| Arkprijs Luc Huyse -WF Inleefreis Istanbul |
|
HVW
08.06.09 Arkprijs Luc Huyse WF Inleefreis Istanbul
Opname: 04.06.09 Uitz.: 08.06.09
Samenst.: KVD
Muziek:
10” Signe E.
Clapton E. Clapton 9 45024-2
25” River Quay P.
Metheny P. Metheny ECM 1097 827 409-2
1’00” Daglar E.
Ogur/I. Demircioglu E.
Ogur/I. Demircioglu CD 086
30” Derdim coktur hangisine yanayim E. Ogur/I. Demircioglu E.
Ogur/I. Demircioglu CD 086
Goedenavond en welkom bij HVW, met daarin twee bijdragen.
Straks neemt het WF u mee naar Istanbul. Niet echt, natuurlijk, maar samen met
Nicole Verschoore kijkt het WF terug op de inleefreis naar Istanbul. Maar eerst
de uitreiking van de Arkprijs van het Vrije Woord in de Zwarte Panter in
Antwerpen. Want die ging dit jaar naar Luc Huyse vanwege zijn onafhankelijk,
diepgravend en grensverleggend onderzoek naar de verzuiling in België. Wij
woonden de uitreiking van de Arkprijs bij en hadden bij die gelegenheid een
gesprek met Luc Huyse over de taak van de media in een medialandschap dat
vooral gestuurd wordt door de mechanismen van de markt. En daar beginnen we
mee.
‘Niet
iedereen moet het voortdurend met elkaar eens zijn, natuurlijk niet. Alle Menschen
zijn geen Brüder en ze worden het vast nooit, maar toch spreekt er
uit Huyses werk een permanent streven naar een harmonieuzere, civielere
samenleving. Voor hem is het vrije woord geen vrijblijvend woord, geen eindpunt,
maar altijd een opmaat tot een open dialoog. Sociologie is bij hem nog steeds
een beetje – in de nobele zin van het woord – sociale geneeskunde. De socioloog
is niet alleen de anatoom met het fileermes, hij is ook de heelmeester. Hij
snijdt om te genezen.’
De
socioloog als chirurgische heelmeester. Snijden om te genezen. Een stukje uit
de laudatio van David van Reybrouck bij de uitreiking van de 59e Arkprijs van
het Vrije Woord aan Luc Huyse. Die wees in zijn dankwoord vooral de
gecommercialiseerde media op wat hun taak moet zijn in een democratie en een
medialandschap dat vooral gestuurd wordt door het marktprincipe. De verzuiling
misschien voorbij, ook voor de media, hoewel niet helemaal, maar vooral blijft
de noodzaak aan ‘heilzame controverse en tegenspraak’. Daarover hadden wij een
gesprek met Luc Huyse. Maar we begonnen met de vraag naar het belang van zoiets
als een Arkprijs van het Vrije Woord.
Ik vind
het belangrijk dat men jaarlijks – en dit is nu voor de 59e keer – de klemtoon
legt op mensen en organisaties die proberen het woord zo vrij mogelijk zelf te
spreken en ook proberen om, daar waar er pogingen zijn dat woord aan banden te
leggen, ook in te grijpen. Dus het is goed dat in een samenleving als de onze
die noodzaak om het woord vrij te houden voortdurend opnieuw in herinnering
wordt gebracht.
Ik
onthoud uit uw dankwoord dat u vooral naar de media kijkt in verband met hun
democratische rol.
Het is
duidelijk dat de media – zeker in een politieke berichtgeving, maar niet alleen
daar – een politieke speler van formaat geworden zijn. Men heeft dat lang
geloochend. Men zei: ‘Wij zijn alleen doorgeefluik, we beluisteren wat er in de
samenleving leeft, we voegen daar wat decibels aan toe, maar voor de rest zijn
wij toeschouwers.‘ Nu zie je dat deze manier van denken over de rol die zij
spelen, de journalisten en hun directies, in feite niet langer wordt gevolgd.
Hoofdredacteurs geven nu toe dat ze geen toeschouwers zijn, maar zeker actieve
medespelers in het politieke gebeuren. Wel, als dat inderdaad zo is – en het is
zo –, betekent dat ook dat de media een verantwoordelijkheid hebben. Dat zij
een verantwoordelijkheid hebben in het leven van die democratie, in de
ontwikkeling van die democratie. Wie verantwoordelijk is, moet ook verantwoording
afleggen. Het is dat precies wat ik mis. Die woorden van de kant van de media
die aangeven dat ze bereid zijn om verantwoording af te leggen.
Doen
die media dat dan niet?
Wel, zij
hebben heel lang in twee werelden geleefd. Aan de ene kant moesten zij omgaan
met partijpolitieke bevoogding. Zolang de kranten in ieder geval onder
partijpolitieke bevoogding stonden, hebben zij ook altijd in de markt geleefd.
