Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow Diversiteit in het hoger onderwijs - 10 jaar Attac
Diversiteit in het hoger onderwijs - 10 jaar Attac

HVW – HVR

Uitz.: 07.09.09

Opn.: 03.09.09

Real.: Frank Stappaerts

Diversiteit in het hoger onderwijs / 10 jaar Attac

Beginindicatief

--

Goedenavond luisteraar en welkom in HVW. Vandaag, later in de uitzending, praten we met Eric Goeman over Attac, een internationaal netwerk dat al meer dan tien jaar streeft naar een rechtvaardige fiscaliteit in een rechtvaardige samenleving. Straks meer daarover, want we starten met diversiteit in het hoger onderwijs.

Als de maatschappij uitgesproken divers wordt, als cijfers aantonen dat de instroom in het hoger onderwijs divers wordt en als datzelfde hoger onderwijs in zijn onderwijsopdracht in nauwe interactie met die buitenwereld staat, kan het moeilijk anders dan dat dit hoger onderwijs zelf doordrongen wordt van diversiteit, in al zijn geledingen, in alle gelaagdheid, tot in de kleinste tentakels. Het departement Sociaal-agogisch werk van de Hogeschool Gent heeft in zijn strategisch beleidsplan 2007-2013 dan ook expliciet gekozen voor het uitbouwen van een beleidslijn Diversiteit.

Aan Chris Van Kerckhove, docent filosofie en verantwoordelijk voor het diversiteitsbeleid, vroegen we hoe het departement tot die stap is gekomen. Was het een kwestie van noodzaak, of een kwestie van visie, van anticiperen op wat er zeker komt? Chris Van Kerckhove:

Het is beide, hé. Het is zowel noodzaak als visie als anticiperen. Noodzaak, maar dan niet in de negatieve betekenis van het woord, maar in de positieve betekenis. Zoals je hebt gezegd in jouw inleiding, geconfronteerd worden met een instroom, een rijkere instroom aan diversiteit, aan studenten, en ook aan collega’s natuurlijk. En dan moet je daar op een of andere manier mee weten om te gaan, daar heb je behoefte aan in de praktijk, maar ook in theorie, aan een beleid, aan een poging tot het managen van die diversiteit. Anderzijds heb je natuurlijk een andere realiteit, namelijk dat we werken in associatie met Hogeschool Gent, dat we kaderen binnen de VLOR en dat beide instellingen en ook de Hogeschool Gent op algemeen vlak een visie hebben over diversiteit en dat wij ons ook wilden inschrijven in die visie. Maar die visies zijn zo ruim dat je daar heel wat speelruimte hebt, en van die speelruimte hebben we gebruikgemaakt om ons beleid uit te schrijven.

Vraag is dan natuurlijk: hoe bouw je een diversiteitsbeleid uit? In jullie visietekst lees ik de stelling: ‘nadenken over diversiteit is nadenken over identiteit’!

Veel mensen denken: diversiteit is zo’n beetje alle remmen los. Er bestaan geen mensbeelden meer, om het kort te houden, er bestaat geen identiteit meer. Waar wij van vertrokken, is om na te denken over: wie zijn wij nu eigenlijk als onderwijsinstelling? Met andere woorden, wat hebben wij te bieden? Welke waarden staan wij voor? Welke normen staan wij voor? Welke levensbeschouwing staan wij voor? Hoe kijken wij naar onderwijs? Hoe kijken wij naar mensen, zowel naar collega’s als naar instromende studenten? En dan zeggen we: kijk eens hier, wie wij zijn, bepaalt welke studenten hier komen studeren. Ik zal misschien een heel eenvoudig voorbeeld geven. Als wij een diversiteitsbeleid willen uitbouwen en een divers publiek aan studenten willen aantrekken, dan zouden we ons kunnen focussen op studenten die tijdens de middag moeten kunnen relaxen in een zwembad. We hebben hier geen zwembad. Dus dit is geen deel van onze identiteit, dus dergelijke studenten kunnen wij niet aantrekken. Anderzijds zien we veelal bij een uitwerken van een diversiteitsbeleid dat men diversiteitsbeleid gaat reduceren tot een groependiversiteitsbeleid: men gaat focussen op bijvoorbeeld mensen die het Nederlands minder goed beheersen, of mensen met een fysische beperking, en daar gaan we onze focus, daar gaan we ons beleid, op afstemmen. We zeggen: neen, wij gaan ons beleid niet afstemmen op groepen, maar op onze identiteit. Wat kunnen wij bieden, bijvoorbeeld op het vlak van faciliteiten, of op het vlak van pedagogisch-didactische werkmiddelen? Faciliteiten bijvoorbeeld betekent dat wij gaan nadenken over: kunnen wij een methodiek ontwikkelen waardoor we slechthorende studenten toch de kans kunnen geven om hier, aan ons departement, les te komen volgen? Dat is een methodiek. Hebben wij die methodiek? Dan is dat een deel van onze identiteit. Met andere woorden, we gaan eerst onze identiteit uitbouwen, niet omgekeerd. Niet kijken – en dat is meer een passieve manier – welke studenten stromen er in, en dan gaan kijken, kunnen we daar nu iets mee doen? Kunnen we aan hen op een degelijke manier, op een kwaliteitsvolle manier lesgeven? Dat is een omgekeerde manier. Wij zeggen: neen, die methodieken die we ontwikkeld hebben, zullen bepalend zijn voor de instroom van de studenten.

