Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow Doe-het-zelfdemocratie - Joods Museum
Doe-het-zelfdemocratie - Joods Museum

HVW – HVR

 

Uitz.: 11.01.10

Opn.: 07.01.10

Real.: FS / KVD

 

Doe-het-zelfdemocratie / Joods Museum

 

Beginwijs

--

Goedenavond luisteraar en welkom in HVW. Straks heeft KVD het over het Joods Museum. Starten doen we met Rik Pinxten en Ghislain Verstraete. Onder hun redactie verscheen zopas een nieuw boek, “Doe-het-zelfdemocratie”, een boek over mensen en hun rol in de samenleving. Vanuit verschillende invalshoeken – als daar zijn de mens als bouwer, als verhalenverteller, als zingever, als opvoeder, als overlever, als ecologisch wezen of als performer – worden projecten voorgesteld, telkens met de bedoeling de samenleving beter, aangenamer en zinvoller te maken. Rik Pinxten, en daarna Ghislain Verstraete:

 

Ons uitgangspunt was dat je meer en meer in een samenleving zit waar expertkennis, zal ik maar zeggen, nogal sterk als autoriteitsargument ook gebruikt, gaat bovendrijven ten koste van democratische principes, ten koste van zelfbeschikking, zelfbepaling. Nu, we zijn allemaal mensen, burgers, die opvoeden in de loop van ons leven, die bouwen of verbouwen, in elk geval wonen in ons leven, die arbeiden, die eventueel artistieke dingen doen enzovoort. We leven ook in een milieu. Dat betekent dat je in al die domeinen, als je min of meer geschoold en actieve burger bent, ook zelf wel wilt gaan bepalen, zelf misschien iets wilt gaan doen. Dit boek nu heeft als bedoeling om te zeggen: kijk, er zijn een aantal mensen die daar door hun job of door hun eigen geschiedenis wat meer kennis hebben, ook onder andere kennis hebben over methodes: hoe ga je nu onderzoeken, hoe kun je dat gebruiken in de omvorming van je eigen maatschappij, van je eigen leefsituatie? Wel, laat die mensen vanuit die verschillende wetenschappelijke domeinen aanbieden wat ze aan technieken en methodes kunnen aanbieden aan die actieve burgers. Dan kun je daarmee zelf aan de slag gaan. Dat is een vorm van democratie, ook in die zin dat je natuurlijk de machtsrelatie, de autoriteitsrelatie omkeert. Die burger zelf kan dat doen, kan voor een deel zijn macht terugnemen, zal ik zeggen, en meer in zijn leven zelf gaan organiseren.

 

Ik denk dat we vaak te weinig stilstaan bij hetgeen de mensen nu al zelf in handen nemen. Wij doen alsof voor ons heel vaak de dingen onderzocht moeten worden, uitgetekend worden, en dat die dingen uitgevoerd moeten worden. Nu, als ik in fabrieken mee op de werkvloer sta, dan zie ik dat mensen pakken problemen zelf moeten oplossen. Dat zijn problemen van: hoe zijn wij hier collega’s samen en hoe creëren wij een sfeer die aanvaardbaar is en hoe combineren we die grote productiviteit met toch een manier van leven die draaglijk is? Ik denk dat dat ook in opvoeden gebeurt. Dat doen havenarbeiders en ook intellectuelen en van alles samen. En ik denk dat het boek daar een accent op legt. Ook niet-intellectuelen, ook andere mensen doen dat sowieso al en dat kunnen we verder samen ondersteunen en samen zoeken. We kunnen van elkaar leren op dat vlak.

 

Met andere woorden, democratie doen we zelf, democratie kunnen we ook zelf, maar essentieel daarbij is dan toch wel het recht op vragen stellen!

