| Freddy Evers: magistratuur en maatschappij |
|
HVW –
HVR
Uitz.: 09.02.09
Opn.: 05.02.09
Real.: Frank Stappaerts
Freddy Evers,
‘Magistratuur en Maatschappij’ / Marleen Easton, diversiteit bij de politie
Beginindicatief
--
Goedenavond
luisteraar en welkom in HVW. Vanavond hebben we het met Marleen Easton over
gemeenschapsgerichte politiezorg en diversiteit. Straks meer daarover, want we
starten met Freddy Evers, vrederechter en voorzitter van ‘Magistratuur en
Maatschappij’ (M&M). En onlangs luidde ‘Magistratuur en Maatschappij’ de
alarmklok. De democratische rechtsstaat, schreven ze, is in het geding. Maar
eerst: waarvoor staat M&M? Freddy Evers:
M&M is een magistratenvereniging die in het begin van de jaren
negentig opgericht is, eigenlijk een beetje als een reactie tegen het
corporatisme binnen de magistratuur waar allerlei verenigingen zijn,
bijvoorbeeld van de hoven van beroep, van de vrederechters, van
politierechters, van onderzoeksrechters enzovoort. Wij hebben dus een globale
groep willen maken die op een kritische manier gaat kijken hoe die magistratuur
functioneert binnen de samenleving. Vandaar ook de naam. Het gaat dus niet over
een soort syndicale beweging die de belangen van de magistraten gaat
verdedigen, maar ze gaat kijken naar wat de functie is van de magistraat in de
samenleving, en daar trachten wij rond te ageren.
Onlangs stelde je
een flagrante overschrijding vast van de scheiding der machten. Waarover gaat
het precies?
Waarschijnlijk is het belangrijk om eerst even te zeggen wat de
scheiding der machten precies inhoudt. Je hebt dus – en dat is gesteund op de
verlichtingsideeën en meer bepaald dan op Montesquieu – de drie staatsmachten.
Bedoeling is dat de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht
gescheiden zijn van elkaar en dat er een soort van balans tussen die verschillende
staatsmachten in stand gehouden wordt. Dat dus de macht van de ene de macht van
de andere beperkt en dat geen enkele van die machten een absolute inspraak in
de samenleving heeft. De evolutie is natuurlijk wel van die aard dat de
uitvoerende en de wetgevende macht een beetje door elkaar aan het lopen zijn.
Je ziet dat de meeste wetten gemaakt worden door de uitvoerende macht, door de
ministers, en dat de wetgevende macht zich meer beperkt tot een controle op de
uitvoerende macht. Nu, de rechterlijke macht staat echt wel in een heel aparte
positie ten opzichte van die twee andere staatsmachten. De onafhankelijkheid
van die rechterlijke macht is essentieel binnen een rechtsstaat en heel zeker
binnen een democratische rechtsstaat.
Wat zich onlangs heeft voorgedaan halverwege de maand december, is dat
de indruk is gewekt – en ik spreek in de voorwaardelijke zin omdat ik mij
uiteraard niet ga uitspreken over de feiten en de consequenties daarvan – dat
er politieke druk zou zijn uitgeoefend naar aanleiding van het Fortisdossier.