Het spreekt voor zich dat een diversiteitsbeleid – wil het kans op slagen hebben – enkel een integraal beleid kan zijn. Dat wil zeggen dat het zich bij alle actoren, dus zowel bij de studenten als bij het personeel, moet waarmaken!

Ik zou het nog een beetje polemischer durven te stellen: om met diversiteit te kunnen omgaan als personeelslid van dit departement, van een universiteit of van een hogeschool in het algemeen, of van een gewone school, humaniora bijvoorbeeld of basisonderwijs, moet je natuurlijk als leerkracht zelf de tools hebben om met diversiteit om te gaan, moet je de competenties hebben om met diversiteit om te gaan. Wat gaan wij nu doen? In de praktijk moeten we dus kijken of onze collega’s – en ikzelf natuurlijk ook, want ik ben een van deze collega’s – over de competenties beschikken om met diversiteit te kunnen omgaan. Wel, wij hebben een test opgesteld, een soort screening, een toets, die we eind vorig academiejaar hebben afgenomen en die we nu aan het verwerken zijn, en dan gaan we kijken welke, we noemen het ‘sleutelcompetenties diversiteit’, hier aanwezig zijn en welke niet. Op basis daarvan zullen we dan vormingen, kans tot bijscholing, acties ondernemen, om die competenties zich toch te kunnen laten ontwikkelen. Anderzijds zijn we hier ook bezig met een enquête op te stellen die we binnenkort – eind oktober, begin november – zullen afnemen. Die enquête wil juist testen, nagaan welke visies op diversiteit er leven, zowel bij de collega’s als bij de studenten. Het is ook nuttig om te weten welke visies er zijn, als je diversiteit wilt managen. Bijvoorbeeld veel van onze instromende studenten denken: diversiteit, ha, veel culturen, Marokkanen, Turken, Russen, Oostblokkers, dat is diversiteit. Neen, diversiteit is veel meer dan dat. Daar willen we eens toetsen hoe wij naar diversiteit kijken.

Nu, kijken naar diversiteit, kijken ook naar een diversiteitsbeleid van het departement Sociaal-agogisch werk, dan moet je natuurlijk ook de vraag stellen: welke doelstellingen wil je dan realiseren?

Als ik het heel eenvoudig en concreet houd en mij op de studenten focus, dan sluit de doelstelling die we realiseren, eigenlijk een beetje aan bij de tweede democratiseringsgolf van de voormalige minister van Onderwijs Vandenbroucke, die zegt dat er meer studenten moeten instromen in het hoger onderwijs, ook van sociaal-economisch achtergestelde milieus, laat ik het zo noemen. En dan is onze doelstelling: welk beleid kunnen wij ontwikkelen om deze mensen toch over de grens te halen, over de schreef te halen – om het zo eens in mooi Nederlands te zeggen – om die begincompetenties die soms ontbreken, te verwerven, om dan voldoende tools te hebben om de eindcompetenties te halen? Met andere woorden, om te kunnen afstuderen. Dit is onze grote doelstelling! En dan hoor ik natuurlijk al veel mensen die wat kritischer staan ten opzichte van het diversiteitsbeleid zeggen van: haha, dus jullie gaan de kwaliteit naar beneden halen. Neen, wij zullen onze kwaliteit behouden. Met andere woorden, we zullen onze eindcompetenties niet aanpassen aan de competenties van de instromende studenten, maar we zullen dus wel de competenties van de instromende studenten proberen op te krikken, zodat zij de eindcompetenties zullen halen. Vandaar natuurlijk onze slogan: ‘nadenken over diversiteit is nadenken over identiteit’. Wij blijven onze identiteit behouden, en deze identiteit zal bepalen of wij de tools hebben om die studenten de kans te geven om die begincompetenties effectief te verwerven.

