Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow Eric Corijn over Brussel - Jozef Pacolet over zwartwerk in Belgie
Eric Corijn over Brussel - Jozef Pacolet over zwartwerk in Belgie

HVW – HVR

 

Uitz.: 31.05.2010

Opn.: 27.05.2010

Real.: Frank Stappaerts

 

Eric Corijn over Brussel / Jozef Pacolet over zwartwerk in België

 

Beginwijs

--

Goedenavond luisteraar en welkom in HVW. Vandaag hebben we het met Jozef Pacolet over zwartwerk in België. Hoe groot het fenomeen is en hoe het opgespoord kan worden hoort u later in de uitzending, want we starten met Brussel. Vorige week hadden we het in onze uitzending al over Brussel. Bleri Lleshi had het toen over jongeren en identiteitsconstructie. Vandaag praten we met Eric Corijn. Een tijdje geleden gaf hij, samen met Eefje Vloeberghs, een boek uit over Brussel. Geen nieuwe gegevens, maar een synthese, een overzicht, van bestaande gegevens. Maar, zoals Corijn het zelf schrijft, het is een ‘work in progress’. Het maatschappelijk debat – en over Brussel wordt er gedebatteerd – is in volle gang. Denken we maar aan de vorig jaar gehouden Staten-Generaal! Eric Corijn:

 

Het boek beoogt een echt overzicht te geven. Het is ook de eerste keer dat er een poging wordt ondernomen om in de verschillende sectoren – de gemeenten, de gemeenschappen, de gewestelijke bevoegdheden, de verschillende werkvelden – een dwarsdoorsnede te maken, dus echt een diagnose van die stedelijke dynamiek samen te stellen. Dat hangt inderdaad samen met een verhoogde interesse in het Brusselse middenveld voor de complexe realiteit van die stad, gelegen in – we moeten het toch zeggen – een verdeeld land, waar men denkt dat alles in een van de twee landstalen kan worden uitgedrukt. Waar de media, waar de politieke partijen, waar de instellingen hopeloos verdeeld zijn. Daarom hebben ze in Brussel een soort apartheidsregime ingesteld, waar er een groot verschil is tussen aan de ene kant het publieke debat in de media en aan de andere kant wat echt leeft bij de Brusselse bevolking. Wij proberen met dit boek de complexiteit van de stedelijkheid inderdaad aan bod te laten komen. Je spreekt over die Staten-Generaal. Dat is effectief een unieke ervaring geweest, die trouwens in de Nederlandstalige media nauwelijks is gerapporteerd. Het is een operatie waarbij de vakbonden, de patronale wereld, de artistieke netwerken en de netwerken van de buurtcomités samen een platform van de civiele maatschappij hebben opgezet, en aan de drie universiteiten van Brussel gevraagd hebben om enkele synthesedossiers op te stellen over de grote problemen. Zo zijn er zestien werkgroepen geweest, academische werkgroepen die in een paar weken tijd die rapporten hebben gemaakt, en dan zijn er zestien publieke hearings geweest waar telkens tussen drie- en vijfhonderd mensen aanwezig waren. De rapporten zijn 26 000 keer gedownload en zijn uiteindelijk door een proces gegaan waar een eindrapport uit is gekomen, voorgesteld op een grote slotvergadering van zevenhonderd mensen. Dus wel degelijk een grote mobilisatie van het middenveld, een stellingname, en dat komt in het publieke debat helemaal niet naar voren.

 

Welk beeld van Brussel komt er nu uit het boek tevoorschijn? Zelf spreek je van een kleine wereldstad met enkele zeer unieke kenmerken!