Nu, dit is volgens mij een aanleiding om van de magistratuur heel duidelijk te
zeggen dat de rechter een onafhankelijke functie bekleedt binnen de
samenleving. Hij mag dus op geen enkele manier benaderd worden – niet door een
politicus, niet door een gewone burger, door niemand – op het ogenblik dat hij
aangezocht wordt om een of ander geschil te gaan beslechten. Nu moet ik daar
wel een groot onderscheid maken – want voor het publiek is dat allemaal een
beetje één pot nat – tussen rechters aan de ene kant en ambtenaren van het
Openbaar Ministerie aan de andere kant, dus de leden van de parketten. De
rechter is de rechterlijke macht uiteraard, maar de parketmagistraat heeft,
naar mijn gevoelen, een nogal dubieuze functie, in die zin dat hij met zijn ene
voet in de uitvoerende macht staat en met zijn andere voet soms weleens in de
rechtsprekende macht, laten we het zo zeggen. Dat zie je ook aan het feit dat
parketmagistraten altijd deel uitmaken van politieke kabinetten. Bijvoorbeeld
op het ministerie van Justitie zitten verschillende kabinetsmedewerkers die
eigenlijk ambtenaren van het Openbaar Ministerie zijn. Dit toont aan dat zij
een heel andere positie hebben dan een rechter. Het is onmogelijk dat een
rechter in een kabinet zou gaan werken, bij een minister. Dus daar is een
dubieuze toestand. Het is ook zo dat een rechter onafhankelijk is in alles wat
hij doet, terwijl een parketmagistraat binnen een hiërarchie werkt met aan de
top de procureur-generaal van het rechtsgebied, maar eigenlijk daar nog boven
de minister van Justitie. De minister van Justitie, die ook aan een
parketmagistraat kan opleggen om een bepaalde zaak te vervolgen. Hij kan nooit
zeggen: ‘Je mag het niet doen!’ Dat zou natuurlijk iets raars worden. Maar hij
mag dus verplichten om bepaalde zaken te vervolgen. Hoe dan ook heeft die
parketmagistraat ook een, minder grote dan van de rechters, maar ook een
onafhankelijkheid, in die zin dat men aanneemt dat niemand mag tussenbeide
komen op het ogenblik dat zo’n parketmagistraat bezig is met een hangende zaak.
Men mag niet tussenbeide komen in hangende zaken. En als dat gebeurt, dan
overtreedt men de grote regels van onze democratische samenleving.
Vanuit de politieke
wereld wordt de bal nogal eens teruggekaatst naar Justitie. Veel zou te
verklaren zijn door een ‘guerre des juges’!
Ik denk dat men, als we de pers erop nalezen, daar al verkeerd bezig
was, want men heeft het dan eigenlijk over tegenstellingen tussen de parketten
en de rechters. Parketmagistraten zijn geen rechters. Dus ik denk dat men daar
al fout bezig is. Maar het is natuurlijk een algemene houding vanuit de
politiek om alles wat misgaat in de samenleving te gaan afschuiven naar de
rechterlijke macht. Terwijl de rechterlijke macht zelf – en terecht – dikwijls
zegt dat ze moet werken, ten eerste met een gebrek aan middelen, maar vooral met
wetten die slecht in elkaar zitten, waar gaten in zitten, die niet harmonieus
zijn met andere bestaande wetten, waar tegenstrijdigheden zijn, waar
uiteindelijk de rechter verplicht is te gaan interpreteren. Dus ik denk dat de
rechter uiteindelijk een zeer grote rol heeft in het opnieuw zoeken naar
evenwicht tussen al die wetteksten om de geschillen die hem voorgelegd worden
te gaan oplossen.
Over de actuele
crisis vraag je in elk geval openheid en duidelijkheid!
Ik vraag inderdaad dat in alle duidelijkheid zou worden gezegd wat er
precies aan de hand is geweest in die hele hetze die er half december geweest
is, precies om aan de bevolking het signaal te geven dat men het ernstig meent
met dat probleem. Want ik zou tussen haakjes willen zeggen dat indien – ik zeg
nogmaals indien – dit allemaal juist is, we dan moeten vaststellen dat er
desondanks inderdaad geen beïnvloeding is geweest. Waarom? Omdat men daar stond
tegenover magistraten die het been stijf gehouden hebben en gezegd hebben: wij
doen wat we moeten doen, wij luisteren naar niemand. En dat geldt zowel voor de
procedure in eerste aanleg, waar blijkbaar een magistraat van het parket
benaderd zou zijn geweest en die dus zijn standpunt aangehouden heeft, als voor
het hof van beroep, waar de magistraten in een democratische meerderheid
beslist hebben wat hun standpunt was en dat ook doorgedrukt hebben. Want ik wil
toch eventjes zeggen dat in ons systeem, wanneer een zaak behandeld wordt door
drie rechters, er dan een democratisch spel gespeeld wordt. Wanneer één rechter
in de minderheid gesteld wordt, is hij verplicht om zich neer te leggen bij de
meerderheid. Er bestaat geen systeem van dissenting opinions bij ons, dus men
weet niet en men mag ook niet weten wie die ene zou geweest zijn. Men mag daar
ook niet mee naar buiten komen, dat is het geheim van het beraad. Men wordt dus
niet onder druk gezet als men in de minderheid is. Dat is gewoon het systeem.
