| Francine Mestrum over ontwikkelingssamenwerking / Levensbeschouwing in het middenveld |
|
HVW – HVR Uitz.: 03.03.08 Opn.: 28.02.08 Real.: Frank Stappaerts Francine Mestrum over ontwikkelingssamenwerking / Levensbeschouwing in het middenveld: cement of segment? Beginindicatief -- Goedenavond luisteraar en welkom in HVW. Vandaag hebben we het over “Levensbeschouwing in het middenveld: cement of segment?”, de titel van een recente publicatie die is uitgegeven door Motief en de Werkplaats voor Theologie en Maatschappij. Later in de uitzending praten we erover met Remi Verwimp en Rosalie Heens, maar we starten met Francine Mestrum. Thema’s als ontwikkelingssamenwerking en ontwikkelingshulp brengen nog steeds, en elk jaar opnieuw, duizenden vrijwilligers op de been. Dat gebeurt met de beste bedoelingen, maar meer en meer worden toch wel het nut en de effectiviteit van die ontwikkelingshulp in vraag gesteld. Niet de solidariteit is het probleem, die zullen we nog meer dan ooit nodig hebben, maar wel onze visie op hulp. Zo bijvoorbeeld de klemtoon op ‘ontwikkeling’ of op ‘armoedebestrijding’. Een gegeven dat historisch geduid kan worden! Francine Mestrum: Inderdaad. Ik denk dat we dat het best kunnen uitleggen als we naar de geschiedenis kijken, want het hele ontwikkelingsproject is ontstaan na de Tweede Wereldoorlog en vooral sterk ontwikkeld na de onafhankelijkheid van de kolonies, dus vanaf de jaren zestig. Als je de documenten van de VN analyseert, waarin toen heel veel over ontwikkeling werd gesproken, dan zie je dat ontwikkeling inderdaad een omvattend proces was: economische ontwikkeling, sociale ontwikkeling, politieke ontwikkeling. Die economische ontwikkeling sloeg toen vooral op industrialisering. Het hele ontwikkelingsproces was werkelijk een project om de economische en maatschappelijke structuren in een land te moderniseren. Het was een emancipatorisch project. Dat was ontwikkeling! Dat is in de loop der jaren volledig weggevallen. Vandaag hebben we enkel nog armoedebestrijding, wat zeker nodig is, maar wat onmogelijk is zonder dat omvattende ontwikkelingsproces. Een belangrijk probleem is toch wel: hoe evalueer je ontwikkelingshulp? Een erg complexe materie, lijkt me! Het is inderdaad een heel erg complexe materie. Volgens sommigen heeft ontwikkelingshulp helemaal niets opgeleverd tot hiertoe. Volgens anderen heeft die hulp wel geleid tot meer groei, tot de verbetering van sociale indicatoren zoals kindersterfte, alfabetisering, levensverwachting enzovoort. Je krijgt dus de meest tegenstrijdige gegevens daarover en dat komt omdat het heel moeilijk te evalueren is. Een praktisch voorbeeld misschien in dit verband: het boekje dat in het najaar is verschenen in verband met de zogenaamde foute ontwikkelingshulp die in België werd gegeven door de ngo’s, gaat juist daarvan uit. In dat boekje wordt er een aantal terechte problemen aangegeven, maar men doet alsof ontwikkeling een goed doel is en men doet alsof elke cent van die ontwikkeling naar een arm land of naar arme mensen zou moeten gaan en dat is natuurlijk een totaal foute benadering. Voor ontwikkeling en om dat ontwikkelingsproces goed op gang te brengen, moet je ook hier in het Noorden – en ik zou zelfs zeggen vooral hier in het Noorden – investeren, mensen beïnvloeden, proberen een aantal processen op gang te brengen. Dus het is zeker niet zo dat elke cent van ontwikkelingshulp naar de derde wereld zou moeten gaan. Dat is niet het geval. Het blijft iets wat heel moeilijk te evalueren is. Er zijn goede methodes voor, maar je moet in eerste instantie – en daar ontbreekt het aan, denk ik – een goede definitie hebben van wat je ontwikkeling noemt en hoe je dat wilt bereiken. Kort samengevat, wat zijn je voornaamste bezwaren tegen de officiële ontwikkelingshulp, zoals ze thans bestaat dan? De officiële ontwikkelingshulp is in eerste instantie wat men noemt ‘donor-driven’, waarmee ik bedoel: wij zijn het die beslissen wat we zullen geven, aan wie we zullen geven, en waarvoor we zullen geven. En ook al is het officiële principe nu ‘ownership’, waarmee we bedoelen dat het de arme landen zelf zijn die moeten beslissen wat ze met het ontwikkelingsgeld zullen doen, in de praktijk komt daar nog altijd niet veel van terecht. Het zijn nog altijd wij die beslissen wat we zullen doen. Vandaar dat je een heel proces krijgt, dat heel vaak omgekeerde ontwikkelingshulp wordt genoemd, waardoor je ziet dat we eigenlijk meer uit de ontwikkelingslanden halen dan wat we erin steken, dus dan wat we geven aan ontwikkeling. Ik verwijs naar de schuldenlast, ik verwijs naar grondstoffenexploitatie, op dit ogenblik is dat iets positiever, maar het is twintig à dertig jaar lang een heel negatief proces geweest. Zo zijn er een aantal zaken waardoor je ziet dat het toch de rijke landen zijn die beslissen wat de arme landen mogen krijgen, waarvoor ze dat mogen gebruiken, en daar loopt heel veel fout, denk ik. Tal van bedenkingen, tal van bezwaren, maar toch worden vele mensen in ontwikkelingslanden daardoor geholpen, door die hulp! Het zou maar erg zijn mocht er absoluut niemand door geholpen worden. We moeten ons wel afvragen wie er het meest wordt geholpen. Het zou kunnen dat het de rijke landen zijn die er het meest uit halen. Het zou ook kunnen dat het de rijke elites in rijke landen zijn die er het meest uit halen. Als je kijkt naar de armoedecijfers, dan kun je echt niet tevreden zijn met het resultaat van de ontwikkelingshulp. Dus er zal zeker altijd iemand mee geholpen worden, maar wie er het meest mee geholpen wordt, dat is nog de vraag. Een derde van het hulpvolume van de officiële hulp is de zogenaamde particuliere hulp van ngo’s over doe-het-zelfhulp tot filantropie. Hier ontbreekt het vooral aan transparantie, maar ook aan coördinatie, lijkt me! Het grootste probleem is dat de hulp enorm versnipperd is. Iedereen komt met zijn projectje, ook al mogen de ngo’s nu niet meer met projecten werken maar met programma’s. Maar toch blijft die projectfilosofie voor een heel groot stuk overeind. Dat betekent dat iedereen iets gaat doen en dat heel veel mensen met de beste bedoelingen denken ook hun eigen projectje te kunnen opzetten ergens in een arm land waar zoon of dochter even stage heeft gelopen. Zo belanden we opnieuw rechtstreeks in de liefdadigheid van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw. Dat kan de bedoeling niet zijn! En opnieuw wordt er altijd wel iemand mee geholpen, maar heel vaak is het toch een oefening om het eigen geweten van de rijke mensen te sussen. Maar hoe pak je die problemen dan aan? Zolang er al over hulp wordt nagedacht, zal er ook wel aan het hervormen van die hulp zijn gedacht! Maar verandert er iets? Er verandert iets, maar het verandert niet altijd in positieve zin. Daarom denk ik dat we de hele ontwikkelingssamenwerkingsoefening absoluut over een heel andere boeg zullen moeten gooien, dat we echt een trendbreuk moeten proberen te verwezenlijken. Daarmee bedoel ik dat we in eerste instantie meer hulp moeten geven. Ik herinner eraan dat België ook vorig jaar weer te weinig ontwikkelingshulp heeft gegeven. Terwijl men beloofd had op weg te zijn naar 0,7%. We komen daar niet. Er moet meer hulp gegeven worden. De aanpak zal ook moeten veranderen, denk ik. We moeten die versnippering absoluut stopzetten. Dus persoonlijk ben ik voor een mondiaal ontwikkelingsfonds bij de VN. Als dat niet mogelijk is, laten we het dan op Europees niveau doen, maar laten we de fondsen bundelen die voor ontwikkelingssamenwerking beschikbaar zijn en dat geld op een andere manier beschikbaar stellen. Laten we ook een kans geven aan arme landen en aan arme mensen om zelf te beslissen wat zij met ontwikkeling bedoelen en laten we ophouden met het heel erg betuttelende paternalistische gegeven van de armoedebestrijding. Bovendien is nog eens gebleken dat die armoedebestrijding niet lukt. De cijfers zijn ook opnieuw verbeterd door de Wereldbank voor de zoveelste keer. De millenniumdoelstellingen zullen niet gehaald worden. Dus ik denk dat we alle redenen hebben om dringend te beginnen met het debat om het over een andere boeg