Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow De taal van de traan - Bronzen Uil
De taal van de traan - Bronzen Uil
Uitz.: 28.11.2011
Opn.: 24.11.2011
Real.: Frank Stappaerts/Karel Van Dinter

De taal van de traan/WF: Bronzen Uil

Beginwijs
--
Goedenavond en welkom in HVW. Straks, in een bijdrage van het WF, besteden we aandacht aan de Bronzen Uil, en die ging naar Jan Vantoortelboom. Maar starten doen we met Christian Van Kerckhove en Nadine De Stercke. Vorig jaar gaven zij, als resultaat van een studiedag, een boek uit over een wel erg bijzonder thema: tranen. Titel van het boek is dan ook "De taal van de traan". Mag ik daaruit begrijpen dat we die taal kennen, dat we met andere woorden weten waarom mensen huilen? Nadine De Stercke:

"Dat is een heel moeilijke vraag, in die zin dat je dat niet kunt duiden. Tranen kun je niet echt in een definitie vastpakken. Ik vergelijk het een beetje met wat Jean Paul Van Bendegem op de studiedag verteld heeft. Hij zou tranen vergelijken met familiegelijkenissen, dat is een term, een concept van Wittgenstein, een Oostenrijkse filosoof, en hij zegt dat tranen onder te verdelen zijn in: 1° biologische tranen. Hij zegt: er zit heel wat zout in, natrium, calcium, denk ik, in tranen. 2° De intentionele, dat is de traan vanuit pijn, vanuit ontroering. Maar dat is zo'n meerduidige taal; als iemand weent, kan dat evengoed vanuit ontroering zijn of vanuit machteloze woede. 3° Een derde familie is de symbolische familie. Dat zijn tranen die niet onder te verdelen zijn in die andere definities. Dat is bijvoorbeeld het walsen van de wijn, dat is als er wijn ingeschonken wordt: je wilt die proeven, je gaat die draaien, je gaat die een beetje schuin leggen, en als de wijn zijn rust gevonden heeft, dan keert dat terug in de vorm van een traan. Dat noemt hij dan de symboliek. Inderdaad, er is geen afgegrensde definiëring. De taal van de traan is heel erg meerduidig. Vandaar dat tranen altijd bevraagd moeten worden. In de praktijk ook: je kunt er niet van uitgaan dat, als cliënten wenen, je weet waarom ze wenen. Eigenlijk moet je altijd die taal gaan bevragen.
Wat wij ook gemerkt hebben op de studiedag, is dat er heel wat dominante opvattingen zijn over tranen. Een dominante opvatting is dat tranen altijd intrapsychisch zijn, alsof ze tot de binnenkant van de mensen behoren, alsof er iets opwelt in mensen en ze beginnen te wenen. Dat is één dominante opvatting. Een tweede dominante opvatting is dat tranen opluchten. Wij hebben daar eigenlijk een tegenidee over gegeven: tranen zijn eigenlijk altijd interpsychisch. Het is niet intrapsychisch, maar het gebeurt tussen mensen, of tussen iemand en iets bijvoorbeeld. Je kunt ontroerd geraken door kunst, je kunt kwaad worden op mensen, maar het heeft altijd met anderen te maken. Zelfs als je alleen weent, en dat was het onderzoek van Ad Vingerhoets, dat vooral mensen alleen wenen of met een vertrouwenspersoon erbij, maar als ze alleen wenen, is het dikwijls ook omdat ze denken aan iets wat die dag of in die periode gebeurd is. Of bijvoorbeeld een verdrietige film roept iets op vanuit het interrelationele. Dat was één dominante opvatting die wij niet echt gevolgd hebben. Dus wij kiezen voor dat interrelationele. Een tweede dominantie is van: huilen reinigt het bloed van schadelijke stoffen en lucht in die zin sowieso op, zei Ad Vingerhoets, maar vanuit de universiteit van Tilburg is bewezen dat huilen ook niet altijd oplucht. Sommige mensen willen hun tranen uitstellen of willen er niet toe komen, of kunnen er niet toe komen, omdat het allemaal nog veel te pijnlijk ligt. Huilen lucht niet altijd op. Er zijn bepaalde voorwaarden aan verbonden. Bijvoorbeeld een vertrouwenspersoon die heel dicht bij hen staat, dat is heel belangrijk."