Je kunt niet met zijn drieën altijd unaniem akkoord gaan over alles, dus de
meerderheid beslist.
Nu we het toch
hebben over het rechterlijk apparaat: de rechtbank die bij de bevolking
ongetwijfeld het meest tot de verbeelding spreekt is het hof van assisen.
Daarover, en over de juryrechtspraak, is de laatste tijd nogal wat te doen!
Dat is natuurlijk het meest actuele op dit ogenblik en ik stel tot mijn
grote genoegen vast dat de Hoge Raad voor de Justitie nu ook van oordeel is,
zoals wij dat al vijftien jaar geleden in een nota uitgewerkt hebben, dat het
assisenhof het best afgeschaft zou worden. Ik denk dat de veranderingen, de
wijzigingen die men vanuit politieke hoek wil aanbrengen eigenlijk de essentie
van het assisenhof helemaal ondergraven. Ik wil het even uitleggen: de jury
beslist over de schuldvraag, en wanneer daarover beslist is, gaat de jury samen
met de leden van het hof, de voorzitter en de twee bijzitters beslissen over de
strafmaat. Als men nu van plan is om, in navolging van wat het Europees Hof
voor de Mensenrechten gezegd heeft, namelijk dat ook de vonnissen van het
assisenhof gemotiveerd moeten worden, zoals elke andere uitspraak dat moet
zijn, dan komen we tot een rare situatie, want in de grondwet staat dat de
assisenjury ‘in gemoede’ – zo staat het
daar – beslist of iemand schuldig is of niet, zonder enige motivering. Dat is
dus eigenlijk, ik ga niet zeggen nattevingerwerk, maar dat is gewoon vanuit de
onderbuik. Ik denk dat als we daar een magistraat bij gaan zetten om die
motivering mogelijk te maken, we dan die beslissing in gemoede uiteraard niet
meer zullen hebben, maar bovendien, dat dan die magistraat of die magistraten,
met hun autoriteit eigenlijk de grote beslissingskracht binnen zo’n groep
zullen krijgen. En dat dan de facto de jury niet meer bestaat. Want we mogen
niet vergeten dat het strafrecht de laatste decennia enorm technischer geworden
is. De vroegere zaken van passionele moorden en eens een of ander zwaar feit
dat in de provincie of in het land gebeurde, goed ja, meestal stond ook wel
vast dat die feiten gebeurd waren en dan was natuurlijk de vraag alleen: is men
dan schuldig of heeft men dat gepleegd vanuit een drang die men niet kon
weerstaan? Dat was altijd hetzelfde spel. Maar nu wordt het werkelijk heel
technisch en krijgt men soms waslijsten van beschuldigingen die geanalyseerd
moeten worden, waar men de kwalificaties moet gaan bekijken, waar zelfs een
normale jurist voor in zijn haar krabt. En dat zou men dan allemaal in gemoede
moeten kunnen beslissen. Ik denk dat dat echt niet meer van deze tijd is, zoals
het ook niet meer van deze tijd is dat die hele procedure mondeling gebeurt.
Het komt natuurlijk uit een tijd dat de mensen niet zo leesvaardig waren als
vandaag. Daarbij komt dat dit, binnen een systeem waarvan men al jaren klaagt
dat het achterstand heeft, enorm belastend is. Dat is misschien een pragmatisch
standpunt, maar uiteindelijk heb je daar drie gerechtsmagistraten, één
magistraat van het Openbaar Ministerie, twaalf juryleden, een griffier, nog een
en ander dat daarrond komt, die gedurende één à twee weken niets anders kunnen
doen dan met die zaak bezig zijn. En dan spreek ik nog niet van de tijd die de
voorzitter van het assisenhof nodig heeft om de zaak voor te bereiden en
daarvoor meestal drie weken of een maand vrijgesteld wordt van zijn ander werk.