Doelstellingen formuleren is één zaak. Maar om ze ook daadwerkelijk te realiseren is actie nodig. Je gaf daarnet al een paar voorbeelden, maar zijn er ook nog andere stappen die jullie hebben voorzien?

Ik vind het een zeer goede vraag, want zo’n diversiteitsbeleid schrijven is één zaak, en dan kun je dat mooi in een mapje steken en je kunt het inbinden en in de kast zetten. Als er bezoekers komen, kun je het eruit halen en zeggen: kijk eens, dit is ons diversiteitsbeleid, maar als je naar de praktijk gaat natuurlijk, op de werkvloer, moet dat daar terug te vinden zijn. Vandaar dat we een aantal acties organiseren. U hebt ernaar verwezen, ik heb er daarnet al twee genoemd, namelijk die screening sleutelcompetenties en dat bepalen van de perceptie diversiteit. Dat is één zaak, op basis waarvan we dan verder acties kunnen ontwikkelen. Maar we hebben nog twee andere grote items. Naar eentje daarvan heb ik ook al verwezen, namelijk faciliteiten. Welke faciliteiten kunnen wij nu aanbieden? Dat hebben we vorig academiejaar geïnventariseerd. Wat bieden wij aan? Wat kunnen we nog meer aanbieden? En waar liggen onze grenzen? En die grenzen worden ook bepaald afhankelijk natuurlijk van onze kwaliteit, onze eindcompetenties. Want je kunt niet zomaar elke student toelaten. Ik geef een zeer simpel voorbeeld: als je voor chirurg wilt studeren en bij het kleinste druppeltje bloed dat je ziet val je telkens flauw, kun je daar geen faciliteit voor creëren, daar is de grens van je faciliteit. Dus dat proberen wij hier ook te doen, maar daarenboven merken we natuurlijk dat diversiteit aan instroom extra last, werk en druk geeft aan collega’s. We willen dus nu ook kijken in hoeverre de communicatie rond het uitwerken van die faciliteit, dat faciliteitenbeleid, beter kan. Want we hebben nu al een rijke schakering aan faciliteiten, zowel op onderwijsvlak als op examenvlak. Bijvoorbeeld studenten met dyslexie kunnen bij ons automatisch aan de computer en krijgen daar de vragen ingelezen. Het is een heel eenvoudig voorbeeld. Maar communicatie is daar een belangrijk gegeven voor. Het is ook een belangrijk onderdeel van een werken aan diversiteit.

Tot zover nog Chris Van Kerckhove over het diversiteitsbeleid van het departement Sociaal-agogisch werk van de Hogeschool Gent. Zo dadelijk hebben we het over Attac, maar eerst muziek:

MUZIEK

Eric Goeman is woordvoerder van Attac-Vlaanderen, een internationale beweging, met wortels in Frankrijk. Attac werd in 1998 opgericht en is dus al meer dan tien jaar actief. Maar waarvoor staat Attac? Eric Goeman:

De naam Attac is een samentrekking van een aantal begrippen. Uiteindelijk is de vertaling daarvan: associatief netwerk voor een taks op financiële transacties en voor het aansterken van de civiele maatschappij. Eigenlijk zitten de twee speerpunten van Attac daarin. Aan de ene kant gaat het over fiscaliteit, fiscale rechtvaardigheid, en bij ons dan over mondiale fiscale rechtvaardigheid. En het tweede, het aansterken van de civiele maatschappij, dat betekent de burgermaatschappij. Dat betekent bij ons niet de burger van Guy Verhofstadt in zijn “Burgermanifesten”, dus niet de bourgeoismaatschappij, maar de burgermaatschappij van de burger die zich organiseert in belangengroepen, vakbonden, sociale bewegingen, actiegroepen enzovoort, en die op die manier van onderaf vorm probeert te geven aan een rechtvaardige samenleving.

Tien jaar geleden werd dus Attac opgericht. Door wie en wat was de concrete aanleiding om dat nu net tien jaar geleden te doen?