- De taal van de traan is, zoals je al zei, een heel heterogeen gegeven. In het boek vinden we een waaier van verkenningen van mensen uit zeer verschillende disciplines!

"We hebben als vertrekpunt van het boek een koppeling aan theorie en praktijk genomen. We hadden niet zuiver theoretici, ook niet zuiver praktijkmensen, maar we hadden zo'n beetje een koppeling. Omdat je natuurlijk praktijk nooit los van de theorie kunt zien, hebben we toch een aantal wat meer inleidende intellectuele beschouwingen opgenomen in het boek. Ik denk hier aan de bijdrage van Rik Pinxten, die vanuit een antropologisch gezichtspunt naar de tranen kijkt en dus niet vanuit dat praktische gegeven van de hulpverlener. Ik denk hierbij ook aan Jean Paul Van Bendegem - Nadine heeft er al naar verwezen -, die ook op zoek ging naar: kunnen we nu definities geven van tranen? Hij komt tot het besluit, zoals daarnet aangegeven, dat er geen definities zijn te geven. En dan een aantal bijdragen die kantelen, balanceren op een theorie gebouwd, ondersteund, door de praktijk. Ik denk hier bijvoorbeeld aan de bijdrage van Hugo Stuer, die ook theoretiseert, zonder dat ik dat negatief bedoel, maar nadenkt over: wat betekent dat nu, wat voor een emotie is dat nu, die tranen? Hij spreekt van het voorlaatste taboe, want wij spreken ook niet zo graag over verdriet en over tranen, ook al zijn het tranen van vreugde, toch zijn we een beetje beschaamd daarin. Dan heb je pure bijdragen daarin die echt vertrekken vanuit de praktijk, maar die die praktijk ook overstijgen. Ik denk hier aan de bijdrage van psychoanalyticus Peter Walleghem, die zich afvraagt wie nu zorg draagt voor de hulpverlener, en enkele andere bijdragen."

- Nu, je zei het al, het is ook voor een stuk een praktijkboek. Tranen zijn permanent aanwezig in de zorg en de hulpverlening. Vinden we ook praktisch bruikbare kennis daarover in het boek?

"Een eerste belangrijke bijdrage in het boek vind ik toch de tweede bijdrage van dr. Hugo Stuer, die spreekt over tranenloos. Hij zegt: kijk eens hier, vele mensen, ook in zijn praktijk als huisarts, wenen niet meer. Dat is net zo'n belangrijke emotie om daarbij stil te staan: die afwezigheid van die tranen, die veel meer zegt dan de aanwezigheid van die tranen. Je zou bijna kunnen zeggen dat in de hulpverlening je die tranenloosheid zou moeten kunnen omzetten in tranenvolheid, zonder dat het therapeutisch zou werken, zonder dat je zou kunnen zeggen dat het oplucht, maar om het probleem, de complexiteit, te deblokkeren. Anderzijds heb je bijdragen, ik denk hier aan een bijdrage van Tele-Onthaal, je zou dat kunnen noemen: tranen op afstand. Hoe ga je ermee om als er iemand aan de telefoon is die je niet rechtstreeks ziet, maar die toch weent, en je hoort in die stem dat daar een traan weerklinkt? Dat is een praktische bijdrage. Ik denk ook aan een zeer mooie bijdrage over hoe mensen die een kind hebben met een beperking, dat verdriet verwerken en daarmee leren leven, dat kunnen omzetten tot iets wat toch nog positief is. Waarom is dat zo'n mooie bijdrage? Omdat we hier een casestudy hebben. Twee, een man en een vrouw, die effectief een kind met een beperking hebben, die hun verhaal vertellen, maar in een context van theoretici, orthopedagogen, die daarmee omgaan en die die mensen ook hebben begeleid. Daar kun je natuurlijk wel het een en ander uit leren, denk ik."

