| HVW WF Jacques Pauwels / Jean Paul Van Bendegem |
|
Opname: 07.08.08 Uitz.: 11.08.08 Samenst.: KVD Muziek: 10” Signe E. Clapton E. Clapton 9 45024-2 15” Knot of place and time J. Garbarek J. Garbarek ECM 1880 9811068 1’30” Ahir Chintan/Prem Joshua Chintan/Prem Joshua PJ 06088 Goedenavond en welkom bij HVW, met daarin twee bijdragen. Jacques Pauwels schreef “Europese namen voor de wereld”. Of hoe Europese benamingen en aanduidingen de oorspronkelijke, inheemse namen uitwisten. Kolonisatie via naamgeving, dus. Het WF had een gesprek met de auteur. En nog een boek waar je niet omheen kunt: “Over wat ik nog wil schrijven”. Filosoof Jean Paul Van Bendegem wou nog 10 boeken schrijven, maar komt in tijdsnood. Dan maar alles gebundeld in zijn boek der boeken. Toch had de filosoof nog wat tijd over voor een gesprek met ons. Straks meer daarover, want we beginnen met Jacques Pauwels en zijn “Europese namen voor de wereld”. “Als men bijvoorbeeld specifiek de carrière van Columbus bekijkt, dan kan men gemakkelijk tot de conclusie komen dat Columbus kwezelachtig was, want die gaf overal namen van heiligen: de Maagdeneilanden, of Trinidad, het eiland van de Drievuldigheid, enz. Columbus zag zichzelf als iemand die het christendom naar de overkant van de Atlantische Oceaan bracht, want zijn naam had hem daartoe voorbestemd: hij was Christophorus, dus zoals de Heilige Christoffel die het kindje Jezus op zijn schouders over de rivier meeneemt, nam hij het christendom op zijn schouders over de Atlantische Oceaan. Maar dat was niet de enige reden. Die andere ontdekkingsreizigers waren even kwezelachtig. Het was niet de kwezelachtigheid, het was gewoon de logica van het systeem: het was het christelijke Europa dat zich uitbreidde, dus er moesten gewoon christelijke namen bij te pas komen, anders ging het gewoon niet.” Christelijke namen voor een “Nieuwe Wereld” … Of de legitimatie en kerstening van de Europese veroveringen en kolonisatie door het geven van nieuwe namen. Historicus Jacques Pauwels schreef er een boek over. “Europese namen voor de wereld” heet het. En het WF sprak met de auteur in café Greenwich in Brussel. Een symbolische plek, want ooit was het Engelse Greenwich de navel van de wereld. “Europese namen voor de wereld” gaat over de namen die werden gegeven aan streken en volkeren in de Nieuwe Wereld. Het geven van Europese namen en het uitwissen van inheemse namen moest helpen om de “ontdekte” gebieden in te lijven, de bewoners te beschaven en de Europese aanspraken te rechtvaardigen. In een eerder boek beschreef Pauwels al de geschiedenis van de namen van landen en volkeren van de Oude Wereld. Nu is er dus het logische vervolg. Jacques Pauwels: In dit boek nu komt het vervolg daarop, namelijk de namen van de Nieuwe Wereld, dus voornamelijk Amerika en Australië en zo. Ten gevolge van de reizen van Columbus, Magellaan, Vasco da Gama, en noem maar op. En hier gaat het dus over namen die door Europeanen gegeven werden aan andere delen van de wereld, terwijl het eerste deel ging over namen die aan Europa gegeven werden door niet-Europeanen. Maar u hanteert wel een centrale stelling, uiteraard. Die Europese expansie, het kolonialisme, eventueel het exporteren van de Europese cultuur wordt gedragen of is op zijn minst ook weerspiegeld in de naamgeving in die veroverde, gekoloniseerde gebieden. Als men zich interesseert voor de betekenis en de oorsprong van een naam, dan kan men dat gewoon eventjes opzoeken en, als men er zo een hele hoop verzamelt, er eventueel een soort woordenboek over schrijven – etymologisch woordenboek, onomastisch woordenboek zou de naam daarvoor zijn –, maar dat is dan ook geen geschiedenis. Dus de bedoeling was eigenlijk om die kennis die we ontdekt hebben