 

Er is een maatschappij ontwikkeld, de voorbije decennia meer nog dan vroeger, denk ik, waarin – in plaats van vroeger, toen de koning, zal ik nu maar zeggen, of de kerk, het gezag had om te zeggen: dit moet je denken, dus ook: dit moet de vraag zijn waarrond gedacht wordt – dat nu toegespeeld wordt aan “de wetenschap”. Dat wil niet zeggen dat wetenschap of wetenschappers uiteraard in de fout gaan. Dat wil wel zeggen dat je een toenemend gebruik ziet van wetenschap of zogenaamd van wetenschap als autoriteit. Zij alleen kunnen de juiste vragen stellen en het beleid zal toenemen – niet alleen bij ons, hoor, dat is een algemene trend: snel een onderzoek op een of andere manier laten bestellen, en daaruit dan besluiten van: oké, zo moet gedacht worden, dat zijn de vragen. De burger staat daar een beetje op te gapen en die wordt eigenlijk aangeboden: kijk, zo moet je denken. De rest is dus zogenaamd onwetenschappelijk of flauwekul. Dit is een aberratie, dit is een misgroei. Dat is de klemtoon die wij hier toch ook willen inbrengen.

 

Om daaruit te geraken, uit die misgroei, starten we vanuit het handelingsprincipe, en dat is: ‘alle intelligentie is gelijk’. Ik denk dat dat een fundamenteel punt is, maar dat toch wel geëxpliciteerd moet worden. Wat bedoelen we met ‘alle intelligentie is gelijk’? Ten eerste is het iets wat geïnspireerd is door de Franse filosoof Rancière. Het is dus niet een volledig eigen gedachte, maar iets wat we verder ontwikkeld hebben in de loop van dat boek. Het gaat erover dat ‘alle intelligentie is gelijk’ wil zeggen dat iedereen, iedere volwassen mens en jongere waarschijnlijk, in staat is zijn wereld te observeren, daar een analyse van te maken en daar waarschijnlijk een besluit uit te trekken, en dat hij ook in staat is om daarover te communiceren. Dát betekent ‘alle intelligentie is gelijk’. Op dat punt wil dat niet zeggen dat alle kennis gelijk is. Kennis verschilt van elkaar, mensen hebben andere levenservaringen, leren andere zaken, zijn geïnteresseerd in andere zaken, dus daar krijg je een grote differentiatie. Maar het punt dat je mensen aanvaardt als gelijk intelligent, als basisprincipe, als vertrekpunt, wil eigenlijk zeggen dat iedereen het recht heeft van spreken en dat je de plicht hebt om ook met evenveel aandacht te luisteren naar dat spreken.

 

Wie vandaag spreekt over democratie, spreekt uiteraard ook over diversiteit en levensbeschouwing. De zoekende mens van vandaag, zeg je, moet nieuwe methodes van levensbeschouwelijk ervaren verkennen, én verenigingen moeten zich daarbij soepel en open leren opstellen. Dus ‘alle intelligentie gelijk’ betekent terzelfder tijd ook dat er diversiteit is!

 

Absoluut! Het is een basisprincipe, een handelingsprincipe, dat wil zeggen het is een principe dat je iedere keer in de realiteit gaat aftoetsen. Over mezelf kunnen denken, heb ik nu voor mezelf bewezen dat ik even intelligent ben als die havenarbeider? En soms ga ik zeggen: neen! Ik heb niet goed geanalyseerd, mijn besluiten trokken er niet op, ik ben daar te slordig in geweest. Bon, voor de rest differentiëren we van elkaar. Ik hoop dat die differentiatie er echt blijft omdat we het gevaar hebben om anders alles te vertechniseren, alles in regeltjes om te zetten die technisch perfect uitgevoerd moeten worden, maar die niet meer gedragen worden door de basis van de eigen analyse van het eigen denken, van de eigen intelligentie. Ik denk dus ook dat het noodzakelijk is dat we die richting uit gaan.

