Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow Het boeddhisme in Belgie - Ton Vink over Hume
Het boeddhisme in Belgie - Ton Vink over Hume

HVW – HVR

 

Uitz.: 26.04.10

Opn.: 22.04.10

Real.: Frank Stappaerts

 

Het boeddhisme in België / Ton Vink over Hume

 

Beginwijs

--

Goedenavond luisteraar en welkom in HVW. Straks, later in de uitzending, praten we met Ton Vink over “Humanisme en verlichting en de postume essays van David Hume”. Maar we starten met het boeddhisme. Eind vorig jaar gaf de Boeddhistische Unie van België, of kortweg BUB, een persconferentie waarin een stand van zaken omtrent het boeddhisme in België, en zijn erkenning, werd voorgesteld. Maar het verhaal van het boeddhisme in België is al veel ouder. Aan Michel Depreay en E,;del Maex, respectievelijk voorzitter en algemeen secretaris van de Boeddhistische Unie, vroegen we hoe het boeddhisme is gekomen tot wat het nu is. Michel Depreay:

 

Vanaf het begin van de twintigste eeuw is er in België veel belangstelling voor het boeddhisme, maar die belangstelling was vooral te vinden bij wetenschappers, in universiteiten en zo. Rond de jaren vijftig heb je dan verenigingen zien ontstaan of groepen van mensen die zich geïnspireerd voelden door het boeddhisme en begonnen zijn met onder meer meditatie te beoefenen. Het is dan in de jaren zeventig dat een echte explosie van zulke groepen gebeurd is, steeds meer mensen die tot centra gekomen zijn en die de wens hadden om te mediteren en die weg te volgen, zich te laten inspireren door de leer van de Boeddha. Op een bepaald ogenblik is ook de wens gekomen om een unie te creëren en dat is dan de BUB geworden, dus een koepelorganisatie van die verenigingen, zestien op dit ogenblik. Die zestien verenigingen vertegenwoordigen eigenlijk, of tot die verenigingen behoren, meer dan vijftig groepen in het hele land, en dat worden er steeds meer. Je voelt dat die belangstelling voor een praktijk steeds groeit. Die koepelorganisatie is onder meer ontstaan door de wens van mensen die eraan dachten ook een erkenning na te streven. Ik zal niet zeggen dat dat de hoofdzaak was, want natuurlijk was er ook de wens om elkaar te ontmoeten, om elkaar te leren kennen, ook uit belangstelling voor de leer van de Boeddha, hoe ze vanuit verschillende poorten benaderd wordt, vanuit verschillende invalshoeken. Dat is natuurlijk een verrijking voor iedereen. We zouden ook kunnen zeggen dat dat uniek is in de geschiedenis van het boeddhisme, omdat die verschillende tradities die overal in Azië bestonden en nauwelijks of helemaal geen contacten meer hadden met elkaar, zich nu terugvinden hier in Europa, in ons geval in België. En ze komen tot contacten die heel rijp kunnen zijn. Dat is een eenmalige situatie en dat is natuurlijk heel boeiend.

 

Toen we de erkenning aanvroegen, hebben we daar nogal wat werkvergaderingen en weekends met alle verenigingen lang over nagedacht: willen we dat doen? Heeft dat zin? Heeft dat geen zin? Op welke manier willen we dat dan? En dan is er de typisch Belgische situatie, waar enerzijds erediensten erkend worden, en aan de andere kant, ten behoeve van de vrijzinnigen, is er ooit een grondwetswijziging gebeurd dat ook – een hele mond vol – morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing erkend wordt. Dus zaten wij met de vraag: ja, waar horen wij nu thuis? We hebben ons afgevraagd hoe we het woord eredienst kunnen stretchen zodat we daaronder vallen en dat leek ons een onmogelijke opdracht. En morele dienstverlening, het klonk een beetje droog op het eerste gehoor, maar eigenlijk is het wat het boeddhisme altijd gedaan heeft, in zijn hele geschiedenis. Waar een eredienst eigenlijk een dienst is gericht tot een opperwezen, is het boeddhisme altijd dienst geweest, dienstverlening aan mensen. Dat is de hele geschiedenis van het boeddhisme altijd geweest, van bij het prille begin tot nu. Dus werd het heel duidelijk dat we ons moeten terugvinden onder die tweede paragraaf van het grondwetsartikel rond die erkenningen, en dan hebben we ook op die manier onze erkenning aangevraagd.