 

Het is duidelijk dat Brussel ten eerste een stad is die zeer sterk gedynamiseerd is. Het gewest met de sterkste economische groei van de drie gewesten, met een verwachte bevolkingsstijging van 170 000 nieuwkomers in de komende tien jaar. De enige echte grote stad in dit land en voornamelijk geaxeerd op haar internationale functies. Met meer dan de helft van de bevolking zonder Belgo-Belgische roots in feite. Met meer dan 40% van de huishoudens die taalgemengd zijn. Dus een stad die zeer kosmopolitisch, zeer meertalig en multicultureel is, maar ook een stad die zeer duaal is, zeer sociaal gesegregeerd. Het tweede rijkste gewest van Europa, maar tegelijkertijd met een bevolking die gemiddeld 15% minder inkomen heeft dan het Belgische gemiddelde, met een derde van de bevolking op of onder de armoedegrens, met 100 000 werkzoekenden, met een derde van de Brusselse jeugd die leeft in gezinnen zonder inkomen uit arbeid. Ik kan nog doorgaan. De hoofdstad van Europa, de hoofdstad van Vlaanderen, is een rijke economie en een rijke stad, maar met een arme bevolking. Hoe komt dat nu essentieel? Dat komt omdat die stad eigenlijk helemaal functioneert ten voordele van de mensen die in de rand wonen, die buiten de stad wonen, die daar komen werken. Elke dag komen daar 360 000 mensen werken, maar die betalen daar geen belastingen, dragen daar niet toe bij. Dus een stad die te weinig geliefd is voor de functie en het belang dat ze heeft, en zelf intern een sterk buitenlandse en relatief arme bevolking heeft.

 

Maar wie Brussel zegt – en je had het er al over, alvast als we de media mogen geloven – ziet ook problemen: werkloosheid, armoede, onderwijsproblemen, en zo kan ik nog wel even doorgaan. In het boek lees ik dat de huidige institutionele logica niet is toegerust om die uitdaging op te lossen!

 

Het is juist dat Brussel enkele heel zware dossiers heeft, zoals elke grote stad trouwens. In die zin is het echt vergelijkbaar met een aantal grootsteden in de rest van de wereld. Grote werkloosheid, dus tewerkstellingscrisis, waarbij de economische ontwikkeling niet aangepast is aan het soort mensen dat er leeft. Ik formuleer het liever zo, terwijl men meestal zegt dat de mensen niet aangepast zijn aan de economie. Wat in werkelijkheid zo is dat de economie niet aangepast is aan de mensen. Geweldige huisvestingsproblemen. Slechts acht procent sociale woningen, terwijl 26% van de bevolking op wachtlijsten staat voor sociale woningen. Dus een absoluut onevenwicht in verband met de voorzieningen. Meer dan driekwart ongeveer van de mensen woont in Brussel in huurwoningen, zijn geen eigenaars zoals in andere steden het geval is. Een grote problematiek die niet opgevangen wordt door het bestuur. Hoe komt dat? Omdat we hier in een stad zitten die bijvoorbeeld geen culturele bevoegdheden heeft, waar twee gemeenschappen op opereren met aparte schoolsystemen, met aparte culturele voorzieningen, zonder overleg. Zoals u weet is er geen cultureel akkoord tussen de Vlaamse en de Franstalige gemeenschap in dit land, nauwelijks samenwerking. Dat betekent dat er nog maar een jaar geleden ontdekt is dat er vijfduizend jongeren zijn die in geen van de twee schoolnetten geregistreerd zijn hoewel ze eigenlijk schoolplichtig zijn. Je hebt dus tientallen van die voorbeelden waarbij de Belgische institutionele organisatie absoluut haaks staat op het bestuur van een grote stad. In werkelijkheid zou Brussel effectief alle bevoegdheden van een grote stad moeten krijgen. Het is dus noodzakelijk om enerzijds een aantal bevoegdheden van de gemeenten over te hevelen naar het gewest, maar anderzijds – en dat is natuurlijk nog een groter taboe – de twee gemeenschappen in die stad te verplichten om samen te werken en samen verantwoordelijkheid te nemen voor de problematiek van de bevolking van die stad.