 

Ik zou misschien nog één klein puntje willen toevoegen daaraan, dat is de analyse van iemand als Sennett. Richard Sennett heeft een aantal boeken geschreven waarin hij probeert te tonen hoe wat hij noemt het militaire model evolueert – en de keuze van de term is belangrijk, het militaire model, zoals dat in het kapitalisme van de negentiende, twintigste eeuw eigenlijk als bedrijfsmodel, en algemeen als economisch model, voor alle productie en consumptie, uitgewerkt is. Hij zegt: kijk, we komen dus aan een soort eindfase van dat militaire model. Dat militaire model – we zitten daar nog altijd in, hoor – betekende dat je mensen opleidt in heel kleine, efficiënte straatjes, bijzonder smalle instrumentele rationaliteit van: wij willen die bepaalde vaardigheid, want die is nu in de markt zinvol. Dit soort van dingen. In zo’n model – en dat is dus al lang bekritiseerd door Sennett, door Bourdieu, door anderen – krijg je natuurlijk dat de mens bijna verdwijnt, of de zelfbeschikking van de mens bijna verdwijnt ten voordele van dat proces, de markt in dit geval, die bepaalde eisen stelt. Op basis daarvan ga je dan iets intelligent of niet intelligent noemen. Dat is een zeer merkwaardige ontwikkeling die antihumaan is, denk ik, of antihumanistisch is, maar waar we volop in zitten. Dat is een diep soort van inzicht, denk ik, maar dat bij een aantal mensen toch al wel leeft, en in denk dat we ons boek in alle geval in dat soort kader willen aanbieden. Niet dat we de wereld gaan veranderen, hé, maar toch, dat begint! Dat begint af te kalven, dat begint andere mensen, alle mensen à la limite, opnieuw met respect te behandelen, dat is toch wel de bedoeling. Want effectief, we leven allemaal, we ervaren allemaal pijn, verdriet en vreugde enzovoort, en dan zeggen van: die doet dat goed, een andere doet dat niet goed… Ik bedoel: vanuit welk standpunt? Wie bepaalt dat? Waarom hebben we dat moeten afgeven? Dat is een beetje de stelling. In een, zogezegd, zichzelf democratie noemende samenleving, hé!

 

Kunstenaars kunnen ons daarbij helpen, schrijf je, en tonen ons soms ook de weg, maar dan moeten ze wel uit hun isolement komen en zich gedragen als burger!

 

Wel, kunstenaars en dus ook architecten, stedenbouwkundigen – een van de mensen is een stedenbouwkundig architect – inderdaad kunnen hun job, zal ik maar zeggen, hun inzet zien als: kijk, ik ben de auteur, ik ben het grote genie dat eigenlijk op zichzelf staat, dus ik teken bijvoorbeeld een huisje, of ik maak mijn grote schilderij, of ik maak mijn toneelstuk, en dat moet dan door de wereld maar begrepen worden, want het is tenslotte aan mijn genie ontsproten. Of je kunt zeggen: kijk, ik heb een bepaalde kennis en een bepaalde vaardigheid om daar iets creatiefs mee te doen, en dan teken ik niet zomaar en huisje, want als ik een huisje teken, dan is het in dit weefsel, in dit stedelijk verband bijvoorbeeld, en dan moet ik wel zien dat het daarin past, dat het andere mensen niet hindert, dat dat misschien verkeer en communicatie zelfs bevordert enzovoort. Ik denk dus op een heel andere manier in het tweede geval dan in het eerste geval. Dus in die zin uit hun huis komen, in een zekere zin bewust zijn, diep bewust zijn, het ook meenemen, van de context waarin men werkt. Nu, zulke kunstenaars, stedenbouwkundigen en milieuspecialisten enzovoort, zijn er natuurlijk. Vandaar dit soort van aanbreng.

 

Ik denk wel dat we moeten opletten in die zin om niet alles instrumenteel te maken. Dus instrumenteel te maken in de zin van: alles moet altijd een betekenis hebben van een bepaalde gemeenschap of een bepaalde context. Ik denk dat je ook uit die contexten moet kunnen denken en dat die creativiteit zowel voor kunstenaar als voor gewone mensen die niet kunstenaar zijn, maar iets bezig zijn, ook ontzettend belangrijk is. Want anders ligt die kuil daar een beetje open van alles te vertalen naar: het moet ook efficiënt en effectief zijn voor de samenleving. Ik denk dat dat niet waar is. Dat dat niet altijd rechtstreeks het punt moet zijn, maar dat ook onrechtstreeks op langere termijn, op middellange termijn, die zaken nut en betekenis hebben, zonder dat we dat onmiddellijk kunnen benoemen.