over de betekenis en de oorsprong van die namen, in te bouwen in een geschiedenis die zin heeft. En er zijn inderdaad die Europese namen die gegeven werden aan andere delen van de wereld, ten gevolge van de Europese uitbreiding overal ter wereld, ontdekkingen en de kolonisatie, het imperialisme als men wil, en inderdaad heeft dat imperialisme, heeft die Europese uitbreiding een onomastische kant gehad, dus een naamgevende kant. Dit blijft nu een beetje theoretisch. Ik kan dus wel het mechanisme begrijpen, op welke manier het gebeurd is, maar kunt u daar ook enkele concrete voorbeelden van geven? Ja, het is heel gemakkelijk. Bijvoorbeeld toen Europa zich uitgebreid heeft met Columbus. Dat was nog het middeleeuwse Europa, het feodale Europa, het christelijke Europa, want Europa was toen het christendom. Dus de uitbreiding van Europa was terzelfder tijd een uitbreiding van het feodale systeem en van het christendom. En als gevolg daarvan zijn de namen die de Europeanen overal ter wereld zijn gaan geven, ook heel dikwijls christelijke namen of namen die kaderen in het feodale systeem, zoals de namen van koningen. Maar heel belangrijk waren dus inderdaad de christelijke namen, want het christendom ondersteunde en wakkerde tegelijkertijd de veroveringen aan en het legitimeerde de veroveringen. Dus het was ook normaal dat de namen christelijke namen waren. Christelijke namen waren het best geschikt om de veroveringen te legitimeren. Als je nu bijvoorbeeld kijkt naar de veroveringen van de Spanjaarden, hoe kun je dat daar nog in aantreffen? Want men heeft het toch nog altijd over de Maya’s, de Azteken, de Tolteken. Dat zijn toch de oude archaïsche namen die gebruikt werden door de bewoners van die regio’s zelf? Inderdaad zijn er bepaalde namen, autochtone namen, inheemse namen dus, die de veroveringen door de Europeanen overleefd hebben. Het beste voorbeeld is Mexico. Dat is een autochtone, Azteekse naam. Maar de oude hoofdstad van de Mexicanen, Tenochtitlán, heet nu Mexico City. Dus die naam is weg. Maar de meeste landen van Zuid-Amerika hebben namen die zij gekregen hebben van de Spanjaarden. Ik zal maar zeggen: Argentinië, zilverland, of Colombia, Columbusland, of Venezuela, klein Venetië. Dat zijn Europese namen. En de namen van steden zijn dikwijls opnieuw godsdienstig getint. Veel steden heten bijvoorbeeld Santiago, de stad van Sint-Jacobus. Of andere heten San José, Sint-Jozef. Er zijn goede redenen voor, want die heiligen, Sint-Jozef en Sint-Jakob, speelden een rol bij de veroveringen. Die moesten helpen. Sint-Jacobus was een strijdvaardige heilige die al in Spanje zelf geholpen had om te vechten tegen de Moren. Dat was Sint-Joris, Santiago Matamoros, de doder van de Moren. En die werd dan in de Nieuwe Wereld Santiago Matindios. Het was ook wel een beetje een evidentie in die tijd. Racisme was misschien minder bekend. Het was bijna iets wat er gewoon bij hoorde. Maar dat superioriteitsgevoel van Europa werd op die manier uitgedragen. Ja, kijk, het Europa dat zich uitgebreid heeft, was zoals gezegd het middeleeuwse Europa. Het was dus het feodale Europa. De mensen in dat feodale Europa waren christenen, die ook overal ter wereld hun godsdienst aan de man en aan de vrouw moesten gaan brengen. Maar Europa was ook het land van blanke mensen. Dus wanneer zij aan de overkant van de oceaan aankwamen, kwamen ze mensen tegen die niet christen waren en ook niet blank waren. Die mensen waren dus op twee manieren inferieur of werden zo bekeken. En het racisme ging inderdaad samen met het religieuze. De intolerantie, de onverdraagzaamheid, en racisme zijn de twee kanten van dezelfde medaille. Je kunt dat nog een beetje terugvinden in een aantal namen die men dan gegeven heeft aan bepaalde