 

Je zei het al, Brussel wordt zelden benaderd vanuit de stedelijke dynamiek zelf, maar steeds vanuit een communautaire belangenomschrijving. Nu, een en ander is toch aan het gebeuren in die civiele maatschappij in Brussel. Hoe zie je de toekomst? Is daar voldoende dynamiek om die structuren aan te vallen?

 

Ik denk dat we moeten stoppen met Brussel als een probleem te zien, want Brussel is het probleem van de Belgische federale staat. Maar Brussel is in feite de oplossing. Wat zien we gebeuren? Dat is dat de wereld meer en meer stedelijk wordt, dat de grootstedelijke dynamiek de samenleving is van de toekomst. Dus de problemen die vandaag in Brussel naar voren komen, zijn problemen die binnen een paar jaar in Antwerpen, in Gent en in andere grote steden naar voren zullen komen en waaruit men dus het best zou leren. In Brussel ziet men inderdaad dat in werkelijkheid de problemen niet in de samenleving voorkomen zoals ze beschreven worden in de Franstalige of de Nederlandstalige kranten of media, of zoals erover gedebatteerd wordt in de politieke partijen, maar dat er andere soorten problemen naar voren komen. Het samenleven op zich brengt weinig problemen mee. Wat echt problemen vormt, is de economische ongelijkheid, de ongelijke verdeling van de productie van de rijkdom. Daar moet dus gedacht worden om een soort stedelijke bestuursvorm te ontwikkelen die inderdaad veel meer herverdelend kan werken, die veel meer duurzame oplossingen voorstelt. Wat we inderdaad moeten vaststellen in Brussel, is dat op het vlak van de academie, op het vlak van het onderzoek, op het vlak van de netwerken in het middenveld, er veel meer samenwerking is dan dat dat naar voren komt, en in die samenwerking komen een aantal grote lijnen naar voren die weldra – en ik denk dat we dat niet zullen kunnen vermijden – inderdaad het politieke debat ook meer zullen moeten inspireren. Brussel werkt nu opnieuw aan een derde gewestelijk ontwikkelingsplan. Dat is enerzijds een soort stadsvisie die ontwikkeld wordt en die voor het eerst twee innovaties zal hebben, namelijk dat ze ook rekening zal houden met het hinterland en niet alleen met de negentien gemeenten, maar met de hele metropolitane zone die weldra door het gewestelijk expresnet met minder dan een halfuur verbonden zal worden met die stedelijke dynamiek. Anderzijds dat ze ook communautaire kwesties zal opnemen. Voor het eerst krijg je echt een discussie over een geïntegreerde stedelijke visie. Hoever dat zal gaan in een nationalistisch België, is nog maar de vraag. Maar ik denk effectief dat er een conflict zal ontstaan tussen de stedelijkheid, de kosmopolitische stedelijkheid enerzijds en de sterk chauvinistische nationalistische manier waarop het denken in dit land wordt georganiseerd. Dat conflict zal – ik ben daarin optimistisch – ten voordele van de stedelijkheid uitdraaien, vroeg of laat.

 

‘Vroeg of laat’. Dat was nog Eric Corijn. Het boek “Brussel!”, dat hij samen schreef met Eefje Vloeberghs, is een uitgave van VUBPress en is te koop in de goede boekhandel. Zo dadelijk hebben we het over zwartwerk in België, maar eerst muziek:

 

MUZIEK

 

“Bruxelles”, en dat was van Jacques Brel. Daarmee zijn we bij het zwartwerk in België. Jozef Pacolet deed er onderzoek naar, in opdracht van de overheid, samen met andere onderzoekers. In het verlengde daarvan ging hij de haalbaarheid en de wenselijkheid na van een informatie- en analysecentrum voor de ondergrondse economie. Maar een eerste en voor de hand liggende vraag is: kunt u een idee geven van de omvang van het zwartwerk in België? Jozef Pacolet:

 