Dus rationeel is het ook al niet. Maar ik zeg nog eens: als men de aanpassingen
aan de wet wil doorvoeren zoals dat thans in de pers gezegd wordt, dan – ik zeg
het nogmaals – bestaat de facto de jury niet meer. Wel, schaf ze dan gewoon af!
En dat was nog
Freddy Evers van ‘Magistratuur en Maatschappij’. Zo dadelijk hebben we het met
Marleen Easton over diversiteit en gemeenschapsgerichte politiezorg, maar eerst
muziek:
MUZIEK
Marleen Easton is
voorzitster van het project ‘Diversiteit in diversiteit’, waarvan onlangs de
schriftelijke neerslag is gepubliceerd. Het project was erop gericht om de
verhouding tussen de politie en de diverse groepen in de samenleving te
verbeteren. Het boek kreeg als naam “Out of the box. Een boek om te kleuren en
te denken over interculturaliteit en politie. Diversiteit in diversiteit”. Aan
Easton vroegen we om die titel even te verduidelijken:
Met het oog op het realiseren van een gemeenschapsgerichte politiezorg
is het nodig om buiten de lijntjes te kleuren, over het muurtje te kijken en
ook de bekende paden te verlaten. Dat is een beetje de betekenis van ‘Out of
the box’, dus buiten de bestaande context gaan denken. Vooral omdat je
natuurlijk in een samenleving zit die gekenmerkt wordt door diversiteit, en
wanneer je een gemeenschapsgerichte politiezorg wilt gaan toepassen, dan merk
je dat de gemeenschap niet bestaat, dat er daar een diversiteit in de
diversiteit bestaat. Nu, wat betekent die diversiteit in diversiteit? Het is zo
dat als je kijkt naar de samenleving, je dan allerlei categorieën ziet. Je kunt
onderscheiden maken tussen groepen, bijvoorbeeld op basis van nationaliteit,
maar ook afkomst, leeftijd, handicap, politieke voorkeur, sociale afkomst. Maar
als je een nadruk legt op die categorieën, verlies je soms weleens de
diversiteit binnen die groepen. En het is net diversiteit in die verschillende
groepen wat we wilden aankaarten. Dus het boek is eigenlijk een beetje het
resultaat van een project waarbij we rondetafelgesprekken hebben georganiseerd
in het hele land, waarbij we politiemensen hebben samengezet met burgers van
diverse pluimage als het ware, en we hebben die mensen laten praten over hoe
politiewerk in de praktijk tot stand komt. Wat de problemen daar vooral zijn.
We hebben dat dan opgetekend en ons doel is dat het boek bijdraagt tot het
nadenken over interculturaliteit en politie.
Daarnet sprak je
over gemeenschapsgerichte politiezorg. Ook in het boek wordt er vaak over
geschreven. Wat betekent dit nu juist en hoe is die aandacht voor
gemeenschapsgerichte politiezorg in een Belgische context tot stand gekomen?
De gemeenschapsgerichte politiezorg is de Nederlandse vertaling van
‘Community Policing’, een politiemodel dat in de jaren tachtig zijn ingang
kent. Het komt uit de Angelsaksische landen. Men begon zich vragen te stellen
over de effectiviteit van het traditionele politiemodel, namelijk men is gaan
kijken hoe politiediensten functioneren en men kwam tot een aantal disfuncties.
