Home arrow Onze Media arrow Radio/ Tv arrow Cursus N.C. Zedenleer / Het erotische werk van Louis Paul Boon - Deel II
Cursus N.C. Zedenleer / Het erotische werk van Louis Paul Boon - Deel II

HVW – HVR

Uitz.: 01.09.08

Opn.: 26.08.08

Real.: KVD / FS

Cursus N.C. Zedenleer / Het erotische werk van Louis Paul Boon

Beginindicatief

-- Goedenavond luisteraar en welkom in HVW. Vandaag hebben we het over Louis Paul Boon, en meer in het bijzonder over zijn erotische en pornografische werk. Straks daarover een gesprek met Kris Humbeeck, want we starten met de cursus Niet-Confessionele Zedenleer.

KVD

MUZIEK

Onlangs verscheen deel zestien van het verzameld werk van Louis Paul Boon, het zogenaamde erotische en pornografische werk. Kris Humbeeck, hoogleraar Literatuur aan de UA en directeur van het Louis Paul Boon-Documentatiecentrum, stond in voor de wetenschappelijke leiding. Het meest bekende van dat pornografische werk is ongetwijfeld “Mieke Maaike’s obscene jeugd”, maar er zijn ook andere geschriften opgenomen. Kris Humbeeck:

Dat klopt, naast de bestseller “Mieke Maaike” hebben we ervoor geopteerd om nog twee andere pornografische romans van Boon op te nemen, namelijk “Zomerdagdroom” uit 1973 en het postuum gepubliceerde “Eens op een mooie avond”, dat eigenlijk, zou je kunnen zeggen, de ruwe oerversie is geweest van “Mieke Maaike’s obscene jeugd”. Daarnaast hebben we ook een representatief staal opgenomen van de intussen ook zeer beruchte “Fenomenale feminateek”.

Boons werk werd vanaf het begin getypeerd door een grote vrijmoedigheid inzake het seksuele. Maar met “Mieke Maaike” overschreed hij toch een grens. Ging het om pornografie of om een parodie op pornografie?

Het antwoord op deze vraag hoef ik gelukkig zelf niet te verzinnen omdat Boon in 1975 in een brief zelf heeft onderstreept dat hij het allemaal heeft bedoeld als een parodie. Een parodie op pornografie, maar eigenlijk eerst en vooral een parodie op een cultuur die in zijn ogen ten prooi viel aan pornoficatie. Dat heeft hij willen aanklagen, dat heeft hij willen hekelen, in de vorm van een pornografisch verhaal.

Nu, kwam dat ook zo over bij de mensen, bij de lezer? Ik bedoel: van “Mieke Maaike” zijn er 165.000 exemplaren verkocht!

Ja, van die 165.000 kopers van “Mieke Maaike” zullen er niet zo heel veel zijn geweest die dachten dat ze een parodie kochten. Ik denk dat “Mieke Maaike” voor alles gold als een bijzonder stout boekje en dat heeft enerzijds te maken met de context waarin dat boekje verscheen. Ik denk dat heel veel Vlamingen, maar ook Nederlanders, niet helemaal klaar waren met hun seksuele revolutie. Die hadden dus eigenlijk niet zo’n nood aan een, laten we zeggen, parodie op een doorgeschoten seksuele revolutie. Anderzijds was het natuurlijk ook zo dat Boon een bepaald imago had en dat hij mede door dat imago werd gezien als een auteur die een echte pornografische roman zou schrijven in plaats van een parodie van zo’n pornografische roman.

Boon had een imago, zeg je. Maar hoe kwam hij dan aan dat imago?