 

Tijdens die lange weg naar die erkenning hebben jullie ook, ik denk vorig jaar, een enquête opgesteld waarin jullie peilen naar het beeld en de verwachtingen van de Belgische bevolking ten aanzien van het boeddhisme. Nu, in grote lijnen, wat waren de voornaamste vaststellingen?

 

Die peiling heeft laten zien dat het publiek over het algemeen heel open was, dat de Belgische maatschappij heel open was voor het boeddhisme. Verder kunnen we misschien zeggen dat het boeddhisme een heel goede naam, een heel goede reputatie heeft. De meeste mensen vinden dat de waarden van het boeddhisme de moeite lonen om onderwezen te worden, bijvoorbeeld. Dus een heel positief beeld van het boeddhisme over het algemeen.

Wat ook interessant was, is het feit dat, als de mensen gevraagd worden naar de religies, de tradities die zij kennen, ze het boeddhisme benoemen. Dan komt natuurlijk het christendom als eerste gekende traditie, dan komt de islam en dan het boeddhisme op de derde plaats. Dat betekent dus dat de mensen het boeddhisme wel kennen.

 

Wel kennen en niet kennen natuurlijk, want blijkt ook dat er toch grote behoefte is aan meer informatie. Grote interesse, men kent het boeddhisme, maar de kennis blijft nog vaag op dit moment. We merken ook een behoefte en een vraag om het boeddhisme beter te leren kennen, en dat is iets waarop we toch moeten kunnen inspelen, op die vraag van de mensen om daar meer over te weten en beter te begrijpen en beter te leren kennen.

 

Zou je nu ook uit die enquête kunnen besluiten dat het boeddhisme meer is dan een modefenomeen?

 

Absoluut! Ik weet niet of je dat zozeer uit deze enquête moet besluiten, maar het is gewoon een globaal fenomeen op dit moment dat het boeddhisme, dat ooit eens van India naar China en Japan gegaan is en meer naar het zuiden, naar Sri Lanka, nu een overstap aan het maken is naar het westen. Dat is niet alleen in België maar in de hele westerse wereld stilaan bezig om een belangrijke westerse traditie te worden die ook bezig is om zich te emanciperen van zijn Aziatische roots. En dat het hoe langer hoe meer een westers fenomeen aan het worden is.

 

Dus eigenlijk kunnen we een westerse variant van het boeddhisme verwachten!

 

Over een paar honderd jaar zullen we dat weten. Ik vind het bijzonder interessant om bijvoorbeeld te lezen over de geschiedenis van hoe het boeddhisme van India naar China gegaan is, de zogenaamde sinificatie van het boeddhisme, bijzonder boeiend, en eigenlijk zien we hier nu iets gelijkaardigs gebeuren. Dat is natuurlijk een proces van een paar eeuwen. Wij zullen nooit weten wat ermee gebeurd is, dat is een proces dat zich hoogstwaarschijnlijk op een of andere manier aan het voltrekken is.

 

Inderdaad, het is een feit dat het boeddhisme zich altijd aangepast heeft aan de cultuur, aan de maatschappij die het onderweg ontmoette. Wat ergens anders gebeurd is, is hier aan het gebeuren.

 

Dit programma heet Het Vrije Woord, het is een vrijzinnig-humanistische uitzending. Kun je nu als boeddhist ook vrijzinnig-humanist zijn of kun je als vrijzinnig-humanist boeddhist zijn?