- Hebben we te maken met een universeel menselijk fenomeen of zijn tranen eerder cultuurgebonden?

"Wij vermoeden - en dat is ook zo bevestigd op de studiedag door verschillende sprekers - dat het eigenlijk heel erg cultuurgebonden is. Er is onderzoek gebeurd door een Amerikaanse antropoloog die gekeken heeft naar verschillende uitingen van emoties in verschillende culturen. Zo zei hij ook dat in Amerika bijvoorbeeld emoties veel meer individueel ervaren worden. In China bijvoorbeeld worden die veel meer gedeeld. Maar zelfs bij ons, in onze cultuur (het is ook heel erg cultureel gebonden), gedragen tranen zich volgens de gebruiken en verwachtingen. Bijvoorbeeld, wij vinden kinderverdriet heel klein verdriet, terwijl dat voor kinderen misschien een heel andere beleving is. Ik gaf het voorbeeld in de inleiding: als zenuwachtig zijn voor een inleiding gezien zou worden als niet-competent, dan ga je die zenuwachtigheid camoufleren, verstoppen, wegsteken. Het is cultuurgebonden en heel erg minder individueel. Ik denk dat de sociale perspectieven belangrijker zijn dan het individu, dat mensen zich echt gedragen volgens de gebruiken. Bijvoorbeeld, op een begrafenis wordt er veel minder geweend, mensen nemen een pilletje om het te doorstaan, terwijl in andere culturen de tranen de vrije loop gaan. Ik kan mij voorstellen dat de gemiddelde mens in Portugal meer weent dan bijvoorbeeld de mentaliteit van de Engelsen, de sterkhoudersmentaliteit van de Engelsen.
Dus uiteindelijk is het cultureel bepaald, maar het is terzelfder tijd - en dat is het spanningsveld - ook een universeel gegeven, omdat uiteindelijk iedereen weent, iedereen heeft tranen. De manier waarop ze naar voren komen, bij welke gelegenheid, op welke manier, is verschillend volgens de cultuur."

Tot zover nog Nadine De Stercke, en voordien hoorde u Christian Van Kerckhove. Hun boek, "De taal van de traan", waaraan ook Hugo Stuer meewerkte, is een uitgave van Standaard Uitgeverij én is te koop in de goede boekhandel. Zo dadelijk het WF en de Bronzen Uil, maar eerst muziek:

Muziek:
0'30" Langs de Steengracht    W. Vermandere    W. Vermandere    017 193-2

En dan nu de bijdrage van het WF. In een gesprek met auteur Jan Vantoortelboom, winnaar van de eerste Bronzen Uil.

"Toen iedereen de deur uit was en ik vanuit de keuken naar het kale achterhoofd van mijn vader zat te kijken, rook ik een bekende geur. Ik naderde hem en zag dat hij met moeders pruik in zijn handen zat. In haar laatste maanden in het ziekenhuis in Sint-Jan had ze haar lichaam dagelijks ingesmeerd met eau de cologne. Dat rook ze zó graag. De geur maakte mijn benen week en ik vloekte binnensmonds. Alle heiligen, met de maagdelijke Maria voorop, konden de boom in, want als er zelfs door het misdienaarschap geen verzachtende omstandigheden waren af te dwingen, dan was het ijdel tijdverdrijf. Op dat moment bezwoer ik mezelf dat ik nooit meer een voet binnen een kerk zou zetten. Zo snel mogelijk wilde ik pastoor Goeghebeure inlichten over het feit dat ik mijn misdienaarspij voorgoed aan de wilgen zou hangen, want in mijn ogen kende God geen genade meer. Zelfs niet voor zo'n brave engel als mijn moeder. Dus ik ook niet. En Bert dacht er ook zo over. We lieten vader achter, wezenloos starend naar de tv, met de pruik nog in zijn vuisten."