Dat is juist de moeilijkste vraag, want je zou moeten weten wat per definitie verborgen wenst te blijven. Daarom bepleiten wij dat je eigenlijk alle mogelijke methoden moet gebruiken waarover economisten beschikken om de omvang in beeld te brengen van zowel socialezekerheidsfraude, uitkeringsfraude en fiscale fraude, als zelfs ontwijking, de creatie van schijnzelfstandigheid of de creatie van een bvba als een onderneming om minder belastingen te moeten betalen. Wij bepleiten om alle mogelijke technieken te gebruiken, en daar zijn macro-economische methoden voor. De administraties zelf, de controleurs, weten toch een en ander van wat er op het terrein gebeurt, het is hun job. Ook die informatie moet je laten spreken. Je kunt ook enquêtes bij de bevolking organiseren. Je moet daar zeer diplomatisch over zijn om een idee te krijgen van in welke mate zij diensten en producten in het zwart koopt, maar ook arbeid in het zwart aanbiedt. Het gevolg van dat soort oefeningen levert uiteenlopende ramingen op, gaande van 4%, volgens onze nationale rekeningen (de Nationale Bank zegt dat dat ongeveer de omvang is van die ondergrondse economie), tot buitenlandse studies die ons komen vertellen dat het misschien 18 à 20% zou zijn. De waarheid zal ergens tussenin zitten, 10 à 12% van ons nationale inkomen, maar dat is een enorm groot pakket als je je realiseert dat de helft van zo’n inkomen afgedragen moet worden aan belastingen: 10 à 12% van ons nationale inkomen, de helft daarvan is 5 à 6% van ons nationale inkomen, dat de overheid aan ontvangsten mist wegens zwartwerk.

 

U hebt er al voor een stuk op geantwoord uiteraard, maar waarom is zwartwerk zo negatief voor de samenleving?

 

Wel, die nadelen voor de publieke financiën zouden misschien een van de eerste argumenten kunnen zijn om de strijd tegen de fraude op te drijven. Maar de voornaamste reden eigenlijk is, vind ik, dat diegene die in het zwart tewerkgesteld wordt, waarschijnlijk geen goede, wat men noemt primaire loon- en arbeidsvoorwaarden heeft. Zelfs de arbeidsveiligheid kan in het gedrang komen als je in een malafide bedrijf terechtkomt. Maar ook je afgeleide rechten, je socialezekerheidsrechten als werknemer worden ondermijnd. Daarmee wordt ook de hele sociale zekerheid ondermijnd. De solidariteit, maar ook het welbegrepen eigenbelang in de sociale zekerheid, in al die diensten die de overheid ons gunt, wordt ondermijnd zodanig dat de staat zelf in zijn legaliteit ondermijnd wordt. Op sommige momenten is de grens flinterdun tussen criminele activiteiten, criminele filières die in bepaalde branches binnensluipen, en eigenlijk wordt ook de rechtsstaat zelf uiteindelijk finaal bedreigd, de verzorgingsstaat. Maar ook het primaire belang van de werknemer zelf die in het zwart moet werken, wordt daarmee ondermijnd. Ik wil daar nog een zaak aan toevoegen: ook de werkgever en de ondernemingen die in het zwart laten werken, die malafide bedrijven uiteindelijk, beconcurreren de bonafide bedrijven, waardoor de competitiviteit van de goede bedrijven zelf ook in het gedrang komt doordat zij op hun markt beconcurreerd worden door malafide bedrijven.

 

Zwartwerk is werk in het zwart. Hoe kun je dat inschatten? Over welke methodes beschik je zoal?