 

Ik zou zeggen dat mij dat helemaal geen probleem lijkt te zijn omdat de boeddhisten aan de mensen die in de centra komen nooit vragen: wat is uw levensbeschouwing? Waaraan gelooft u? Waaraan gelooft u niet? De mensen komen om te beoefenen. Wat is het doel van deze praktijken in de verschillende centra, in de verschillende tradities? Ik denk dat het altijd gaat om de goede eigenschappen te ontwikkelen die in de mens zijn, in elke mens zijn, want het boeddhisme heeft een heel positief beeld van de mens. Daar gaat het over. En als je daarvoor wordt geholpen door een persoonlijk geloof, is dat allemaal oké. Dus er wordt nooit gevraagd aan iemand een geloof te verzaken, af te vallen. Er word wel over het boeddhisme als over een spiritueel humanisme gesproken. Dat betekent ten eerste dat de mens centraal staat, dat betekent dat wij met het humanisme heel veel gemeen hebben, op ethisch gebied zeker deze optimistische visie van de mens.

 

Anders dan wat wij hier in het Westen gewend zijn, waar we zo gewend zijn om levensbeschouwing erg nauw te verbinden met identiteit, is dat in het Oosten nooit het geval geweest. Dus in die zin hebben wij niet de gewoonte om aan onze mensen te vragen of ze zich boeddhist zouden noemen; we hebben zelfs niet de gewoonte om ze te zien als boeddhist. En als ik kijk in onze groepen, dan komen daar vrijzinnig-humanisten, daar komen christenen, daar komen moslims, daar komen mensen van allerlei slag, daar komen zelfs mensen die zich graag boeddhist willen noemen. Maar zo belangrijk is dat niet. Het is inderdaad een dienstverlening aan mensen, ze vinden daar iets waaraan ze behoefte hebben. Het is een praktijk, het is niet een soort identiteit. Het is een beoefening, het is een praktijk die mensen iets bijbrengt, en dat is belangrijk. En of die mensen zich nu definiëren als iets of niet als iets, en als wat ze zich dan ook willen definiëren, dat is niet zo relevant.

 

Heel in het bijzonder de waarden en de filosofie van het boeddhisme spreken de mensen aan!

 

Ik denk dat een van de dingen die de mensen aantrekken in het boeddhisme is dat het boeddhisme enerzijds niet in strijd is met onze rationele mensvisie, met onze wetenschappelijke visie. Het boeddhisme heeft helemaal geen probleem met ons moderne westerse wereldbeeld. Het boeddhisme heeft helemaal geen probleem met Darwin, met Newton en met Galilei. En tegelijkertijd heeft het boeddhisme iets in zich van een soort spiritualiteit waar heel veel mensen naar hunkeren, naar voelen. En dat hele conflict, dat ooit merkwaardig genoeg in de middeleeuwen in het Westen ontstaan is, tussen wetenschappelijk denken en spiritualiteit, is een conflict dat wij niet kennen. Dat is gewoon geen probleem. Ik denk dat dat een van de redenen is die mensen aantrekt, dat ze zowel hun rationaliteit kunnen behouden, en tegelijkertijd een soort spirituele diepgang vinden. Dat is volgens mij een van de eerste zaken. En dan ten tweede, wat het boeddhisme biedt, dat is eigenlijk bijna het logische gevolg van dat inzicht, dat is een soort ethiek, maar een ethiek die niet normatief is, die niet prescriptief is. Je zou bijna kunnen zeggen dat wij een poefondervindelijke ethiek hebben, want in het boeddhisme gaat het over het niet veroorzaken van lijden en over inzicht krijgen in de manier waarop wij ons leven tot een hel maken, en op welke manier we dat kunnen voorkomen. Op welke manier kunnen we gelukkig leven en op welke manier creëren we problemen? En de ethiek in het boeddhisme is helemaal vanuit ‘hoe kunnen we dat’, ‘hoe kunnen we lijden vermijden’ en ‘hoe kunnen we welzijn bevorderen’? Wat iets heel anders is dan een normatieve ethiek van ‘dat mag’ en ‘dat mag niet’, en waar mensen het ook beu zijn om in een soort keurslijf van moeten en mogen te zitten.