bevolkingsgroepen. Ik denk bijvoorbeeld aan Hottentotten, Kaffers, enz. Dat zijn zelfs scheldwoorden geworden, hé? Ja, zulke scheldwoorden zijn inderdaad op die manier ontstaan en die woorden zijn tegenwoordig “politically incorrect”, die mogen zelfs niet meer gebruikt worden. Maar ook veel gewone namen zijn in zekere zin pejoratief getint. Of ze pasten gewoon helemaal niet voor de mensen ter plaatse. Ik denk aan het woord indianen dat Columbus uitgevonden heeft. Hij dacht dat hij in India was, in Azië. Hij noemde die mensen indianen. Die mensen zijn geen indianen. Nu voor ons stoort die naam niet. Wij denken niet dat de term indiaan “politically incorrect” is, maar de mensen ter plaatse denken wel zo. Ik woon in Canada en onze indianen horen zich niet graag indianen noemen. Die noemen zich “the First Nation”, het eerste volk. Of “native people”, dus de autochtone bevolking. Maar noem hen alsjeblieft geen “indianen”, want het stoort hen als men dat doet. Laten we eens eventjes gaan kijken naar de rol van België daarin, want België is ook een koloniserend land geweest. Congo dan, uiteraard, hé. Kan men daar nog sporen terugvinden van dit soort van processen, van dit soort van naamgeving, die dan ook een ideologisch gevolg hebben gehad en die dat meerderwaardigheidsgevoel van de Europeanen, en van de Belgen in dit geval, dan zijn gaan uitdragen? België krijgt in mijn boek geen eigen hoofdstuk. De Nederlanders wel. Nu, Congo zelf was een mooie inheemse, autochtone naam waarvan de betekenis niet helemaal duidelijk is. Men vermoedt dat het “berg” betekent, of zo, want de Congostroom baant zich een weg door de bergen op weg naar de Atlantische Oceaan. Het land heeft die naam dus mogen behouden van België. Dat was tamelijk netjes van ons. Maar aan de andere kant natuurlijk werden door België wel steden in het leven geroepen zoals Leopoldstad en Elisabethville. En dat is ook een mooie oude traditie in de Europese naamgevende geschiedenis. Want de tijd van de uitbreiding van Europa was niet alleen de periode van het feodalisme, maar meer bepaald, wat het politieke systeem betreft, de tijd van het absolute koningschap, van de absolute koningen zoals Fillips II van Spanje en Lodewijk XIV van Frankrijk. De namen van die koningen waren overal rondgestrooid. Bijvoorbeeld Louisiana in Amerika was Louis XIV, Lodewijk XIV. En in de 19e eeuw gaven de Engelsen natuurlijk overal ter wereld de naam van hun koningin Victoria: het Victoriameer, een Canadese provincie die Victoria heet, een Australische staat die Victoria heet, de Victoriawatervallen, noem maar op. Wel, op dezelfde manier hebben de Belgen voortgedaan. Dus die absolutistische traditie om namen te geven van hun koning, dat was heel belangrijk: Leopoldstad, Elisabethstad. Dat is zo de Belgische bijdrage geweest. Niet heel origineel, eigenlijk. De naamgeving in de Belgische kolonie … Niet erg origineel, dus. En stof voor allicht een volgend boek. Dat was Jacques Pauwels over “Europese namen voor de wereld”, uitgegeven bij EPO. En een stevige aanrader. Uw reacties kunt u alvast kwijt bij het WF. Dat vindt u aan de Vrijdagmarkt 24-25 in Gent. Telefoneren kan op 09 224 10 75. En uiteraard is er ook de website: www.willemsfonds.be. Zo meteen Jean Paul Van Bendegem over zijn boek der boeken, maar eerst muziek. En dat doen we met “Ahir” van Prem Joshua en Chintan. “Laat ik optimist wezen en met mijn huidige bezigheden aan de VUB mijzelf een levensduur toekennen die dicht bij het gemiddelde voor mannen aansluit, dus, zegge en schrijve, ik geef mijzelf tot 75 jaar. Laat ik overmoedig wezen en aannemen dat ik mijn volle verstand bewaar tot de laatste snik. Nadenken, lezen, schrijven doe ik met dezelfde energie en bezetenheid als nu vandaag (tenminste, dat denk ik toch, en mijn omgeving is te beleefd om mij tegen te spreken). Dan spreken we over een periode van 75 minus 52 (ondertussen 55, trouwens), zijnde 23 jaar. 23 jaar. Panikeren? Ik zou niet goed weten waarom, het is nog een schone moot om doorheen te bijten.” Filosoof Jean Paul Van Bendegem met nog amper 23 jaar voor zich om de 10 boeken te schrijven die hij zo nodig nog wil schrijven. Te weinig tijd, vindt de filosoof. Dus schrijft hij dan maar zijn boek der boeken. Een echte Russellparadox, want moet je dit boek dan ook meetellen? Hoe dan ook, “Over wat ik nog wil schrijven” gaat over wiskunde, literatuur, stripverhalen, erotiek, vrijmetselarij en nog veel meer. Allemaal boeken die Van Bendegem nog wil schrijven mocht hem de tijd gegund zijn. En de vraag naar welk boek hij dan toch het allerliefst zou schrijven, vindt de filosoof een vreselijke vraag. Terecht … Wat een vreselijke vraag. Ik denk waarschijnlijk omdat ik er nog altijd niet mee in het reine ben, dat besef ik met de jaren meer en meer, het boek over geloof en humor. Toch eens voor mezelf, en oké, als het de moeite is om gelezen te worden, dan ook voor anderen, maar toch in eerste instantie voor mezelf eens werkelijk in het reine komen met dat geloof en wat dat in mijn leven heeft betekend en blijkbaar nog steeds betekent. Laten we eens even gaan kijken naar enkele termen die herhaaldelijk opduiken in het boek zelf en die toch wel de gemoedsgesteldheid een beetje belichten van de auteur zelf, hé. Ik kom regelmatig het woord “rariteitenkabinet” tegen. Ja, dat klopt. Wel, om eerlijk te zijn, zijn het geen 10 boeken maar 11 boeken. Het nulde boek is het boek dat de voorloper is geweest van dit boek. Dat is om het echt complex te maken. En dat boek had als werktitel “Mijn rariteitenkabinet”, want voor een deel is het boek op die manier te lezen. Ik heb bij mezelf gezien dat ik over de jaren heen een aantal interesses heb, zoals iedereen natuurlijk, maar dan toch tegelijkertijd ook gezien dat die interesses nogal heel erg verspreid liggen. Ik hou van muziek, ik ben geïnteresseerd in architectuur, erotiek en pornografie houdt mij ook bezig, ik verzamel stripverhalen … En ergens heb ik ook wel het idee: goh, waarom zijn dit nu al mijn interesses? En waarom ontbreken er zaken in? Met sport bijvoorbeeld kun je mij werkelijk niet charmeren. Dat is uitgesloten. Tot nader order, want je weet maar nooit. Dus, wat is de samenhang tussen dit alles? En in die zin, als ik er dan over begon na te denken wat die samenhang is, dan bemerkte ik dat ik te werk ging zoals men vroeger te werk ging met rariteitenkabinetten. Dus het idee: je hebt iemand, een persoon, die legt een verzameling aan, die verzameling is werkelijk gebonden aan die persoon. En als je die verzameling wilt proberen te begrijpen, dan heb je die persoon nodig. Die moet jou in zekere zin, of niet in zekere zin, die moet jou een rondleiding geven en telkens een uitleg geven: “God, ja, dat staat hier, of dat hangt hier daarom en daarom en daarom. En ik ben toen daar geweest en ik ben dat tegengekomen en door dit en door dat …” Dus die samenhang wordt gecreëerd door de eigenaar van het kabinet. En in zekere zin is dat ook wat ik hier doe in datgene waarover ik wil schrijven. Ik presenteer mijn rariteitenkabinet. Je hebt in zekere zin mij nodig om de samenhang tussen alle zaken te zien. Precies, want dat is hetgeen ook regelmatig aan de orde is: alles houdt verband met alles. Ja, daar ben ik diep van overtuigd. Meer en meer. Oké, startidee is wat iedereen wel kent natuurlijk: het fameuze verhaal dat de afstand tussen twee mensen op aarde gemiddeld 6 is. Daar is discussie over, maar enfin, zo kennen we het. Mijn idee is dat je het ook kunt uitbreiden, niet