 

Ik gaf juist het voorbeeld dat je zowel op macro-economische wijze als via enquêtes dat kunt gaan inschatten. Een piste die wij sterk naar voren schuiven, is ook dat de administraties zelf, de fiscale controle-instanties, de sociale inspectiediensten, met het materiaal dat zij kennen – want zij betrappen ondernemingen of personen op zwartwerk – een profiel opmaken van de riskante bedrijven, de riskante beroepen, de riskante personen. Ook van de omvang van de fraude die door die personen gepleegd zou kunnen worden. Dankzij dat materiaal zou men een betere raming kunnen maken van de omvang van de fraude. Tegelijkertijd denk ik dat je met dat materiaal ook een betere strijd tegen de fraude kunt organiseren, dat de controles veel selectiever kunnen gebeuren naar bepaalde groepen, sectoren, beroepen.

 

Een belangrijke vraag in dat geheel is natuurlijk: is de wil wel aanwezig om de strijd tegen zwartwerk en fiscale fraude aan te gaan? Ik bedoel dan heel duidelijk de politieke wil!

 

Ik vind van wel! Een beetje ironisch of cynisch, kun je bijna zeggen: elke begroting wordt afgesloten met als sluitsteen de verhoogde strijd tegen de fraude. Ook in elke nieuwe regeringsonderhandeling, in elke regeringsverklaring, zal die strijd tegen de fraude vermeld worden. Ik signaleer in onze rapporten het feit dat er nu bijvoorbeeld twee staatssecretarissen zijn die belast worden met de strijd tegen de fiscale fraude en ook de coördinatie tussen de fiscale, gerechtelijke, sociale administraties en diensten, politiediensten en zo verder. Dus daar is veel in beweging gekomen de voorbije jaren. Ook al om te concluderen of te constateren dat men elkaar in het verleden onvoldoende kende, dat men nu nog altijd onvoldoende informatie kan uitwisselen, databestanden kan koppelen. Maar de weg wordt wel voorbereid om dat beter en beter te doen zodat ik daaraan telkens opnieuw bijna bemoedigend moet toevoegen dat men in die richting verder moet gaan. Er is duidelijk een politiek discours om die strijd tegen de fraude te verhogen. Je moet je ook realiseren dat daarin merkwaardige stappen vooruitgezet worden. Het feit dat er zo twee staatssecretarissen zijn, ook het feit dat een staatssecretaris als Carl Devlies ook rechtstreeks moet rapporteren aan de premier van het land, betekent dat men er politiek gewicht aan geeft. Maar ook op andere domeinen van een billijke, redelijke inning van belastingen merk je bijvoorbeeld de belasting op kapitaalinkomsten, het kadaster van kapitaal, van roerend vermogen en zo verder. Stapsgewijs begint dat meer en meer, de dematerialisering van effecten bijvoorbeeld, banken worden ook geresponsabiliseerd in die praktijken tegen witwassen van geld en zo verder. Je ziet merkwaardige vooruitgang geboekt worden. Ook het groeien van een consensus daaromtrent, 9/11, dat is al ver achter ons, maar dus ook de vrees voor terrorisme brengt bij politici, bij administraties, internationaal eigenlijk ook, het bewustzijn bij dat men die illegale activiteiten moet beteugelen, en dat is de weg naar verdere politieke initiatieven, naar een betere, billijkere inning van belastingen.

 

Maatregelen, ongetwijfeld met heel goede bedoelingen, maar botst men niet op een zekere mentaliteit, de Belgische mentaliteit waar het haast een sport is om belastingen te ontduiken?

 

Ja, en daartegenover is dan ook een opvoedende rol weggelegd voor tal van sociale bewegingen en voor de overheid zelf. In sommige landen organiseert de overheid soms zelf campagnes om de burger bewust te maken van de nadelen, of het onrecht ook, dat je creëert via fraude, maar ook de nadelen voor de betrokkene zelf. Er is een soort van driehoeksverhouding tussen enerzijds de mentaliteit van de burger om belastingen te betalen, anderzijds het profijt dat hij eruit kan halen. De belastingdruk is dan het voordeel dat hij kan hebben. Het derde punt is de pakkans die hij heeft of die hij percipieert. Ook de boetes die hij kan krijgen. Die driehoek moet men bespelen om zowel een idee te krijgen van de omvang van het fenomeen, de oorzaken, de vormen, maar ook waar men de strijd kan winnen tegen de fraude. Een van die elementen van die driehoek is de mentaliteit. Daarom ook dat zo’n gesprek met u nu bijdraagt tot die mentaliteitsverandering om te beseffen dat het de burger zelf is die benadeeld wordt wanneer zwartwerk welig voort blijft tieren.