 

Je had het daarnet over een niet-normatieve ethiek. Nu, voor ons westerlingen is het eigenlijk erg moeilijk om zich voor te stellen wat dat is. Zou je daar een concreet voorbeeld van kunnen geven?

 

Bijvoorbeeld naar aanleiding van recente uitspraken komt men ook aan ons vragen wat het standpunt van het boeddhisme over homoseksualiteit is. Om te beginnen hebben we daar geen standpunt over. Dat zijn geen dingen die je oplost met standpunten. Maar als je de vraag gaat onderzoeken, dan rijst daar de vraag: wat veroorzaakt lijden, wat veroorzaakt geen lijden? En dan is het heel duidelijk dat seksualiteit helaas dikwijls een bron is van lijden, maar dat het daar niet de seksuele geaardheid is waar het lijden zit. Het is niet omdat iemand heteroseksueel is of homoseksueel dat er lijden veroorzaakt wordt. Er wordt onnoemelijk veel lijden veroorzaakt in perfect legitieme relaties tussen getrouwde mensen. Voor ons is die vraag naar homoseksualiteit volkomen irrelevant. De vraag is: op welke manier kan een relatie, een seksuele relatie, heilzaam zijn in plaats van lijden veroorzaken? Dan gaat het over: kun je in een relatie elkaar zien als niet onderworpen aan elkaar? Kun je in een relatie de ander zien als niet-onderworpen aan jouw eigen onmiddellijke behoeftebevredigingen? Kun je de ander als ander respecteren? Daar zitten de belangrijke dingen, daar zitten de waarden. Dat zijn de waarden van het boeddhisme die de mensen ook aanspreken en die over een heel andere discussie gaan als: is dat natuurlijk of niet-natuurlijk? Dat is voor ons een volkomen irrelevante discussie.

 

Tot zover nog Edel Maex, en voordien hoorde u Michel Depreay van de Boeddhistische Unie van België. Wie meer informatie wil over dat boeddhisme, kan terecht op www.buddhism.be.

 

MUZIEK

 

Ton Vink is schrijver en praktijkvoerend filosoof. Hij werkt als counselor samen met Stichting De Einder. Hij vertaalde Humes “Gesprekken over de natuurlijke religie” en recent verscheen van hem “Humanisme en verlichting en de postume essays van David Hume”. Aan Ton Vink dan ook de vraag: wat spreekt je zo aan in David Hume, en wat is zijn hedendaagse belang?

 

Als ik met het laatste zou mogen beginnen, is het hedendaagse belang van David Hume dat hij een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de verlichting is. De verlichting is een wijsgerige en maatschappelijke stroming die tegenwoordig in de belangstelling staat. Hume is daar een bijzondere vertegenwoordiger van omdat hij een speciale positie inneemt. Hij is aan de ene kant een radicale verlichter en aan de andere kant is hij, zou je kunnen zeggen, een conservatieve verlichter, in die zin dat hij met veel voorbehoud zijn wijsgerige theorieën formuleert. Wat mij in Hume erg aanspreekt, is de menselijke kant van Hume. Vandaar dat ik hem ook een duidelijke vertegenwoordiger van het humanisme vind en me er ook al over verbaasd heb dat het humanisme zo weinig oog heeft gehad voor David Hume en altijd bij Immanuel Kant terechtkomt.

 

Je situeert, zei je zonet al, David Hume heel duidelijk als een verlichtingsfilosoof, bij wie het recht op vrije meningsuiting heel essentieel is. Maar tegelijk merk ik nogal wat ongenoegen over het hedendaagse Nederland wanneer het dan die vrije meningsuiting betreft. Vrije meningsuiting is voor jou toch wel iets anders dan schelden en beledigen!