te gooien. Want als in 2015 wordt vastgesteld dat die millenniumdoelstellingen niet gehaald zullen zijn, dan vrees ik dat we voor heel erg moeilijke discussies staan en dat heel veel mensen ontgoocheld zullen zijn omdat er dan inderdaad niets veranderd zal zijn. Met andere woorden, zegt u, er zijn oplossingen, maar we zijn verplicht om te erkennen dat we nemers zijn en geen gevers! Inderdaad! Tot zover nog Francine Mestrum over ontwikkelingssamenwerking. Zo dadelijk hebben we het over levensbeschouwing in het middenveld, maar eerst muziek! MUZIEK “Levensbeschouwing in het middenveld: cement of segment?” is de titel van een recente publicatie, die verscheen onder redactie van Rosalie Heens, en waarin de vraag gesteld wordt naar de rol en betekenis van levensbeschouwing in het Vlaamse middenveld. Het boek geeft géén representatief beeld van dat middenveld. Het wil wél een aantal relevante tendensen, knelpunten en kansen opsporen en duiden. Remi Verwimp en Rosalie Heens, jullie zijn beiden actief binnen de Werkplaats voor Theologie en Maatschappij, samen met de vzw Motief, uitgever van de publicatie. Nu, hoe hebben jullie dat onderzoek aangepakt? Wij kregen de kans om het stageproject van een student culturele antropologie te begeleiden dat hij zou doen rond levensbeschouwing in de hedendaagse maatschappij. Wij hebben samen met hem een lijst van organisaties opgesteld waarvan we het belangrijk vonden dat ze iets te zeggen hadden over het thema levensbeschouwing vandaag in onze maatschappij. Die student is bij die organisaties diepte-interviews gaan afnemen waarin gepeild werd naar hoe ze levensbeschouwing een plaats gaven in hun eigen organisatie, hoe ze daarmee omgingen in samenwerkingsverbanden en welke visie ze hadden op levensbeschouwing in de maatschappij. Van die interviews hebben we dan een rapport gemaakt, dat ook gepubliceerd werd, en in die publicatie hebben we ook een tiental reflecties opgenomen van deskundigen die hun mening en hun visie gaven over dit onderwerp. In onze ontzuilde maatschappij, of althans dat wat ervoor moet doorgaan, lijkt het me dat levensbeschouwing sterk aan belang heeft ingeboet. Is dat ook jullie bevinding met betrekking tot het middenveld? Ik denk inderdaad dat met de formele ontzuiling, die in elk geval inderdaad een zekere graad van ontzuiling heeft bereikt, het belang van levensbeschouwing binnen de middenveldorganisaties is teruggelopen. Men heeft in de laatste decennia minder actief gewerkt aan de uitdieping van de eigen levensbeschouwing. Dus in die zin kun je zeggen dat het belang van levensbeschouwing terugloopt, met alle risico’s van dien, namelijk dat meer en meer middenveldorganisaties daardoor dreigen niet meer te mobiliseren op deelname aan het maatschappelijk debat over allerlei problemen, maar meer en meer een soort dienstverlenende organisaties worden op vlak van sport, op het gebied van ontspanning en soortgelijke thema’s. Maar aan de andere kant zie je wel dat het hele debat rond de islam – denk maar aan de hoofddoek- en halaldiscussies – het thema levensbeschouwing toch wel opnieuw op de agenda heeft geplaatst van een aantal organisaties die er toch over zijn gaan nadenken, bijvoorbeeld omdat ze een medewerker kregen die een hoofddoek wou dragen. Dus in die zin is levensbeschouwing toch ook een beetje terug. Ik denk inderdaad dat door toenemende migratie en door nog enkele andere factoren er een nood is aan een herideologisering binnen de verschillende organisaties van het middenveld en dat we in die zin vandaag op een soort keerpunt staan waarbij organisaties worden geconfronteerd met het maatschappelijk pluralisme en ze door die nieuwe situatie bijna gedwongen worden om hun eigen levensbeschouwing opnieuw te verdiepen, uit te diepen en zich de vraag te stellen of men bijvoorbeeld kiest voor actief of passief pluralisme, hoe men zal omgaan met die nieuwe situatie. Als je spreekt over die herideologisering van het middenveld, dan zie je dat toch ook, denk ik toch, als een kracht tegen de opkomst van de media én tegen de heersende logica