("De verzonken jongen", Jan Vantoortelboom, pp. 14-15)

Jan Vantoortelboom met een stukje uit "De verzonken jongen", zijn debuutroman. Daarmee won hij de allereerste Bronzen Uil, de jaarlijkse prijs voor het beste debuut in het Nederlandstalige taalgebied ter waarde van 5000 euro. En een initiatief van het WF. "De verzonken jongen" is een familiekroniek over het leven in het West-Vlaamse Elverdinge, plek waar Vantoortelboom opgroeide. Het werd een haast pastoraal verhaal over de zoektocht naar afstamming en eigenheid, via familiegeheimen, een vermoedelijke incest, doodslag, een geloofscrisis, West-Vlaamse stugheid en geborgenheid. Jan Vantoortelboom kreeg er dus de eerste Bronzen Uil voor. Wij vroegen alvast wat dat doet met een mens.

"Heel veel eigenlijk. Ik heb er de nacht erop niet van kunnen slapen, om te beginnen. Als ik een boek schrijf, dan zijn er twee dingen waar ik niet aan denk. Dat is aan de lezer, want dan ga je het schrijfproces sturen, dan ga je jezelf verloochenen en dat, vind ik, dat een schrijver niet moet doen. En het andere is een prijs die eventueel zou kunnen volgen op wat je geschreven hebt. Voor mij was dat een complete verrassing. En een heel mooie en echte erkenning en een voldoening voor wie die dan krijgt. Ja, die aanzet om heel veel meer te gaan schrijven en je best te blijven doen."

- Ja, het is eigenlijk een familiekroniek geworden. Is het een autobiografische roman geworden?

"Ik denk, als je puur de feitjes uit het boek zou vissen, hé, de feiten die ik beschrijf, dan kun je wel zeggen dat 80% echt gebeurd is. Maar je kunt geen boek baseren puur op feiten, dus moet je ook een verhaal hebben. Het verhaal is voor een groot stuk verzonnen. Er zijn feiten die waar zijn, bijvoorbeeld mijn grootvader die zich van het leven beroofd heeft, mijn moeder die vroeg gestorven is, de kerktoren waar ik op loop, dat zijn allemaal dingen die echt gebeurd zijn. Maar de herkomst bijvoorbeeld van het litteken van de grootvader, dat is er allemaal bij verzonnen om ook de spanning in het verhaal te krijgen. Dus ja, het is voor een groot stuk autobiografisch, puur feitelijk, maar het verhaal an sich is verzonnen."

- Het speelt zich in hoofdzaak af in Elverdinge, een West-Vlaams dorp. Een nest zouden wij zeggen. Met alle stereotypen die daar vaak aan verbonden worden, toch in de Vlaamse literatuur: de roddelpartijen, de almacht van de notaris - of de invloed van de notaris in dit geval -, het werkvolk dat komt werken bij de notaris, de pastoor die een rol speelt, een dokter enzovoort. Zijn die personages zelf echt uit het leven gegrepen?

"Ik moest mij verplaatsen in die tijd. En wat ik weet of wist van die tijd, is bitter weinig, aangezien ik die tijd niet zelf heb beleefd. Ik denk dat die personages inhoudelijk vooral gestoeld zijn op de lectuur van boeken die ik moest lezen toen ik jong was. Maar ik heb niet bewust onderzoek gedaan naar die personen, noch zijn ze uit het leven gegrepen."

- Bijvoorbeeld als je gaat vergelijken, tussen jouw broer, Bert, en dan een figuur die eerder opdraaft, maar die in het boek toch wel de rode draad opmaakt, Victor, de grootvader die ook een verschrikkelijk litteken heeft in het gezicht en zo, die ook heel wat heeft meegemaakt, eigenlijk een halve bruut is, of een hele bruut is… Zijn dit realistische figuren?
 