 

Het is jullie overtuiging dat een beter inzicht in de omvang en de aard van de diverse fraudevormen en de gevolgen ervan de wil tot verandering zal versterken. Is het in die zin ook dat u pleit voor de oprichting van een observatorium ondergrondse economie?

 

Welja, het is moeilijk te kwantificeren, te vatten, dat fenomeen, en ook te controleren en te beteugelen. Dus elke bijdrage daaromtrent om dat beter te identificeren en ook de controle performanter te maken, maar ook om de mentaliteit te wijzigen en ook om het beleid van de politici daaromtrent te vergemakkelijken. Het is een legitieme eis, het beleid dat zij voeren, dat iedereen zijn bijdrage betaalt aan de staat – geven aan de keizer wat de keizer toekomt, eigenlijk – en dat kan men vergemakkelijken door daaromtrent de publieke opinie en de beleidsmensen zelf bewust te maken van de omvang van het fenomeen, wat nu nog soms een probleem is. Er zijn goede voorbeelden op andere domeinen, bijvoorbeeld de Commissie van de Vergrijzing, die jaar na jaar een rapport maakt over de toekomstige kosten van de vergrijzing. Dat zijn kosten die in de jaren 2040 en zo verder op ons zullen afkomen. Nu maakt men daarover al jaarlijks een rapport, hoe die zullen stijgen. Dat draagt bij tot de bewustwording. Welnu, de kosten van de fraude zitten vandaag al in dezelfde orde van grootte, en elke frank die gefraudeerd wordt, is een bijdrage aan onze schuld. Dus daar nu van bewust zijn is waarvoor zo’n observatorium moet zorgen. Of het mag al heel eenvoudig zijn ook: gewoon een jaarlijks rapport opmaken van alle betrokken instanties, van hoe groot zij het fenomeen inschatten en welke inspanningen zij doen om het te beteugelen, en ook wat de nadelen zijn, de kosten van de fraude voor de betrokkenen zelf.

Ik wil er nog een voorbeeldje van geven. Ik ben niet gebiologeerd door de publieke financiën alleen, hoewel dat een zeer groot probleem is, maar de kosten voor de arbeidsvoorwaarden voor de betrokkenen zelf zijn aanzienlijk, het feit dat zij geen goede sociale zekerheid hebben, het punt ook bijvoorbeeld dat de arbeidsveiligheid in het gedrang kan komen, arbeidsongevallen die er kunnen gebeuren, en zo verder. Dit zijn tal van elementen waarvan men zich goed bewust moet worden. Bovendien denk ik dat ook de vakbonden daarin een belangrijke rol zouden kunnen spelen voor hun leden, de werkers zelf. Bewust worden van welke nadelen men heeft wanneer men in het zwart werk uitvoert, is belangrijk.

 

Tot zover nog Jozef Pacolet. De boeken “Zwartwerk in België” en “Naar een observatorium ondergrondse economie” zijn uitgegeven bij ACCO en zijn te koop in de goede boekhandel.

Daarmee zijn we aan het eind aan HVW. Samenstelling en presentatie waren van FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel. 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op h-vv.be, waar je de uitzending nog even kunt herbeluisteren.

Volgende week zijn we er weer en dan heeft KVD het met Mathieu Snykers over “De gesel van Darwin”.

Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!

 

Muziek:

10”       High Heels – Sakamoto                                    Sakamoto                    262975

1’30”     Bruxelles – J. Brel                                J. Brel                          816 723 2

 

 

Valide CSS!