De relatie met de bevolking verliep niet altijd vlot, er was een laag
vertrouwen van de bevolking in de politie, maar er was bijvoorbeeld ook niet
genoeg informatie aan de bevolking. En mensen die op straat kwamen voor een
betoging, waren niet tevreden met het feit dat de politie daar vooral stond om
hen te belemmeren in de vrije meningsuiting. Dus er was een ontevredenheid, er
groeide als het ware een kloof, en men is gaan zoeken naar een manier om die
kloof tussen bevolking en politie te dichten. Achter Community Policing, dat
eigenlijk een politiemodel is, zit een bepaalde visie, een visie op de rol en
de plaats van de politie in onze samenleving. Dat concept komt neer op vijf
grote pijlers. Men spreekt in termen van dienstverlening, de politie moet ten
dienste staan van de bevolking, die moet doelen nastreven die gerelateerd zijn
aan wat die bevolking wil, dus niet haar eigen doelen, dus die moet vooral
extern georiënteerd zijn, en ook naar alle gemeenschappen, dus niet naar een
paar. Een ander principe is het probleemoplossend werken. Dat betekent dat
wanneer zich problemen in de samenleving voordoen, de politie gaat kijken wat
de oorzaken daarvan zijn, dat ze niet de symptomen gaat aanpakken, maar gaat
kijken wat de oorzaken zijn en gaat proberen om te zien welke bijdrage ze kan
doen om ook aan die oorzaken iets te doen. Een derde principe is dan dat er
politiewerk moet plaatsvinden in termen van partnership, namelijk samen met
andere diensten, niet alleen op het middenveld, niet alleen sociale
organisaties, maar ook samen met overheden, gerechtelijk en bestuurlijk, maar
ook in samenwerking met de bevolking. Dus die politie kan niet meer alleen
zorgen voor die veiligheid, dat moet samen gebeuren. Een vierde principe is
verantwoording. Dus je moet uitleggen wat je doet. Je kunt niet zomaar van
alles gaan doen, je moet uitleggen waarom je bepaalde dingen doet en waarom je
het op een bepaalde manier doet. En ten slotte, het vijfde principe heet
empowerment, in het Nederlands betekent dat bekwame betrokkenheid. Dat betekent
dat vanuit dat politiemodel zowel intern de politiemensen bekwaam betrokken
moeten worden bij de job die ze uitvoeren, ze moeten leren nadenken over wat ze
doen. Niet dat ze dat vroeger niet deden hé, maar nu moeten ze gestimuleerd
worden om ook verantwoordelijkheid te nemen voor de taken die ze uitvoeren in
onze samenleving. Niet alleen de politie intern moet bekwaam betrokken worden,
maar ook de bevolking moet via dat politiemodel veel meer betrokken worden bij
het verkrijgen van een hoge mate van veiligheid, waarvoor ze zelf medeverantwoordelijk
is. Dat is een beetje het idee dat toch wel centraal staat, of de vijf pijlers
beter gezegd, die centraal staan in de gemeenschapsgerichte politiezorg.
Waarom is dat nu belangrijk in België? Dus naast de ingrijpende
structurele hervorming van ons politiebestel, die zich uitte in de wet op de
geïntegreerde politie in 1998, is de gemeenschapsgerichte politiezorg het
culturele referentiepunt in het streven naar een meer democratische politie.
Heel mooie
uitgangspunten, denk ik dan, maar hoe denkt de politie daar zelf over? In een
reactie van, patrouilleagenten weliswaar, lees ik in het boek dat ze daarvoor
geen middelen, geen tijd en ook geen zin hebben!
Daar raak je natuurlijk inderdaad een grote moeilijkheid aan. Het is
inderdaad niet zo gemakkelijk om een concept zoals gemeenschapsgerichte
politiezorg, dat centraal staat in ons politiebeleid dezer dagen, ook in de
praktijk te gaan toepassen. Er is soms een discrepantie tussen wat het beleid
wil en wat er in de praktijk mogelijk is. Dus politiemensen geven inderdaad aan
dat dat niet zo makkelijk loopt. Natuurlijk is dit boek geen wetenschappelijke
studie waarbij al die praktijken in kaart zijn gebracht. Het zijn maar enkele
thema’s die aan bod komen en waar je wat zicht krijgt op het feit hoe moeilijk
dat wel is in de praktijk. Een veel diepgaandere studie die momenteel loopt en
waarvan binnenkort ook de resultaten vrijgegeven worden, is de studie naar wat
het nu concreet betekent om aan gemeenschapsgerichte politiezorg te doen in