"Ik heb één broer. Hij hield of houdt ongelooflijk van dieren en zo portretteer ik hem ook, tot op het moment dat ik hem een gans laat opensnijden. Toen mijn broer dit las, was hij geschrokken, van: 'Kijk, zo ben ik niet.' Ik zeg: 'Je bent ook niet het personage. Ik heb stukken van jou overgenomen.' Ik ken natuurlijk onze hele voorgeschiedenis, we zijn samen in dezelfde streek in hetzelfde gezin opgegroeid. Maar ik heb er ook weer een draai aan gegeven, die het verhaal ten goede zou komen. En de grootvader. Mijn grootvader was een stugge, sterke man die steeds op zondag in zijn zetel op de hoek zat, met een mes druivenpitten van tussen zijn tanden aan het peuteren. Die had geen litteken in zijn gezicht. Maar die man was redelijk onbenaderbaar. En mijn andere grootvader, die zelfmoord heeft gepleegd, ja, ik heb nooit kunnen vragen wat er de reden van was. Ik heb dat proberen te ontdekken, in de familie, maar dan heb je die West-Vlaamse stugheid en stilzwijgendheid over dat soort emotionele dingen. Tot op de dag van vandaag weet ik niet waarom mijn grootvader zich van het leven beroofd heeft. Ik zou het kunnen vragen aan mijn oma, die 92 jaar is en nog leeft, maar het is mij ten zeerste afgeraden."

- Stoffel, neem ik aan, dat ben jijzelf. En die verzamelt dan allerlei, ja, bijna, relikwieën van die grootvader. Die kruipt onder tafel om dingen te verzamelen van de meest uiteenlopende soort, dus ook de pitjes die van tussen de tanden komen tot en met de keutels uit de neus enzovoort. Wat is daar eigenlijk de symboliek van?

"Achteraf gezien - want toen ik dat schreef, dacht ik niet aan symboliek - maar achteraf gezien is dat te verklaren door het feit dat Stoffel bang is voor die grootvader. Die is familie van hem, hij wil weten wie die man is, durft hem niet te benaderen, maar probeert, denk ik, betekenis te geven aan die man door die stukjes van die man te verzamelen. Stukjes tand, vingernagels, stukjes eelt die hij van zijn handen prutst. En dat bewaart hij allemaal. Ik denk dat hij op die manier voor zichzelf betekinis weet te geven aan die grootvader van hem."

- Een andere belangrijke persoon in de roman is de moeder, die op zeer vroege leeftijd sterft. Je beschrijft dat zeer liefdevol, maar het leidt ook - en dat heb je ook gelezen daarjuist in die passage - tot een soort van geloofsafval, een geloofscrisis.

"Laten we duidelijk zijn dat dat inderdaad het moment was dat God voorgoed uit mijn leven verdween en nog altijd is verdwenen. Wij moesten vroeger op zaterdagavond en zondag met het hele gezin naar de kerk. Toen mijn moeder gestorven was, is dat zelfs voor mijn vader verwaterd. Toen heeft zelfs mijn vader ooit nog gezegd van: 'Dit hoeft voor mij niet meer. Als mijn vrouw, die helemaal hét voorbeeld van een goede huismoeder was en een goede vrouw was…' Als die hem ontnomen wordt, ja dat… Dus dat voorbeeld had ik ook al van mijn vader. Die zei van: 'Ja, God, God bestaat niet.' Tot op de dag van vandaag zelf ben ik, denk ik, een soort van agnost."

- Stoffel blijft achteraf toch heel mild. Ondanks het feit dat hij de kerk adieu zegt, vaarwelzegt, en zijn misdienaarschap opgeeft, blijft hij toch een goede verstandhouding houden met diezelfde pastoor, die toch een verdediger is van het geloof.

"Mijn broer is misdienaar geweest, ikzelf ben geen misdienaar geweest. Maar ik heb wel gezien hoe mijn broer een goede band had met die pastoor, pastoor Mulier van Elverdinge was dat. Die is ondertussen al gestorven. Heel aimabele man… En ja, het is eerder de persoonlijkheid van die man dan het katholieke geloof zelf die indruk maakt op Stoffel. Hij is een heel intelligente persoon, kan zich ook invoelen in Stoffels situatie en gaat ook een gesprek met hem aan. En dat maakt heel veel indruk op die jongen. Ook omdat hij bepaalde inzichten meegeeft over de fantasie en de rol van fantasie in een menselijk leven. Dat het belangrijker is dan geloof. Dat dat aan de basis ligt van geloof, zelfs."

