bestaan van een wereld buiten mezelf en voor het bestaan van andere mensen buiten mezelf. Het vertegenwoordigt dus eigenlijk de meest extreme vorm van scepsis. Een scepsis die vooral voor filosofen interessant was, namelijk de twijfel aan het bestaan van de wereld.

Uit uw boek blijkt duidelijk dat het scepticisme doorheen de geschiedenis van de filosofie geen uniforme houding was, geen standaardreactie op filosofische stellingen of uitspraken. Integendeel, schrijft u, de scepticus heeft zich in de geschiedenis van het Westerse denken vele rollen aangemeten!

Dat is inderdaad zo. De scepsis is niet nauwkeurig te definiëren. In de oudheid had je al een verschil tussen een relativerende en een dogmatische scepsis. Sommigen meenden zeker te weten dat men niets wist, wat natuurlijk eigenlijk een dogmatische uitspraak is. Waarop anderen zeiden, ja maar, ook dat is niet zeker, dat je niet weet. Sommige sceptici gebruikten hun kunst, hun vaardigheid, om een discussie te winnen. Concurrerende filosofische scholen hun leerlingen af te snoepen. Terwijl andere sceptici zeiden, neen, je moet juist mensen opvoeden, je moet ze bevrijden van hun dogmatische twijfels. Dan werd je dus een soort arts, zeg maar. Vele latere sceptici waren ook arts. Maar er zijn ook sceptici geweest die hebben gezegd, kijk als je aan alles twijfelt dan kan je net zo goed je houden aan het bestaande en dan word je een conservatief. In het ergste geval verval je tot lethargie of onverschilligheid. Er zijn sceptici die hebben gezegd, we moeten het probleem filosofisch aanpakken. Dus we moeten wel onze sokken ’s morgens aantrekken en naar ons werk gaan, maar we moeten ’s avonds in de leunstoel gaan twijfelen aan het bestaan van de buitenwereld. Zo is er dus een hele variatie aan sceptici geweest, maar die natuurlijk wel allemaal dat ene uitgangspunt hadden, namelijk scepticos zijn, dat wil zeggen naar het Grieks onderzoeken en niet voetstoots aannemen wat anderen als vanzelfsprekend beschouwen.

De scepsis waarover u het in uw boek heeft is geen gelegenheidstwijfel of het ongeloof waarmee de term in het dagelijks spraakgebruik min of meer samenvalt. Maar, wat is het dan wel?

Zoals ik in de inleiding zeg gaat mijn boek over de filosofische scepsis. De filosofische scepsis twijfelt fundamenteel. Dat wil zeggen dat het niet gaat om de vraag of wat de regering op een gegeven moment beweert wel klopt, of dat de buurman wel de waarheid spreekt wanneer hij zegt dat zijn konijn niet in je tuin is geweest, maar het gaat om de grenzen van onze kennis. Wat kunnen wij weten en hoe kunnen we er achter komen of onze overtuigingen op waarheid berusten? Of kunnen we dat misschien helemaal niet? Bestaat het begrip waarheid eigenlijk niet? Het is dus geen scepsis die in het dagelijks leven voortdurend beoefend moet worden, maar wel een die heel fundamenteel de grenzen van onze kennis onderzoekt.

Vandaar ook dat u zegt dat die scepsis een globaal karakter heeft!

Inderdaad, dat globaal slaat op het feit dat men kennis als zodanig bestudeert, en ook het begrip waarheid als zodanig. Het gaat dus niet bijvoorbeeld om de vraag of deze of gene religie de waarheid verkondigt, maar het gaat dan om de vraag of welke overtuiging dan ook op waarheid kan stoelen en hoe wij dat zouden kunnen weten. De scepticus is dan geneigd om te zeggen, het is vrijwel onmogelijk om te weten of een overtuiging op waarheid stoelt. Zelfs in de wetenschap ga je uit van bepaalde dingen die feitelijk niet te bewijzen zijn.

De scepsis heeft in de loop van de eeuwen evenveel bestrijders gevonden als verdedigers, schrijft u. Maar daarbij maakt u een onderscheid tussen, wat je dan noemt, een dogmatische scepsis en een prikkelende scepsis!

De dogmatische scepsis die vormt eigenlijk een leerstelling op zichzelf omdat de dogmatische scepticus meent te weten wat je niet kunt weten. De prikkelende scepticus zal ook deze stelling uitdagen. Dus de dogmatische scepticus kan wel zeggen, ik weet dat ik niet weet, maar hoe weet hij dat? De dogmatische scepsis is uiteindelijk een doodlopende weg. Je moet ergens beginnen. Bijvoorbeeld een zekere logica accepteren om te kunnen discussiëren. Dus de prikkelende scepsis zal zeggen die dogmatische scepticus dat is eigenlijk een charlatan want die is even erg als de filosofische scholen die wij juist proberen kritisch te onderzoeken.