 

Tot zover nog Rik Pinxten en Ghislain Verstraete. Hun boek “Doe-het-zelfdemocratie” is een uitgave van EPO en is te koop in de goede boekhandel. Zo dadelijk heeft KVD het over het Joods Museum. Maar eerst muziek:

 

MUZIEK

 

Het Joods Museum van België vind je in de Miniemenstraat in Brussel, niet ver van de Grote Zavel. Dat Joods Museum van België wil een breed beeld geven van het jodendom van de zestiende eeuw tot vandaag. Dat doet het met permanente en tijdelijke tentoonstellingen.

De conservatrice van het museum, Zahava Seewald, gaf me een rondleiding in het museum en ik sprak met haar over de opzet van de permanente tentoonstelling en over de lopende tijdelijke tentoonstelling rond de joodse kunstenaar Arno Stern.

De permanente tentoonstelling is onder meer opgebouwd rond de Beth Israël Sjoel. Dat was tussen 1946 en 2004 een kleine synagoge in Sint-Jans-Molenbeek. Na haar sluiting werden het meubilair en alle rituele voorwerpen aan het Joods Museum van België toevertrouwd. Vandaag is de Beth Israël Sjoel heropgebouwd en het middelpunt van de permanente tentoonstelling. Met rituele voorwerpen die horen bij de geboorte, de besnijdenis, de bar mitswa, het huwelijk en het overlijden, maar ook aangevuld met voorwerpen uit andere schenkingen. Zahava Seewald vertelt er meer over.

 

Ja, het zijn verschillende voorwerpen die men altijd terugvindt in een synagoge: de Thorarollen, de boeken, de banken, de kasten, de textielen, de rituele voorwerpen die men gebruikt tijdens het lezen van de Thora. Maar ook de likeurglazen die men gebruikt op het einde van de feestdagen om iets te drinken, of tijdens de feestdagen. En ook de verschillende souvenirs die de mensen meebrachten uit Israël bijvoorbeeld om de synagoge mooier te maken als wanddecoratie.

 

Er zijn waarschijnlijk ook wel andere dingen te zien in het Joods Museum van België?

 

Onze collectie? Dat is al 25 jaar dat we bezig zijn met voorwerpen uit alle landen naar hier te krijgen. We hebben veel giften gekregen in het begin. Wij hebben enorm veel rituele voorwerpen, natuurlijk. Wij hebben ook religieuze boeken, maar ook alles wat te maken heeft met de geschiedenis van de joden in België. Dus archieven, ook alles wat te maken heeft met het jodendom in de bredere zin van het woord, dus de culturele aspecten van deze geschiedenis.

 

De oudste voorwerpen dateren uit de zestiende eeuw?

 

Ja, we hebben bijvoorbeeld een bijbel gedrukt in Antwerpen door Plantijn, die bestemd was voor de joodse gemeenschap, voor de maraanse gemeenschap. Dus dat is een van onze oudste voorwerpen. Natuurlijk is de twintigste eeuw zeer goed vertegenwoordigd. Omdat oudere objecten moeilijker te vinden zijn, omdat ze te duur zijn op de markt en omdat we nog met kleine middelen spelen hier. Maar ja, soms hebben we schenkers die ons mooie collecties doorgeven.

 

Wordt er speciaal aandacht besteed aan de Jodenvervolging en de shoah?

 

Neen, er wordt niet speciaal aandacht daaraan besteed, omdat er een museum is in België dat zich daarmee bezighoudt: het museum in Mechelen voor Deportatie en Verzet. Dus ons museum wil een zo breed mogelijk beeld geven van het jodendom. We willen niet – en het is jammer genoeg wel het geval – dat in de geest van de mensen, als men over het joodse volk spreekt, vooral het beeld van de oorlog staat. We proberen om geen beeld te geven van de joodse geschiedenis dat zich alleen beperkt tot die periode. Al verwachten de mensen dat een beetje van ons, maar we proberen om andere dingen aan te leren en bij te brengen, zodat men ook een interessant beeld heeft van deze geschiedenis.