 

Dat is helder, dat zal ik zeker onderschrijven. Je kunt je natuurlijk afvragen: vrije meningsuiting oké, maar om te beginnen moet je dan een mening hebben om te uiten. En dan, zou ik zeggen, moet je ook een mening hebben waar je goed op gereflecteerd hebt, waar je goed over nagedacht hebt, die je vervolgens in de discussie uit en naar voren brengt. Vrije meningsuiting is natuurlijk tegenwoordig een beetje gaan verworden en gaan vervallen tot het claimen van het recht om anderen zo hard mogelijk daar te raken waar het zeer doet. Ik associeer dat niet zo gauw met vrije meningsuiting. Iemand als Spinoza, om een heel bekende naam daarin te noemen, zal ook duidelijk aan de kant staan van het zorgvuldig uiten van een mening en het recht hebben op het uiten van die mening, maar wel het doordenken van die mening.

 

En dat is dan wat je bedoelt in het boek met intellectueel luiken openen of luiken sluiten?

 

Kijk, de indruk die ik in het debat in Nederland heb, is dat het vooral een kwestie is van stellingen betrekken, van het afgeven op individualisering, waar ik een groot bezwaar tegen heb. Men spreekt al heel gauw van een doorgeschoten individualisering, terwijl ik me dan afvraag: laat dan maar eens zien waar die individuen zijn. Ik associeer een individu niet met mensen die allemaal mobieltjes gaan kopen en allemaal achter de nieuwste technieken aan lopen. Ik associeer individuen met mensen die zelf nadenken en tot een zorgvuldig en afgewogen besluit komen. In de Nederlandse situatie… Onze gevallen regering had ‘samen’ tot lijfspreuk gemaakt: samen leven, samen werken. En alles moest opgeofferd worden aan dat ‘samen’. Ook het individu. In mijn ogen sluit je dan de luiken voor bepaalde ontwikkelingen en trek je je terug achter gesloten denken of luiken.

 

Je bespreekt in je boek ook de idee van de autonomie van de mens en de opvattingen van Hume daarover, en die plaats je dan tegenover die van Kant!

 

Dat is een van de dingen die mij zijn opgevallen. Kant is natuurlijk een filosoof die, als het over de verlichting en over autonomie gaat, altijd erbij wordt gehaald. Kants beroemde essay “Was ist Aufklärung?” (Wat betekent verlichting?) wordt er altijd bij gehaald. Het merkwaardige is eigenlijk dat in mijn ogen Kant veel minder een humanist is, een op de verlichting georiënteerd filosoof is. In Kants denken staat vooral de bovennatuur, de noumenale werkelijkheid, centraal. De autonomie van Kant is een autonomie die vooral het noumenale ik, het hogere ik, betreft, en niet het empirische ik. Daarin vind ik dat Hume veel duidelijker de kant van de mens van vlees en bloed kiest, van de mens die nu zijn besluiten moet nemen en nu geconfronteerd wordt met problemen waar hij in zit en waarin hij autonoom, dus vrij, een keus wil kunnen maken.

 

Dus als we het hebben over zelfbeschikking, dan zeg je: geef mij dan maar Hume boven Kant!

 

Ja, ik denk dat Kant ook helemaal niet zo nadrukkelijk die zelfbeschikking erkent. Hume zal dat veel duidelijker doen en Kant zal zich vooral concentreren op het ondergeschikt zijn aan bijvoorbeeld de morele wet. Hume is veel meer iemand die op de individuele mens van vlees en bloed en diens emoties en hartstochten zal mikken.

 

In het boek zijn ook drie essays opgenomen van David Hume. Postuum gepubliceerde essays. Waarom zijn ze postuum gepubliceerd? Is dat toeval of was dat misschien uit vrees dat hij ze niet tijdens zijn leven wou publiceren?