Uw sympathie gaat duidelijk uit naar de prikkelende scepticus denk ik!

Dat hebt u wel heel goed gezien ja! Ik denk dat een scepticus die zichzelf al te serieus neemt, dat die eigenlijk niet deugt. Een scepticus die moet in zekere zin ook zichzelf af en toe in twijfel trekken, die moet ook zijn eigen stellingen durven kritisch onderzoeken. Maar hij moet wel steeds een open oog houden, hij moet blijven onderzoeken, hij moet steeds scepticos zijn in de oude Griekse betekenis. Dat is dus niet een twijfelaar, maar dat is op de eerste plaats iemand die blijft kijken en blijft onderzoeken.

In het besluit van uw boek formuleert u tien metasceptische overwegingen. Maar, wat bedoelt u met het concept metascepsis?

Dat woord metascepsis dat is eigenlijk niet door mezelf bedacht, maar door een Noorse scepticus. Het probleem is natuurlijk dat de scepsis alles in twijfel wil trekken en dan is het dus eigenlijk niet wenselijk dat juist die scepsis allerlei dingen gaat beweren die al te stellig zijn. Je moet dus jezelf op een niveau kunnen plaatsen, als dat althans mogelijk is, boven de scepsis om iets over de scepsis te kunnen zeggen. Dus ik heb heel algemeen wat dingen proberen aan te duiden waarvan ik denk dat het wel min of meer zo is met betrekking tot de scepsis, maar om niet kwetsbaar te zijn voor het verwijt dat ik dan zelf mijn eigen scepsis aan het ondergraven ben heb ik de term metascepsis gekozen. Maar ook hier moet je dan jezelf niet al te strikt en al te letterlijk nemen en al te serieus.

Scepsis is geen botte afwijzing zegt u. Twijfel wordt gevoed door een andere waarneming of door een andere overtuiging of door een ander wereldbeeld. En die houding is ook het vruchtbaarst, schrijft u!

Dat is inderdaad mijn stellige overtuiging, voor zover je van enige overtuiging kunt zeggen dat die stellig mag zijn. Maar ik denk dat er inderdaad meer kwaad wordt aangericht door een al te sterke dogmatiek, in welke vorm dan ook, religieus of politiek of wat ook, dan door iemand die vraagt, is het inderdaad wel zo? Ook hier geldt dan weer: je moet niet al te stellig zijn in je afwijzing, maar je moet blijven kijken, je moet blijven onderzoeken. En vooral jezelf ook niet te serieus nemen. Daar heb ik ook mee afgesloten in mijn boek, ik denk dat dat een zeer belangrijk fundament is voor een maatschappij die vooruit wil en die niet aan verstarring en dogmatisme ten onder wil gaan.

We hebben het al gehad over filosofische scepsis, maar in het boek spreekt u ook over kentheoretische scepsis en existentiële scepsis. Als we het nu hebben over die kentheoretische variant, daarvan zegt u dat je dan ook onmiddellijk moet aannemen: ik ben niet de wereld!

Wat ik zeg is dat de filosofische scepsis, de extreme vorm die zelfs het bestaan van de wereld in twijfel trekt, dat je die kunt neutraliseren of zou moeten neutraliseren door het idee dat met het ik-besef het besef van de wereld al gegeven is. De filosofische scepsis zegt, misschien bestaat de wereld niet en ja, dat mag dan wel zo zijn, maar in mijn beleving bestaat die wel. Uiteindelijk verandert er niet zo heel veel of je nu die filosofische scepsis wel of niet aanhangt. Dat is niet helemaal hetzelfde als de kentheoretische scepsis want de kentheoretische scepsis gaat niet zover, die kijkt toch eerder naar welke overtuigingen kunnen op waarheid berusten en zijn bijvoorbeeld ook bruikbaar in de wetenschap. Je kunt in de wetenschap nagaan wat kunnen wij weten, wat kunnen wij door experiment ondervinden. Terwijl de filosofische scepsis zou zeggen ja, we weten helemaal niets want die buitenwereld bestaat niet eens misschien. En dus er is een verschil tussen filosofische en kentheoretische scepsis. Kentheoretische scepsis is een vakgebied dat vooral in de Angelsaksische landen erg bloeit en waar de gewone mens in het dagelijks leven waarschijnlijk weinig aan heeft. Daar wordt ook nagegaan hoe taal werkt, hoe opvattingen worden verwoord. Terwijl de filosofische scepsis toch dat hele extreme idee is van dat je niet kan bewijzen dat er zelfs maar een buitenwereld is. En dan die existentiële scepsis, dat is toch een heel ander geval. Dat vind je eigenlijk meer in Europa. Dat treedt dus het verschijnsel op dat de absurditeit van de wereld, de twijfel, de onkenbaarheid, zo sterk wordt dat die tot wanhoop drijft. Het type van bijvoorbeeld een Albert Camus, de absurde mens, de absurde wereld, de wereld die redeloos zwijgt, zoals Camus zegt, en de mens die dan schreeuwt om zekerheid maar die zekerheid eenvoudig niet vindt en dan als Sisyfus als het ware een steen de berg oprolt maar die steen valt weer naar beneden want uiteindelijk is elke zekerheid weer twijfel, gaat hij weer terug. Dus dat zijn eigenlijk drie verschillende stromingen, zou je kunnen zeggen.