multiculturele buurten. Dat is natuurlijk een interessant gegeven omdat dé
gemeenschap niet bestaat, en zeker in een multiculturele buurt is dat niet
gemakkelijk. Wie is dan die gemeenschap? Belangrijk is eigenlijk dat in het
boek nuanceringen worden aangebracht in die toepassing van die gemeenschapsgerichte
politiezorg. Het wordt meteen duidelijk dat het niet zo’n eenduidig concept is
dat zo makkelijk is toe te passen. Politiemensen stellen heel veel vragen bij
dat concept, en dat komt tot uiting in dat boek. Ook de burgers stellen zich
vragen. Sommige burgers willen enkel met de politie geconfronteerd worden
wanneer ze een probleem hebben en willen niet door de week samen gaan zitten
met de politie met het oog op een verhoging van hun veiligheid. Die zijn daar
niet altijd in geïnteresseerd! Dus je hebt natuurlijk beide partijen nodig om
dat te doen. Dus het is terecht. Er is een groot probleem in de zin van de
toepassing van die gemeenschapsgerichte politiezorg. Dat is inderdaad een
proces. Het politiebestel is nog volop bezig met het zoeken naar methoden om
dat geïmplementeerd te krijgen. Maar we mogen natuurlijk niet vergeten dat er
momenteel op het terrein heel hard gewerkt wordt aan die implementatie, dat er
heel veel mensen op het terrein daarmee bezig zijn, ook korpschefs die dat
proberen te stimuleren, die hun best doen om dat ook te vertalen en uit te
leggen aan hun politiemensen. En ook op het beleidsniveau zijn er heel wat
mensen die trachten om dat vertaald te krijgen. Ook dit boek is op die manier
een poging om dat te gaan vertalen.
Maar lopen we in
ons land niet het risico om die gemeenschapsgerichte politiezorg te veel als
een dogma te gaan beschouwen? Met andere woorden, is er nog voldoende ruimte
voor regionale en lokale inkleuring, voor evolutie en pragmatische oplossingen?
Inderdaad, een dogma zou natuurlijk impliceren dat er niet onderzocht
wordt of de stellingen die daarin aan bod komen, of de meningen die daaraan
vastgehecht zijn, waar zijn, dat het zonder mee voor waar wordt aangenomen,
maar ik denk dat we net met dit boek proberen om die valkuil te vermijden. We
geven eigenlijk aan dat er niet één manier is waarop die gemeenschapsgerichte
politiezorg in de praktijk kan worden toegepast. Wie een receptenboek of een
aantal standaarden zoekt in dit boek, komt bedrogen uit. Het boek heeft veel
meer als doel om mensen aan te zetten om na te denken over de complexiteit en
de moeilijkheid om het in de praktijk te gaan toepassen, enerzijds. Een tweede
punt misschien toch wel om hier aan te stippen is dat de gemeenschapsgerichte
politiezorg wel een visie op politiezorg blijft, een politiemodel, een abstract
gegeven, en de uitdaging zit hem in de vertaling naar het terrein, zoals ik
daarnet al zei. Nu, als je die politieorganisatie in de praktijk bekijkt, zie
je dat dat meestal een combinatie is van modellen, als je het dan theoretisch
bekijkt. Dus het risico bestaat er inderdaad in dat men ervan uitgaat dat dit
het enige politiemodel is dat voor de toekomst geldig is. Natuurlijk is het wel
het model dat ons kan brengen tot een meer democratische politie. En we mogen
natuurlijk niet vergeten dat in de memorie van toelichting op de wet op de
geïntegreerde politie er expliciet voor is gekozen. Dus ja, in een democratisch
land, als het is beslist, dan denk ik dat de richting duidelijk is.
Tot zover nog
Marleen Easton. Het boek “Out of the box. Een boek om te kleuren en te denken over
interculturaliteit en politie. Diversiteit in diversiteit”, is een uitgave van
Politeia en is bij de uitgeverij te verkrijgen.
Daarmee zijn we aan het eind van HVW.
Samenstelling en presentatie waren van FS. De tekst van dit programma kun je
bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018
Antwerpen. Tel.: 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op www.h-vv.be. Volgende week zijn we er weer en
dan praten we met Francine Mestrum over het Wereld Sociaal Forum en is er ook
een bijdrage van het WF.
Dit was het wat ons
betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!
Muziek:
10” High Heels – Sakamoto Sakamoto 262975
50” Into
the dark – M. Moulin M.
Moulin 072435341292 0
|