Nu, die partijpolitieke bevoogding is met de ontzuiling bijna helemaal
weggevallen en dat maakt dat ze nu alleen nog gericht zijn op de markt. Dat
heel hun gevoeligheid wat betreft hetgeen zij brengen, geïnspireerd is door wat
die markt hen dicteert. Ik mis met andere woorden de mogelijkheid om voor de
kijker of de luisteraar op een of andere manier een tegenmacht te ontwikkelen,
om op een of andere manier die media ter verantwoording te roepen.
Wat
is er eigenlijk mis met dat marktmechanisme?
Er staan
geen remmen op. Er is heel weinig ethisch gedachtegoed dat gaat spelen. En de
markt is er niet in eerste instantie op gericht om de democratie intact te
houden, om de democratie uit te bouwen. Absoluut niet.
In uw
dankwoord voor de uitreiking van de prijs gebruikt u, misschien een beetje
cryptisch, enkele begrippen, bijvoorbeeld ‘heilzame controverse’ en
tegenspraak. Wat bedoelt u daar eigenlijk mee?
Macht in
een democratie is maar legitiem, is maar aanvaardbaar, is maar verantwoord als
er tegenmacht is. Dat betekent dat al wie in een democratie macht heeft – en
dat zijn niet langer de parlementen, de regeringen, de partijen –,
geconfronteerd moet worden met tegenmacht. En in die tegenmacht is tegenspraak
heel belangrijk. Ik haal dat bij de Amerikaanse socioloog Hirschman, die
spreekt van ‘the art of voice’. Je moet je kunnen laten horen, want het is
slechts via dat laten horen dat je ook macht ontwikkelt. En die macht wordt het
krachtigst als de tegenspraak ook groepsgewijze wordt uitgeoefend. Individuen
kunnen tegenspraak uitoefenen, kunnen daarin soms heel ver gaan, hé. Als we de
rol zien van individuen in de bevrijding, om het zo te zeggen, van het
communistische juk in Oost- en Centraal-Europa, dan kun je alleen maar zeggen
het soms werkt als het om individuen gaat, maar het werkt zoveel beter als
mensen de handen in elkaar slaan. Als dat groepsgewijze gebeurt. Ik noem dat –
en het is misschien een beetje cryptisch zo – ‘het woord is maar echt vrij als
het groepsdekking heeft’.
Kunt
u die groepsdekking een beetje uitleggen?
Kijk
naar wat 100, 120 jaar geleden met de positie van de arbeiders is gebeurd.
Individuele arbeiders hebben al heel lang in de 19e eeuw geprobeerd om in te
grijpen in hun leven, in het werk en ook buiten het werk. Dat is maar gaan
lukken op het moment dat zij, in het kader van wat wij dan later het syndicalisme
gaan noemen, inderdaad groepsmatig zijn gaan optreden. En de hele ontwikkeling
van wat wij sociale democratie noemen, is precies gebaseerd op het feit dat
mensen die toch de zwaksten zijn in het arbeidsproces – en zeker in het
kapitalistische arbeidsproces – in staat moeten worden gesteld om zich te
verenigen. De vrijheid van vereniging is even belangrijk als de vrijheid van
meningsuiting.
Kan
men dan garanderen dat die mensen kunnen toezien op de functionering, de
werking van de media?
Ik denk
inderdaad aan bewegingen van mediaconsumenten. Het is evenwel zo dat, en de
term klinkt misschien hard, maar op het vlak van lezen, luisteren en kijken
bestaat er een soort van analfabetisme. De arbeidersbeweging heeft in de jaren
twintig van de vorige eeuw echt gevochten om het leesanalfabetisme uit te
roeien. Zij heeft daar een grote rol in gespeeld. Dat is haar ook gelukt. De
analfabeten op dat vlak zijn zeldzaam geworden in onze samenleving. Maar er is
een nieuw analfabetisme ontstaan. Hoe lees ik mijn krant? Hoe luister ik naar
de radio? Hoe kijk ik televisie? En meer recent nog, hoe ga ik om met de
informatie die het internet brengt? De informatie die surft op de golven van
het internet … Dus je zou kunnen zeggen dat we weer voor hetzelfde
probleem staan als in de jaren twintig van de vorige eeuw, dat er een gevecht
tegen een nieuw type van analfabetisme moet gebeuren. Training in het lezen van
kranten en tijdschriften, training in het bekijken van televisie. En die
training moet als het ware natuurlijk wel gelijktijdig gebeuren met de vorming
van leesclubs, kijkersclubs enzovoort.
Er
was een tijd dat (voornamelijk) kranten een heel sterke (politieke) identiteit
hadden, bijna partijorganen waren. Van u is bekend dat u toch wel tegen de
verzuiling bent en dat u de verzuiling wou afbouwen. Is het niet precies
daardoor, door het wegvallen van die verzuiling, dat die identiteit van kranten
en van de media in het algemeen zo vervaagd is?
Ik denk
dat het minder door de ontzuiling is gebeurd dan door de steeds grotere greep
van de macht op de media. Het marktdenken laat niet toe dat men zich
ideologisch sterk profileert, want wie zich ideologisch sterk profileert,
schakelt meteen dat deel van de potentiële lezers, kijkers of luisteraars uit.