Ik denk dat hij vanaf het allereerste begin als schrijver, naar Vlaamse normen, schandalig vrijmoedig was. Je ziet in die vroege werken van Boon, en dan is er van laat ik zeggen pornografie – laat staan van parodieën op pornografie – nog helemaal geen sprake, thema’s opduiken als menstruatie, onanie, allerlei vormen van seksuele perversie, pedofilie, lustmoorden, ... Dat is niet een thema wat Boons vroege werk domineert, maar het is er wel prominent in aanwezig. En dat heeft ervoor gezorgd dat Boon al heel snel, met name in de katholieke zuil, het etiket van vuilschrijver opgeplakt kreeg. Het verband is misschien aardig om op te merken, dat katholieke integristen in 1945 de roman “Abel Gholaerts” werkelijk als vuilschrijverij etiketteerden. Een van de twee romans die in dat jaar in het tijdschrift “Boekengids”, het bibliografische naslagwerk en lectuurrepertorium, worden gekwalificeerd als verboden lectuur. Het andere boekje dat ook als zodanig wordt gekwalificeerd, is een uit het Frans vertaalde bundel aangebakken mopjes van tijdens de bezetting. Want dat was het imago van Boon - overigens niet alleen in de katholieke zuil, maar ook ver daarbuiten. Dan moet je ook zeggen dat Boon heel erg zijn best heeft gedaan om dat imago nog eens een keer te versterken. Bijvoorbeeld in de krant Vooruit besteedt hij heel erg veel aandacht aan het societyleven en daar is hij toch wel heel erg geïnteresseerd in de meer saillante details van dat societyleven. Hij publiceert ook onder nogal doorzichtige pseudoniemen enkele erotisch getinte verhalen, hij publiceert een wetenschappelijk bedoelde roman, “De paradijsvogel”, maar een roman die toch maar gaat over de verafgoding van filmsterren en over de seksuele en erotische uitstraling van die filmsterren. Hij publiceert een boekje als “Koninginnen met kronen van karton” over de hedendaagse iconen in de populaire cultuur, die ook alweer beschikken over een bijna bovenmenselijke erotische uitstraling. Hij was daar heel erg in geïnteresseerd en hij was niet iemand die een blad voor de mond nam, behalve in dat ene geval dan, “Eens op een mooie avond”, zijn door Sade geïnspireerde parodie, die hij in portefeuille heeft gehouden en die uiteindelijk pas postuum gepubliceerd is omdat dat dan toch nog wat erger is dan alles wat hij al had gepubliceerd en wat hem zo’n slechte naam had bezorgd in Vlaanderen.

Boons “Fenomenale feminateek”, een verzameling van meer dan 22.000 erotische plaatjes, kwam onlangs nog in het nieuws omdat een Antwerps CD&V-politicus een tentoonstelling ervan verbood. Maar, lees ik in het nawoord, een “Fenomenale feminateek” zou er nooit zijn geweest als Boon niet als redacteur was gaan werken bij de krant Vooruit!

Ja, maar om elk misverstand te vermijden: het is natuurlijk niet zo dat de krant Vooruit opdracht had gegeven aan Boon om eens een “Fenomenale feminateek” aan te gaan leggen. Maar het is wel zo dat Boon 6 november 1954 als vast redacteur in dienst treedt bij Vooruit, waar hij de opdracht krijgt om een aantal rubrieken te openen waardoor de band tussen die socialistische krant en het volk, zijn lezerspubliek, versterkt kan worden. Dan begint Boon allerlei nieuwtjes te sprokkelen over het internationale societyleven en tegen die achtergrond begint hij zijn archief aan te leggen. Hij is bijzonder geïnteresseerd in, laat ik zeggen, niet alleen het traditionele high-societyleven, maar ook het leven van filmsterren, “koninginnen van het witte doek” zoals hij ze noemt, voorts ook pin-upgirls e.d.

De “Fenomenale feminateek” wordt gepresenteerd onder een wetenschappelijk sausje. Het zou gaan om een proefschrift. De prenten worden geanalyseerd, enzovoort. Klopt dit wel? Gaat het niet meer om een legitimering?

Het gaat uiteindelijk om een legitimering, maar niet een legitimering in de zin dat Boon eens een excuus wil zoeken om zich bezig te houden met die blootplaatjes. Neen, ik denk dat dit nou juist de kern van de parodie is. Je kunt die hele “Fenomenale feminateek” – en dat kun je heel erg duidelijk afleiden uit een aantal voorwoorden en randteksten bij die “Fenomenale feminateek” – beschouwen als een soort parodie van laatnegentiende-eeuws etnografisch onderzoek. Dan is het heel erg mooi om te zien – voor mij maakt dat trouwens de charme uit van de “Fenomenale feminateek”, veel meer dan die plaatjes op zich – dat Boon zich eigenlijk als Fenomenale feminatecaris gedraagt als een soort etnograaf van de eigen cultuur die zijn tijdgenoten, moderne mensen dus, benadert als leden van een of andere vreemde volksstam met primitieve gebruiken.

Nu, hij presenteerde het als een wetenschappelijk werk, maar hij had toch moeilijkheden, denk ik, op het vlak van methodologie, op het vlak van ordening van zijn prenten?

Deels neemt hij dat ook weer mee in zijn parodie. Dan probeert hij duidelijk te maken dat het eigenlijk onmogelijk is om het wezen van de vrouw te reveleren aan de hand van een aantal categorieën en structuren. Hij doet dapper zijn best en het is heel erg fascinerend om te zien – hetgeen we ook echt hebben willen laten zien in dit deel van het verzameld werk – dat hij al heel snel alternatieve structureringsprincipes uitprobeert en je ziet ook echt dat dit een soort werk is dat gedoemd is om nooit voltooid te raken.

Want uiteindelijk was het de bedoeling dat hij daarover ook een boek zou schrijven!