Maar die radeloosheid van dat existentiële scepticisme is niet noodzakelijk een pessimisme. Het kan ook een kader zijn van zingeving, als je spreekt over Camus bijvoorbeeld!

Ik weet niet of het woord zingeving op zijn plaats is voor een scepticus want ik denk dat de scepticus toch ervan uitgaat dat er heel veel dingen zijn die zin hebben, maar het kan wel een leidraad zijn voor een sceptische levenswandel. Het hoeft inderdaad niet een peilloos wegzakken in melancholie te zijn zoals David Hume schreef. Die zei, ja de scepticus is wel erg aantrekkelijk vanwege zijn filosofische scherpte, maar als ik het teveel doe dan wordt ik ontzettend somber en dan wil ik weg. Dat hoeft die existentiële scepsis niet te zijn. Hij is het bij sommigen wel, maar je kunt het ook beschouwen als een voortdurende uitdaging. Bevrijding van dogmatisme kan natuurlijk ook een stimulans zijn en positief werken. Ik denk ook niet dat iedere existentiële scepticus in het dagelijks leven ontzettend somber hoeft te zijn. Maar goed, in de literaire vorm neemt het dat karakter vaak wel aan. Het is misschien ook een spel van een auteur om dat enigszins te overdrijven. Persoonlijk denk ik niet dat iemand die erkend dat de wereld absurd is, dat hij daarom somber moet zijn. Integendeel, dat kan een zeer bevrijdende conclusie zijn. Ik heb zelf ook het idee dat er maar weinig dingen zijn die zin hebben, en dat er ook maar weinig dingen zijn die niet absurd zijn, maar dat belet je toch niet om voor je kinderen te zorgen en je medemensen fatsoenlijk te behandelen.

Of dikke boeken te schrijven!

Of af en toe een heel dik boek te schrijven.

Tot slot, als ik nu zeg dat voor mij als vrijzinnig humanist iedere waarheid hypothetisch, voorlopig en beperkt is, ben ik dan een scepticus?

Of u dan een scepticus bent in de zin die ik zonet heb beschreven dat weet ik niet want dat zou ik toch meer van uw gedrag en uw opvattingen moeten weten, maar u hangt dan wel een belangrijke stelling van de scepsis aan, dat is natuurlijk zeker waar. De scepticus zegt, je moet alles onderzoeken, dat houdt in dat je overal een vraagteken bij plaatst. De meeste sceptici zullen zeggen inderdaad, iedere waarheid is hypothetisch. De echte waarheid, zo die al bestaat, is waarschijnlijk volstrekt ontoegankelijk voor ons.

En tot zover nog Henri Oosthout. Zijn boek “Het schandaal van de filosofie. Hoofdlijnen van het sceptische denken van de oudheid tot heden” is een uitgave van Klement/Pelckmans en is te koop in de goede boekhandel.
En daarmee zijn we aan het eind aan HVW. Samenstelling en presentatie waren van FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel. 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op h-vv.be waar je de uitzending nog even kunt herbeluisteren.
Volgende week praten we met Rob Devos over zijn boek “Biopolitiek en postfordisme” en is er ook een bijdrage van het VF.
Dit was het wat ons betreft, nog een goede avond en graag, tot volgende week!
--

Muziek
10”    High Heels – Sakamoto            Sakamoto        262975
40”    The Happy Sheik – R.Abou-Khalil        R.Abou-Khalil        ENJ-93302

 

Valide CSS!