 

Het is zeker niet uit toeval. Ze zijn alle drie postuum gepubliceerd omdat ze uiteindelijk niet bij leven van Hume uit konden komen. Dat heeft natuurlijk met de inhoud van de stukken te maken. Een van de essays die ik eerder heb gepubliceerd in vertaling met inleiding, betreft Humes godsdienstfilosofische werk, “Gesprekken over de natuurlijke religie”. Dat is een onderwerp dat Hume zijn leven lang naar het hart is gegaan, en hij heeft aan dat boek ook zijn leven lang geslepen en gewerkt en bijgewerkt en verfraaid. Maar de adviezen van zijn vrienden die hij raadpleegde, waren altijd: ‘doe het niet, laat het er nooit van komen. Liever niet, en als het dan toch moet, dan in godsnaam maar postuum.’ Dat gold ook voor de twee andere essays, waar dan met name het essay “Over zelfdoding” in zijn tijd enorm veel ophef heeft veroorzaakt, samen met het andere essay “Over de onsterfelijkheid van de ziel”. Dat zijn natuurlijk in religieus opzicht hete hangijzers waarmee hij zijn landgenoten zeer voor het hoofd stootte en die hij bij leven nooit heeft kunnen publiceren. Hij heeft het wel geprobeerd. Dus het is niet zo dat hij erop mikte om ze postuum te publiceren. Integendeel, Hume was iemand die van het leven genoot, ook graag zijn eigen schrijfsels in de hand hield en er bepaald een zekere trots en genoegen in legde om zijn eigen boeken te zien.

 

Zoals je zei, een van de essays heet “Over zelfdoding”. Zelf ben je ook counselor bij Stichting De Einder. Kun je nu uit Humes essay inspiratie halen?

 

Voor mij is het een interessant en ook wel belangrijk essay. Hume geeft hier eigenlijk aan dat er strikt genomen geen redenen te bedenken zijn waarom iemand niet zelf op zeker moment het leven zou kunnen en mogen beëindigen als de omstandigheden hem voor zijn gevoel ertoe noodzaken om dat te doen. Maar Hume onderzoekt dan, laten we maar zeggen, de motieven die je zou kunnen aanvoeren om een soort verbod op die zelfdoding te handhaven. In feite zegt hij: die zijn geen van alle houdbaar. Dat betekent, zegt hij, dat, als mensen ertoe zouden komen om zo’n stap te gaan zetten, er helemaal geen reden is om hen dat te willen verbieden. Hume zegt overigens met nadruk dat hij helemaal niet de mening is toegedaan dat mensen makkelijk of eenvoudig of snel zichzelf van het leven zullen beroven. Hij ging ervan uit dat mensen van het leven houden en ook graag in het leven willen blijven.

 

En zelf, kun je iets doen met die tekst van Hume in jouw praktijk?

 

Het is geen tekst die heel concreet gericht is op de huidige discussie over zelfdoding en hulp bij zelfdoding en euthanasie, en wat daar allemaal bij komt kijken. Het is wel een tekst die vooroordelen uit de weg ruimt, en in die zin, zou je kunnen zeggen, kun je er nog altijd wat mee doen. Als je ziet hoe er in Humes tijd op die tekst gereageerd werd, dan is dat fascinerend om te lezen, zo bizar eigenlijk. Er werd hem van alles voor de voeten geworpen. Ik denk dat dat nog altijd wel geldt, zo hier en daar.

 

Tot zover nog Ton Vink. Zijn boek “Humanisme en verlichting en de postume essays van David Hume” is een uitgave van Damon en is te koop in de goede boekhandel.

Daarmee zijn we aan het eind aan HVW. Samenstelling en presentatie waren van FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel. 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op h-vv.be, waar je de uitzending nog even kunt herbeluisteren. Volgende week zijn we er terug en dan hebben we het, met nogmaals Ton Vink, over zelf over het levenseinde beschikken en heeft KVD het over abortus. Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!

--

Muziek:

10”       High Heels – Sakamoto                                    Sakamoto                                262975

1’30”     Round Midnight – T. Monk                    Monk - Williams - Hanighen       0946 3 94893 2 9

 

 

Valide CSS!