van de pensée unique! Ik denk inderdaad dat het daarom zo belangrijk is dat men zich binnen middenveldorganisaties opnieuw vragen gaat stellen over wat de plaats is van de levensbeschouwing binnen onze organisatie omdat men zich als organisatie gewoon kan laten meedrijven met wat er maatschappelijk aan de gang is. Wat je ziet in onze samenleving, is dat men levensbeschouwing almaar meer dreigt terug te dringen in het privéleven van mensen, weg uit het publieke leven. Ik denk dat, zoals ook het onderzoek heeft uitgewezen, het zeer belangrijk is dat levensbeschouwingen actief deelnemen en zich mengen in het publieke debat over allerlei thema’s die in onze samenleving leven. We zien aan de ene kant een opwaardering van het middenveld, maar levensbeschouwing blijft daarin toch heel belangrijk. We stellen bijvoorbeeld vast dat mensen die heel actief zijn binnen een levensbeschouwing, meer participeren aan het publieke debat! Dat is inderdaad ook vastgesteld en ik denk dat we daarmee kunnen zeggen dat levensbeschouwing in het algemeen, men denkt dan heel dikwijls alleen maar aan religies, maar ik denk dat levensbeschouwing in het algemeen inderdaad als cement in een samenleving kan functioneren, een soort sociale cohesie kan bewerken, bewegingen en groepen kan motiveren voor een bepaald project in een in toenemende mate individualiserende samenleving. Dat is volgens mij de positieve rol van levensbeschouwingen. In het boek hebben jullie het ook over interlevensbeschouwelijke dialoog. Die wordt door de meeste geïnterviewde organisaties als positief ervaren, hoewel niet alle organisaties er actief aan deelnemen. Toch zijn er ook bedenkingen bij de huidige initiatieven van die interlevensbeschouwelijke dialoog! Er worden onder andere de bedenkingen geformuleerd dat die dialogen eigenlijk heel theoretisch zijn en niets te maken hebben met de praktijk van de mensen, dat de mensen er niet genoeg bij betrokken zijn, dat het gaat over inhoudelijke kwesties en dat dingen zoals samen mediteren of samen bidden nooit aan bod komen. Dus in die zin is er wel kritiek, een andere vorm van kritiek die je vaak hoort, het is een dialoog tussen vertegenwoordigers en niet tussen mensen aan de basis. Het blijft zo’n beetje in het ijle zweven en het gaat eigenlijk niet over de maatschappelijke problemen en de dagelijkse problemen waar de mensen zelf mee te maken hebben. Ik denk dus inderdaad ook dat men het niet louter interreligieuze dialoog of interlevensbeschouwelijke dialoog, men niet louter mag opvatten op het, laten we maar zeggen, ideologische niveau, op het niveau van de religie bijvoorbeeld. Indien deze dialogen werkelijk effectief willen zijn, moeten ze zich dan ook durven mengen in de politieke en economische debatten in onze samenleving. Om een voorbeeld te geven: je kunt een dialoog tussen moslims en joden niet louter zien op het vlak van de religie zonder er in die dialoog bijvoorbeeld rekening mee te houden dat er ook een conflict Israël-Palestina is en dat dat op de achtergrond, hoe dan ook, altijd meespeelt. Je moet het in de interlevensbeschouwelijke dialoog dus ook over deze conflicten kunnen hebben. Een andere kritiek die ik me ook uit het rapport herinner, is dat moslims zich erover beklagen dat ze in een dialoog heel vaak niet op hetzelfde niveau van de andere levensbeschouwingen worden geplaatst. Dat zij bijna altijd gevraagd worden om zich te verdedigen, om zich te verantwoorden, voor alles wat misloopt in de wereld en wat ook maar een beetje met islam te maken heeft. Dat is ook een van de pijnpunten in de initiatieven tot interlevensbeschouwelijke dialoog. We leven ongetwijfeld in een samenleving die gekenmerkt wordt door levensbeschouwelijke pluraliteit. Nu, de verschillende auteurs die commentaren leveren in het boek, waarderen die levensbeschouwelijke pluraliteit ook anders. Erik Borgman bijvoorbeeld zegt dat er meer geïnvesteerd moet worden in die publieke sfeer omdat het anders dreigt een lege sfeer te worden! Levensbeschouwing of religie, daarvan is onze mening dat die altijd een