 

Als je zegt ‘iets bijbrengen’, gaat het dan over het joodse geloof?

 

Neen, het is niet alleen het joodse geloof. Natuurlijk ligt dat aan de basis van het jodendom, maar vandaag is toch het grootste deel van de joodse bevolking niet meer praktiserend of niet orthodox. Dus is het belangrijk om te tonen dat er andere aspecten aan bod komen. En ook de taal. Men spreekt hier ook over de taal, verschillende joodse talen. Wij zijn ook bezig met geschiedenis en met de verschillende beroepen die de joden hebben uitgeoefend, bijvoorbeeld in Molenbeek, omdat men het heeft over Molenbeek, een microgeschiedenis hier in Brussel. Dus de verschillende beroepen. En wat is de evolutie, ook de geschiedenis van de verschillende families binnen een tijdperk van ongeveer een eeuw?

 

Een stuk joodse geschiedenis in België. Dat vindt u in de permanente tentoonstelling van het Joods Museum van België. Met ook heel wat pedagogische activiteiten, lezingen, vertellingen en rondleidingen die zich tot scholen richten. U kunt ervoor terecht in het Joods Museum van België.

En dan zijn er nog de gelegenheidstentoonstellingen. Op dit ogenblik is er de tentoonstelling rond kunstschilder Arno Stern. Geboren in 1888 in een eenvoudig chassidisch gezin in Polen. Hij studeert aan de academie van Warschau, maar trekt later naar Parijs, Rome en Londen. In 1923 leeft hij als een bohemien in Brussel. Meteen is dat ook de creatiefste periode in zijn leven en gaat hij om met de Belgische avant-garde. In 1940 trekt het gezin Stern naar Zuid-Frankrijk. Ze worden er opgepakt en opgesloten in een kamp. Na de oorlog keert Stern nog terug naar België, maar hij sterft in 1949 in Italië.

Stern was een gedreven kunstenaar met een omvangrijk oeuvre. Hij stelde meermaals tentoon, onder meer met Permeke en Brusselmans.

We volgen een stukje uit de tentoonstelling met Zahava Seewald als gids.

 

Dus men ziet dat hij een zeer sterke présence heeft. Men begrijpt dat hij veel zelfportretten heeft gemaakt. Omdat zijn fysionomie ook zeer interessant was voor hem en een inspiratiebron voor hem vormde. Men ziet dat hij in andere portretten ook bepaalde trekken van zijn gelaat gebruikt.

 

Dat zijn de portretten uit de jaren 20. En dat is bijvoorbeeld een van zijn mooie portretten in de jaren 20 waar men zeer sterk de invloed ziet van en het kubisme en de art-decostijl uit die periode. Het is ook een zeer licht doek, hij heeft daarna veel donkerder werk gemaakt. En dat is een van zijn lichtere werken.

 

Het is ook wel heel kleurrijk, hé?

 

Ja, het is zeer kleurrijk en men ziet ook dat de kleuren van het gezicht, van het gelaat en ook van dat bloemenmotief op de kimono of het hemd dat hij aanheeft, zeer sterk beïnvloed worden de een door de andere, dat de verschillende geometrische facetten… Elk geometrisch facet van het gezicht dat dus gedeconstrueerd is, maar niet zoals Picasso, omdat het perspectief behouden blijft, maar dat elk geometrisch facet een andere kleur krijgt. En die kleuren vindt men ook terug in zijn kleding.

 

Een stukje rondleiding in de tijdelijke tentoonstelling over Arno Stern door Zahava Seewald.