alleen naar mensen maar ook naar ideeën, opvattingen, processen, gebeurtenissen, noem maar op. Ook naar dat alles. En dan krijg je de meest wonderbaarlijke verbanden. En dat is iets wat mij enorm fascineert. Eigenlijk komt niets in dit universum op zichzelf voor. Het staat altijd in relatie tot iets. De algemene drager daarvan, laten we zeggen de grote algemene noemer, is dat je steeds teruggrijpt naar wiskunde. Ik lees ook regelmatig de passus: “Wat kan wiskunde toch mooi zijn”. Dat is ook iets wat steeds weer opduikt. Is dat een basis van jouw wereldbeeld, waarin uiteindelijk alles te vertalen valt in wiskundige modellen, wiskundige verklaringen, wiskundige formules, enz.? Goh, dat is wel een mooie vraag. Ik heb zeker dat idee gekoesterd. Dat moet ik toegeven. Tijdens mijn opleiding wiskunde, en dan meteen daaropvolgend de opleiding wijsbegeerte, en tijdens mijn eerste onderzoeksjaren had ik effectief dat idee: het moet vertaalbaar zijn in wiskunde. Dat is de eerste opvatting eigenlijk, het is vertaalbaar. En in de tweede plaats: door het vertaalbaar te maken, krijg je een veel duidelijker inzicht, etc. Nu ben ik genuanceerder geworden, maar ik blijf nog altijd dat idee koesteren dat de wiskunde mij toelaat om iets te doen wat ik nog niet ben tegengekomen, tot nu toe, in niet-wiskundige termen. Namelijk het naar boven halen, of het blootleggen, zo je wilt, van verbanden die allesbehalve evident zijn. Dat je plotseling denkt: “Wacht eens even, ah ja, dus daaruit volgt dat en tezamen met dat moet je dus daarop uitkomen en je krijgt een totaal onverwacht verband.” En daar zit een noodwendigheid in. Het is niet het punt dat je zegt: “Ja, maar dat is een bizar gegeven, dat komt eens uitzonderlijk voor.” Nee, het is een regelmaat, maar een regelmaat die wij absoluut niet verwachten. En dat instrument stelt ons in staat om dat met zo’n helderheid aan te tonen. Dat blijf ik effectief nog altijd magistraal vinden. Maar er spreekt wel iets uit dat hele patroon dat je dan hanteert, de wiskunde als een model hanteren om de dingen te begrijpen. De wetenschapper komt daar toch in naar boven, hé? Ja, dat kan ik onmogelijk ontkennen. Ja, ja, dat is mijn manier om tegen de wereld aan te kijken. Waarmee ik uiteraard geen uitspraak doe over hoe mijn medemens tegen de wereld aankijkt. Voor mij is dat de meest vruchtbare, creatieve manier om met de wereld om te gaan. Nu, voor alle duidelijkheid: wat ik niet wil beweren, is dat ik een exclusief wetenschappelijk wereldbeeld zou hebben. De wetenschappen spelen een grote rol in mijn wereldbeeld. Bijvoorbeeld als het gaat om zingeving en zo verder, dan helpen die wetenschappen mij om me een beeld te kunnen vormen, om elementen aan te dragen van een mogelijk antwoord, maar ik verwacht niet dat die wetenschappen zelf mij daarop het antwoord zullen geven. Dus zover ga ik niet. Maar ja, het is leuk. Het blijft voor mij toch een bijzonder aangenaam gevoel dat we in een universum zitten dat voor ons begrijpelijk is. Maar van sommige mensen vind je toch wel dat ze een beetje op het verkeerde pad zijn. Ik denk dat je, als lid van het notoire clubje of groepje mensen die zich geschaard hebben onder de vleugels Skepp, ook sceptisch staat tegenover een heleboel bevindingen die sommige mensen menen naar voren te moeten schuiven. In het boek komt dat ook aan de orde, uiteraard. Daarin ben je tegelijkertijd mild, maar ook wel een beetje scherp voor de mensen die nog altijd achter allerlei parapsychologische en pseudowetenschappelijke verklaringen staan. Het zijn twee zaken die samenlopen. Het ene heeft misschien niet zozeer met de inhoudelijke beweringen te maken die paranormale onderzoekers enz. naar voren schuiven, maar heeft meer te maken met het feit wat ermee