Dat klopt! Dat was dan Boons “livre à venir”, een boek waar je altijd aan bezig bent en waar je nooit een laatste hand aan kunt leggen. Dus wat wij hebben gedaan, is laat ik zeggen een aantal fases in die genese van dat boek dat nooit voltooid kon worden, presenteren aan de lezer.

Boon was tegen censuur, hij verwelkomde de seksuele revolutie, maar hij stelde ook grenzen!

Ja, dat is misschien wel de tragiek van Boon geweest en dat geldt niet alleen over de Boon die zich bezighield met erotica, pornografisch materiaal, maar ook de Boon die uitgesproken opvattingen had over politiek. Hij kwam in beide gevallen in de jaren zestig heel erg klem te zitten tussen enerzijds het behoudende volksdeel in Vlaanderen en anderzijds de zogenaamde progressieven.

Ook tussen de oudere en de nieuwe, jongere literatoren!

Absoluut, en misschien moeten we het dan even hebben over Boons mensbeeld. Want ik denk dat nog al te vaak wordt gedacht dat Boon ofwel een heel erg zwart mensbeeld cultiveerde, dan wel een heel erg rozig mensbeeld. Maar voor Boon, als ik het goed heb begrepen, was de mens een soort mengeling van goed en kwaad, van constructieve driften en totaal destructieve driften. Het was maar zaak om vooral die destructieve driften in de mens te houden en dat betekende dat je de maatschappij zo moest organiseren dat er vooral gelegenheid werd geboden aan de meer constructieve driften om tot uitdrukking te komen. En wat Boon zag gebeuren in de jaren zestig, was dat zelfs onder het mom van een soort seksuele revolutie de liefde en de constructieve driften almaar meer werden gefrustreerd, waardoor je een soort heel erg pervers door elkaar lopen kreeg van constructieve en destructieve driften, of, om het populair te zeggen, van eros en thanatos. En het is precies die perversie die hij heeft willen hekelen in een aantal parodieën van erotica en pornografica.

Boons levensleer kan nog het best omschreven worden, lees ik ook in de tekst, als een lucide vorm van epicurisme!

Dat is zo! Ik denk dat Boon al heel snel, laat ik zeggen, allerlei grote idealen is verloren, voor zover hij die ooit honderd procent heeft verdedigd, en dat hij tot de conclusie was gekomen dat de mens maar beter niet hoger sprong dan hij kon springen en dat hij zich maar beter tevredenstelde met een beperkte menselijke mate van geluk, dat hij vooral niet zou gaan streven naar allerlei paradijzen. In paradijzen geloofde Boon niet. Niet in het paradijs van het christendom, maar ook in allerlei meer geseculariseerde vormen van paradijsdenken, het marxistische rijk der vrijheid e.d. Alles wat als een soort ver eindpunt van de geschiedenis, aan de horizon van de geschiedenis, werd geprojecteerd, was voor Boon des duivels. De mensen moesten op een heel beredeneerde, gematigde manier leren plezier te hebben aan het alledaagse. En in de jaren zestig, als je dan klem komt te zitten tussen het conservatieve Vlaanderen en het meer progressieve Vlaanderen, dan probeert hij dat tot uitdrukking te brengen. Dat moet heel erg vaak frustrerend voor hem zijn geweest, want hij moet dan zijn toevlucht nemen tot een discours dat niet echt bestaat in de jaren zestig en dan gaat hij soms nogal heel snel lijken op een soort intellectuele Toon Hermans die pleitte voor het genot van het alledaagse: kinderen zien spelen in het park, kleurige ballonnetjes, het nuttigen van iets lekkers, … Dat allemaal als een soort tegengif voor de ideologische verdwazing die in zijn ogen de kop opsteekt in de jaren zestig.

Tot zover nog Kris Humbeeck. Deel 16 van het verzameld werk van Louis Paul Boon, het erotische en pornografische werk, is uitgegeven bij de Arbeiderspers en is te koop in de goede boekhandel. Daarmee zijn we aan het eind van HVW. Samenstelling en presentatie waren van KVD en FS. De tekst van dit programma kun je bestellen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging, Lange Leemstraat 57, 2018 Antwerpen, tel.: 03 233 70 32. En over enkele dagen vind je de tekst ook op www.h-vv.be. Volgende week zijn we er weer en dan heeft Ronald Commers het over vrijmetselaarsfilosofie en Mozart, en is er ook een bijdrage van het VF. Dit was het wat ons betreft. Nog een goede avond en graag tot volgende week!

Muziek:

10” High Heels – Sakamoto Sakamoto 262975

1’10” Boontje – W. Van de Velde W. Van de Velde Granota 2010

 

 

Valide CSS!