tweede viool moet spelen, nooit een eerste viool want als je religie een eerste viool laat spelen, dan krijg je theocratie, dan krijg je in feite dominantie van één levensbeschouwing over een andere. Precies het laten spelen van de pluraliteit in het maatschappelijk debat is een van de grote winstpunten. Voor sommige mensen dienen religie en levensbeschouwing inderdaad een actieve rol te spelen in het maatschappelijk debat. Ik denk dat dat ook ons standpunt is. Andere mensen zeggen: ‘Pas op, want dat is ook altijd een beetje spelen met vuur, in zoverre dat religies inderdaad de conflicten heel erg kunnen verhevigen en tot gewelddadige uitbarstingen kunnen leiden.’ Ik denk dat het inderdaad belangrijk is dat de manier waarop deze dialoog gevoerd wordt, altijd rekening houdt met een aantal fundamentele opties waarmee je zo’n dialoog moet voeren. Bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting, maar ook respect voor de positie en de context waarin andere levensbeschouwingen leven. Je zegt tweede viool spelen! Kan ik dat interpreteren als een tussenpositie? Aan de ene kant heb je Erik Borgman die zegt dat er meer geïnvesteerd moet worden in die publieke ruimte door de respectievelijke levensbeschouwingen. Aan de andere zijde heb je dan Patrick Stouthuysen die pleit voor een levensbeschouwelijke terughoudendheid. Hij zegt dat dat misschien wel de enige mogelijkheid is om die plurale samenleving te laten functioneren! Ik weet niet of het een tussenpositie is, maar je moet inderdaad in zo’n dialoog altijd voor ogen houden dat een zekere terughoudendheid belangrijk is, in de zin van dat een van de verworvenheden van de verlichting inderdaad is dat economie en politiek een eigen wetmatigheid hebben. De verworvenheden zoals democratie, scheiding van de machten en dergelijke, daar kun je niet achter terug. Anderzijds denk ik dat Erik Borgman inderdaad gelijk heeft, dat we vandaag niet kunnen toelaten dat het maatschappelijk debat overgelaten wordt aan wat men soms noemt het verlichtingsfundamentalisme, waarbij religie en levensbeschouwing teruggedrongen worden in het privéleven van mensen. Neen, ik denk inderdaad dat de maatschappelijke problemen vandaag zo groot zijn dat de waardevolle elementen uit tradities, die levensbeschouwingen te zeggen hebben, ingebracht moeten worden in het publieke debat. Als we nu even terugblikken op het rapport in zijn totaliteit, wat is voor jullie dan de voornaamste conclusie die eruit springt? Mijn voornaamste conclusie is in elk geval dat we met dit project moeten doorgaan, met name op het volgende punt: binnen de organisaties van het middenveld lijkt een zeer grote onduidelijkheid omtrent pluralisme. Het onderzoek heeft namelijk geleerd dat velen wel openstaan voor pluralisme wat hun doelpubliek betreft, maar als het gaat om het pluralisme binnen de eigen organisatie, dan is men daar eigenlijk zeer weinig mee bezig, dan moet er op dat vlak echt nog veel studiewerk verricht worden, visie ontwikkeld worden, beleidsplannen ontwikkeld worden, niet alleen bij die organisaties die levensbeschouwing als de corebusiness van hun organisatie hebben, maar binnen alle organisaties omdat binnen de huidige samenleving elke organisatie, welke ook haar missie is, met deze problematiek hoe dan ook te maken heeft. Tot zover nog Remi Verwimp en Roslie Heens. Geïnteresseerde luisteraars kunnen het boek gratis, zolang de voorraad strekt, bestellen bij WTM, tel. 03 216 92 83, of een mailtje sturen naar Dit e-mail adres is beschermd door spambots, je hebt Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken En daarmee zijn we aan het eind van HVW. Samenstelling en presentatie waren van FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen, tel.: 03 233 70 32. Volgende week zijn we er weer, en dan heeft Ludo De Brabander het over 16 maart, de internationale antioorlogsdag, en is er ook een bijdrage van het WF. Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week! Muziek: 10” High Heels – Sakamoto Sakamoto 262975 1’40” Reality Poem – L.K. Johnson L.K. Johnson 524 575-2 |