De retrospectieve toont de diverse stijlen die Stern hanteerde in zijn thema’s: portretten, zelfportretten, landschappen, steden en stillevens, mythologische en godsdienstige afbeeldingen. Daarbij haalde Stern inspiratie uit diverse stromingen van het begin van de twintigste eeuw: het kubisme, de art deco, het postimpressionisme en het fauvisme. De evolutie van zijn stijl is duidelijk merkbaar in een serie zelfportretten. Een gedreven en gepassioneerde kunstenaar. Zahava Seewald:

 

Ja, Stern was een gedreven, gepassioneerde kunstenaar die alleen heeft geleefd voor zijn werk. Hij is geboren in Lodz in Polen, in 1888. Hij heeft meer dan 20 jaar in België, hier in Brussel geleefd. Hij heeft hier een carrière opgebouwd. Na de oorlog is hij in Italië gaan wonen en hij is in 1949 gestorven in Rome. Hij wou terugkeren naar België, maar het is hem niet gelukt.

 

Het accent van zijn werk ligt tussen de twee wereldoorlogen?

 

Het accent van zijn werk ligt op de jaren 20 en 30, omdat wij voornamelijk werken hebben gevonden uit deze periode. Maar het is ook zijn interessantste periode.

 

Zijn er invloeden waarvan je duidelijk zegt: ‘Ja, met die kunstenaars heeft hij samengewerkt, daar heeft hij inspiratie gevonden?’

 

Hij heeft niet specifiek met bepaalde kunstenaars samengewerkt, hij greep vooral terug naar de Franse kunst. Onder andere het kubisme en het prekubisme, het postimpressionisme van Cézanne. Cézanne was een zeer sterke figuur. Men moet ook weten dat de Franse kunst een zeer grote invloed had in België, niet alleen bij Stern, maar bij andere figuren. En dan zou ik zeggen dat andere figuren… Wat echt zijn stijl kenmerkt, is de decoratieve, de art-decostijl die in die jaren zeer aanwezig was in België.

 

Welk accent legt hij dan zelf? Waar moet ik Stern daar dan eigenlijk plaatsen?

 

Hij put zijn inspiratie in het kubisme, maar hij maakt een mix tussen het kubisme en die decoratieve stijl. D.w.z. dat het zeer stilistisch, zeer sober, zeer zuiver, zeer geometrisch ook en, u zult het zien in zijn werken, dat het ook tamelijk decoratief is. Het is dus een soort decoratief kubisme dat zijn stijl kenmerkt in de jaren 20.

 

Ook eens eventjes gaan kijken naar de specifieke thema’s die hij eventueel hanteert. Heeft hij een bepaalde keuze?

 

Ja, zijn zelfportretten zijn sterk aanwezig. U moet weten dat zelfportretten, ja, bij sommige kunstenaars veel succes hebben gekend, namelijk in het begin van de twintigste eeuw. En in de jaren 20 ziet men dat Stern enorm veel zelfportretten doet. Daarna zijn er portretten van andere mensen. Er zijn ook religieuze onderwerpen: joodse en christelijke religieuze onderwerpen. Dat is wel uitzonderlijk, niet voor de joodse kunstenaars, maar uitzonderlijk voor zijn periode. Er zijn weinig kunstenaars die christelijke thema’s hebben afgebeeld in de jaren 20 en 30. Dus dat is ook wel zijn originaliteit.

 

De originaliteit van Arno Stern. Nog te bekijken in het Joods Museum van België tot 21 februari. Meer informatie vindt u op de website van het museum: googelen naar ‘Joods Museum van België’.

 

 

Daarmee zijn we aan het eind van HVW. Samenstelling en presentatie waren van KVD en FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel.: 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op h-vv.be.

Volgende week zijn we er weer en dan heeft KVD het met Sami Zemni over het islamdebat en in een bijdrage van het VF heeft Viona Westra het over 10 jaar Fonds Pascal Decroos.

Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!

 

Muziek:

10”       High Heels – Sakamoto                                               Sakamoto        262975

1’00”     Mo’ Better Blues – Branford Marsalis Quartet    B. Lee              CK 46792

 

 

Valide CSS!