gebeurt, in de zin dat het in heel wat gevallen gaat over regelrecht misbruik. En het is dat misbruik dat mij ergert. Dat kan wat mij betreft niet. De andere dimensie is: oké, ik bekritiseer, ik geef argumenten, ik geef overwegingen, eigenlijk een beetje in de hoop – dat is dan, moet ik zeggen, de opvoedende kant die ook in mij heel diep zit –, het idee: kijk, hier zijn argumenten. Als je wilt, please, denk er eens over na. En als je, als je voor jezelf meent hierop een antwoord te hebben, 1° ik hoor het graag, kunnen we verder discussiëren; 2° als je daar geen antwoord op meent te hebben, speel dan het spel toch zo serieus dat je zegt: oké, nu moet ik goed nadenken, dit vraagt om een bijsturing. Als dat kan gebeuren, vind ik dat intellectueel gesproken bijzonder aangenaam. En in die zin ben ik dan dus ook geneigd zeer mild te zijn. Je bent iemand van de generatie die blijkbaar toch ook nog Sherlock Holmes heeft gelezen. Misschien is het toch wel nuttig om mensen die aan parapsychologische en pseudowetenschappelijke theorieën vasthouden, aan te raden Sherlock Holmes te lezen. O, zeer zeker. Ja, ja, ja. Omdat, goh … Heel vaak stelt men Sherlock Holmes voor als een detective die louter logisch-deductief redeneert. En dat zou een beetje bizar zijn. Want als hij enkel alleen dat zou doen, dan zou dat betekenen dat hij uit dingen die geweten zijn, dingen afleidt die daar met noodzaak uit volgen. M.a.w. die eigenlijk impliciet al gegeven zijn. Hoe kan hij dan ooit tot nieuwe gegevens komen? Dat is uitgesloten. Soms zegt men ook wel dat hij aan inductie doet. Wel, dat is een beetje gek, want strikt genomen is elke casus waarmee hij geconfronteerd wordt, een unieke casus. Ik bedoel – hij kan niet vragen: “Wil je de moord nog 10 keer overdoen om te zien of er een patroon naar boven komt?”. Dus het enige wat hij kan doen, is een manier gebruiken die erop neerkomt dat je aan de hand van de concrete gegevens die je hebt in die concrete casus, dus unieke gegevens, maar gekoppeld aan de achtergrondkennis die je hebt van bijvoorbeeld de Engelse maatschappij, van de sociale standen daarin, van het gedrag van criminelen, om in die combinatie daarmee nieuwe gegevens af te leiden die kunnen dienstdoen als een verklaring. Wat is nu het eigenaardige? Dat we die methode eigenlijk al lang kennen. Ze staat op naam van een Amerikaans filosoof, Charles Sanders Peirce, die vreemd genoeg wat vergeten geraakt is, en de belangstelling is nu teruggekomen. Dus nu is dat opnieuw in de mode, zal ik maar zeggen. En die methode heeft de prachtige naam “abductie”. En ik zou er zeker voor pleiten om die methode, en het wordt ook gedaan op het ogenblik, verder uit te werken. Want dat kan een pracht van een instrument zijn. Sherlock Holmes en het nut van de abductieve methode … U kunt er verder over lezen in het boek der boeken van Jean Paul Van Bendegem. “Over wat ik nog wil schrijven” heet het en het werd uitgegeven bij Garant. Met boeken in de kiem over wiskunde, stripverhalen, muziek en vrijmetselarij, maar ook over erotiek en architectuur. En over nog veel meer. 10 boeken in één met de bedenkingen van filosoof Van Bendegem. Uiteraard meer dan een aanrader. Zo, wij zijn aan het einde van HVW gekomen. Uw vragen en bedenkingen kunt u kwijt op onze redactie: HVW, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Telefoneren kan op het nummer 03 233 70 32. En verder is er ook de website van de vrijzinnige verenigingen; daarvoor surft u naar www.h-vv.be. Wij gaan eruit met muziek van Jan Garbarek op de achtergrond, maar volgende week zijn we er weer. We hebben het dan met Johan Braeckman over intelligent design en het VF heeft een bijdrage over “Jonge dromen, oude verhalen’”. Graag tot volgende week. Daaaaag. |