- Een andere rode draad in het hele verhaal, is het roodborstje, dat een soort van totem wordt in het verhaal, hé.

"Als je dat vogeltje ziet, is het liefelijk en mooi. Maar het kan best ook agressief zijn. Die rode kleur van die borst vond ik ook altijd heel erg mooi, ik weet niet waarom. En dat paste toen ook een beetje bij de sfeer die ik wilde scheppen tussen Victor en zijn zusje Lora. Rood: kleur van liefde, passie enzovoort."

- Van haar bloed uiteindelijk, want ze kleurt het met haar eigen bloed.

"Ja, dat is dan inderdaad symboliek die achteraf in het verhaal sluipt. Of op het moment dat je het zelf schrijft. Maar onbewust, ik kan het moeilijk uitleggen."

- Hij begeert haar ook, het is een mooie vrouw, het is een mooi meisje. En ja, er is sprake van incest. Hoewel het niet helemaal 100% uitgesproken wordt. Maar het gebeurt toch wel. Het blijft een last die men moet blijven dragen, blijkbaar in het hele verhaal.

"Ja, dat klopt. Hij is iemand die zijn gevoelens niet kan uiten. Dat vind ik ook wel vaak terug in de West-Vlaamse mentaliteit. Ook in de Zeeuws-Vlaamse, trouwens. Mensen kunnen moeilijk over hun gevoelens praten. Hij wordt verliefd op zijn zus en randt haar ook aan, uiteindelijk. Het is ook zo dat dat in het verhaal, naar het einde toe, enorme consequenties heeft."

- Maar het roept wel vragen op over uiteindelijk de afstamming of de verwantschap van Stoffel, hé?

"Door het feit dat hij nu zijn geschiedenis en zijn afkomst kent, kan hij ermee verder, kan hij het voor zichzelf afsluiten, echt zijn leven beginnen, en het boek eindigt ook met een optimistische noot."

- Was het ook jouw bedoeling om op een bepaalde manier iets van je af te schrijven?

"Ik denk het wel. Ik wilde het verhaal van een gelukkig gezin beschrijven en dan wat er gebeurt wanneer een liefdevol persoon, de moeder, wegvalt in dat gezin. Het is uiteindelijk iets helemaal anders geworden. De intentie was therapeutisch te schrijven en er dan beter van te worden. Het heeft niet gewerkt. De "why" van voordien, daar blijf je mee zitten. Ook na dit boek. Maar het heeft heel veel mooie dingen teweeggebracht. Dus ik moest dat inderdaad van me af schrijven. Maar wat er dan in het kielzog daarvan gebeurt, daar denk je niet eens aan. En dan een prijs toegewenst krijgen, dat is voor mij zo'n mooi moment van erkenning om echt verder te gaan met waarmee ik bezig ben."

Jan Vantoortelboom, winnaar van de eerste Bronzen Uil met "De verzonken jongen". Dat boek werd uitgegeven bij Uitgeverij Contact. Uiteraard een aanrader. Voor meer informatie kunt u ook bij het WF terecht: <www.willemsfonds.be>. Telefoneren kan op 09-224.10.75.

Daarmee zijn we aan het eind van HVW. Samenstelling en presentatie waren van KVD en FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen. Tel. 03-233.70.32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op <h-vv.be>, waar je de uitzending nog even kunt herbeluisteren.
Volgende week praten we met Detlef Petry over "Uitbehandeld, maar niet opgegeven" en hebben we het ook over overvolle gevangenissen.
Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!

--
Muziek:
0'10"    High Heels – Sakamoto            Sakamoto    262975
3'05"    Tears dry on their own – A. Winehouse    A. Winehouse    1714211
 

Valide CSS!