De echte Attac-France waarmee alles is begonnen, is nu elf jaar omdat het in 1998 was. De basis ligt eigenlijk bij een deel van de redactie van “Le Monde Diplomatique”, en dan vooral bij de toenmalige hoofdredacteur Ignatio Ramonet, in het midden van de Zuidoost-Aziatische crisis, een speculatiecrisis waarin zware speculanten, door te speculeren tegen onder meer de Thaise en Vietnamese munten, gewoon een crisis veroorzaakten in Zuidoost-Azië. De hoofdredacteur van “Le Monde Diplomatique” schreef een redactioneel dat “Désarmer le marché” (Het ontwapenen van de markten) heette. Dat is ook een beetje het manifest van Attac geworden. Het is daar dat hij de Tobintaks, die nadien bekend werd, onder het stof vandaan heeft gehaald. De Tobintaks was eigenlijk al uitgevonden door James Tobin in 1972, maar was in de ijskast beland van iedereen. Niemand wilde daaraan. Hij heeft dat een beetje afgestoft. De afstoffing beoogde om door een Tobintaks te heffen op financiële wisseltransacties daardoor niet alleen opnieuw de dominantie te herstellen van de politiek op de economie, net toen het omgekeerde bezig was door het neoliberalisme, maar ook daardoor een sociale pot te creëren, een mondiale sociale pot met geld van de opbrengsten daarvan om op die manier voor de derde wereld bijvoorbeeld of voor de problemen in het Zuiden, voor de aidsbestrijding, voor gratis onderwijs voor kinderen enzovoort, een pot te creëren. Dat heeft geleid tot de oprichting van Attac-France, en vanuit Attac-France zijn de eerste vergaderingen samengeroepen. Wij zijn meegestapt in 1999 in Vlaanderen. Een paar maanden voor ons was Attac-Wallonie-Bruxelles opgericht, waarmee we nog altijd samenwerken, waarmee we dan samen de structuur Attac-Belgique vormen. Nadien zijn dan de andere landen gekomen. We zijn op dit ogenblik met 58 landen. Er zijn er ook een paar in Afrika en in Zuid-Amerika, heel weinig in Azië, en het laatste land is Attac-IJsland, een eiland waar vroeger heel weinig gebeurde, waar ook geen betogingen waren, maar door de financiële crisis zijn er zowel betogingen gekomen als sociale bewegingen en dus ook de oprichting van Attac-IJsland.

Je hebt net de doelstellingen geformuleerd van Attac, maar hoe probeer je die doelstellingen te bereiken? Ergens las ik de term, het begrip, ‘actiegerichte volkseducatie’!

Voor het feit dat je moet proberen waar te maken, die burgermaatschappij die in verzet gaat, vinden wij dat het zeer belangrijk is dat die burger ook een goede politieke educatie krijgt. Het is bijna het ouderwetse woord volksverheffing, maar wij vinden dat militanten goed opgeleid moeten zijn. Als er financiële, economische of klimatologische crisis is enzovoort, moet men toch zelf de begrippen heel goed aanleren wat er aan de hand is. Wij vinden het belangrijk dat het niet een beweging is van alleen een paar mensen die iets weten en dan een grote massa leden die niets weten. Dus we vinden het belangrijk om zelf heel veel aan vorming te doen. Dat hebben we altijd geprobeerd, door allerlei debatten, vormingsavonden enzovoort. Actiegericht, omdat wij altijd een pleidooi gehouden hebben, en blijven houden, dat de straat belangrijk is. Dus niet alleen – waar veel ngo’s toch in verzeild geraakt zijn – het pure lobbywerk via achterkamertjes. Zaken die allemaal soms noodzakelijk zijn, maar die weinig transparant zijn voor leden, voor militanten, laat staan voor de meerderheid van de burgers. En daarvoor vinden wij dat het belangrijk is om zo veel mogelijk te blijven actievoeren, de straat te gebruiken, ook zoals de vakbonden dat doen. Daarom dat we ook graag met de vakbonden zo veel mogelijk actievoeren omdat we denken dat de straat het drukkingsmiddel bij uitstek blijft om ten eerste solidariteit te betonen, om naar buiten te komen en om druk uit te oefenen, vooral op politieke partijen. Want één ding hebben we zeker geleerd, los van het feit dat er sommige politieke partijen meer bereid zijn dan andere, maar toch, een politieke partij movet maar als je ze doet moven. En moven betekent dat ze druk moet voelen van onderaf. En als ze die druk niet voelt, dan kun je gewoon jaren pleidooien houden voor een aantal thema’s, maar die komen er nooit door. Daarom blijft het belangrijk om ook de straat te blijven gebruiken.

De thema’s die jullie bespelen, je noemde daarnet al de Tobintaks, maar ik denk ook aan andere thema’s die ruim aan bod komen. Ik denk aan de schulden van de derde wereld, ik denk aan belastingparadijzen, ook de verdediging van de openbare diensten!

Dat zijn allemaal typische Attac-thema’s omdat we tegen de financiering van de economie zijn, waardoor er een verschuiving is van de pure economie naar de financiële economie, dat betekent naar de beurzen, naar de speculatie enzovoort. Maar dat is allemaal begeleid door de deregulering, de privatisering, de liberalisering, de typische dogma’s van het neoliberalisme. Dus we hebben ons op die verschillende vlakken altijd proberen te verzetten. Maar niet alleen wij. We proberen altijd zo veel mogelijk samen te werken met andere sociale bewegingen, ngo’s en vakbonden. Dus een van de zaken waarin we juist in België het sterkst zijn, dat is dat wij al tien jaar FAN hebben, het Financieel Actie Netwerk, en ook in het Franstalige gedeelte van België, het Réseau pour la Justice Fiscale, waarin de beide Attacs een grote rol spelen. Daardoor hebben wij in België, als enige land in de wereld, een Tobintakswet kunnen laten stemmen in juni 2004. En hebben we samen met de vakbonden actiegevoerd rond de Bolkesteinrichtlijn, tegen de GATS-onderhandelingen waarbij de openbare diensten vermarkt gingen worden en duidelijk overgeleverd gingen worden aan het private. Al dat soort dingen proberen we op alle mogelijke terreinen te doen, maar het is niet alleen met vallen en opstaan. Natuurlijk, als men mij vraagt of ik veel bereikt heb in die tien jaar, dan moet ik antwoorden: neen. Het enige wat we zeker bereikt hebben, is dat we wat ik noem de beweging voor mondiale rechtvaardigheid, waarvan Attac een van de speerpunten is en nog altijd blijft, steeds aanwezig is op de momenten waar we moeten aanwezig zijn, na de beginjaren, waarvan iedereen zich nog een beetje Seattle herinnert, en daarna Genua, Göteborg, Praag, tot in Brussel in 2001. Er vindt wel evenveel plaats, maar de media hebben hun belangstelling verloren. We zijn zelf een beetje in die val getrapt met de beweging omdat ik denk dat we ook van alles hebben gedaan om die media – de massamedia dan – te lokken door zo visueel mogelijk actie te voeren enzovoort, waardoor we eigenlijk zelf in die valstrik gestapt zijn. Maar na een tijd is dat liedje uitgezongen natuurlijk. En nu heeft de beweging na tien jaar – en dan noem ik dus de volledige beweging, niet alleen Attac, met de Wereld Sociale Fora, met de Europese Sociale Fora – eindelijk aan diepgang gewonnen en heeft ze voor deze financiële, economische of klimatologische crisis honderden analyses en concrete voorstellen, alleen zijn de media, de massamedia, daar niet meer geïnteresseerd, dat is te moeilijk. En ten tweede, we zijn niet in staat, en ook niet in staat geweest de voorbije jaren, tijdens de financiële crisis, om onze concrete voorstellen politiek te vertalen en door te laten drukken. Integendeel, als je ziet de G20, waar we nog tegen geprotesteerd hebben in Londen, dat men daar nog een ruimer mandaat heeft gegeven aan het IMF, al tien jaar een van onze vijanden, sinds Seattle, in die hele neoliberale privatisering en liberalisering. Het IMF krijgt nog meer speelruimte van de G20. Dus we zijn op dit ogenblik niet in staat om onze punten politiek te verwezenlijken.

Conclusie: om het in de woorden van Attac te zeggen, een andere economie is nodig, heel dringend zelfs, en een andere wereld is mogelijk!

Sowieso blijft het nodig. We weten heel goed waarin we zitten, namelijk niet alleen de hardste financiële crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, gevolgd door een economische crisis waarin natuurlijk opnieuw de gewone werknemers de pineut zijn. Zij worden bij bosjes gewoon op straat gegooid, zoals men vroeger zei, op de keien gegooid. Je krijgt daarbij die klimaatcrisis, die alleen maar wordt gebruikt om een soort façade van vergroening van economie, eigenlijk is het meer façade. Je krijgt daardoor ook een diepe sociale en politieke crisis, want de scheidingslijn tussen aan de ene kant de elites en de grote massa van mensen, werknemers, werklozen, uitgestotenen, migranten, asielzoekers enzovoort, wordt eigenlijk steeds groter.

Tot zover nog Eric Goeman, woordvoerder van Attac-Vlaanderen. Wie meer wil weten over Attac, kan terecht op vl.attac.be.

Daarmee zijn we aan het eind van HVW. Samenstelling en presentatie waren van FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel.: 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op www.h-vv.be.

Volgende week hebben we het over “Identiteit ontwikkelen”, en is er ook een bijdrage van het WF.

Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!

Muziek:

10”       High Heels – Sakamoto                                                           Sakamoto        262975

40”       Meditation for the celestial warriors – Kahil El’Zabar Trio            K. El’Zabar       DG-541

 

 

Valide CSS!