Daar ligt het probleem niet. En mijns inziens is de vraag die ik stel in mijn
toespraak niet zozeer deze van: hoe zit het met de identiteit van onze media?
Het is de vraag van: wanneer en hoe gaat men ons in staat stellen de mensen van
de media ter verantwoording te roepen als de rol die zij spelen in het
politieke gebeuren nefast is? Of minstens niet positief is. Onvoldoende
positief is. En ik denk dat we toch voor een stuk op dat punt zijn
aangeland.
Een
zelfonderzoek van de media en de behoefte aan een consumentengroepering om die
media te beoordelen. Dat was nog Luc Huyse, in een gesprek naar aanleiding van
de uitreiking van de Arkprijs van het Vrije Woord. Zo meteen de bijdrage van
het WF over de inleefreis naar Istanbul, maar eerst muziek.
“Daglar”,
en dat is muziek van Erkan Ogur en Ismail Demircioglu. Die brengt ons bij de
bijdrage van het WF. Dat organiseerde samen met de UTV in maart een inleefreis
naar Istanbul. Met een gemengd publiek, want met WF-senioren en Turkse
junioren. Met bezoeken aan de toeristische topattracties in Istanbul, maar ook
met een bezoek aan het oorlogsmemoriaal Gallipoli, het ‘Flanders Fields’ van
Turkije, zeg maar. Of toch niet helemaal, want vooral met een andere betekenis
voor Turkije zelf. Althans volgens Nicole Verschoore. Zij reisde mee, was al
eens eerder in Istanbul en was vooral nieuwsgierig naar de veranderingen in
Turkije onder de regering-Erdogan. En voor haar was de lekenstaat Turkije van
Kemal Ataturk duidelijk veranderd in een geïslamiseerde staat. Wij laten Nicole
Verschoore haar verhaal doen.
Ik wou
heel graag Istanbul terugzien. Ik ben er geweest in 1968 als journalist. Twee
keer vluchtig. Dat is een keer gaan en terugkeren om iets en bijna niets te
zien, maar wel om de atmosfeer op te snuiven. En in 1994, toen ik al met pensioen
was, met rust, heb ik iets gelezen dat ik heel interessant vond. 21% van
de inwoners van Istanbul waren mensen die daar geboren waren en naar school
waren gegaan. 78% waren inwijkelingen uit Anatolië. De boeren kwamen dus naar
de stad, zoals in de 19e eeuw bij ons. Ik wilde weten wat dat was als
stadsbeeld. En wat voor verandering dat had teweeggebracht. Daarvoor was de
inleefreis heel interessant.
Maar
toen ik er was in 1968, was het een Europese stad. Absoluut. In 1994, toen ik
die heel lange en goede reportage had gelezen, was Erdogan net benoemd. En
kwamen die cijfers van 21% en 78% inwijkelingen komende van het platteland,
slecht behuisd, alles goed uitgelegd, en zo. Vermits Turkije een democratie
was, kregen al die inwijkelingen stemrecht en zo werd de islamitische partij
van Erdogan de opperbevelhebber van het hele land. Dat is iets wat heel grote
gevolgen heeft meegebracht voor de vrijzinnigheid. Want het land sedert Ataturk
in 1923 was vrijzinnig en op school was er geen religie. Absolute scheiding.
Maar onmiddellijk na het begin van Erdogan zijn er scholen gekomen, de
islamscholen, waar niet de vreemde talen van Europa worden aangeleerd en Turks,
maar alleen de taal van de Koran en Turks. En die scholen zijn gelijkgeschakeld
met de lycea en de staatsscholen. Ik ben bang voor alles wat tegen de rechten
van de mensen ingaat. En de democratie. En we moeten bang zijn.
Heel,
heel prettig in het begin. Na de eerste ochtend wat minder, omdat de Turkse
vrouwen die geen Nederlands begrepen eigenlijk boos waren, is het begonnen met
een tweetalige rondleiding alle volgende dagen. Ik vind dat heel normaal en dat
was goed. En aangenaam. Maar wij hebben gemerkt dat de Turken zelf, alle
jongeren die werkelijk Vlamingen zijn, hé, Vlamingen, Turkse Vlamingen, maar
Vlamingen het heel prettig vonden, heel veel interesse hadden, veel initiatief
toonden en zo, maar anderen, bepaalde vrouwen maakten zich los van de groep en
bleven alleen, onder elkaar. En wij, Vlamingen, al de oudere koppels die daar
waren als toeristen. Mijn man en ik, samen met nog 4 of 5 anderen met wie we
vriendschap hebben gesloten en die we niet kennen, hebben alles gedaan om
iedereen te integreren en zo, maar ze gingen toch aan verschillende tafels
zitten. Maar er was geen communicatieprobleem. Men voelde het, men merkte het,
maar het was geen probleem. Het was een prettige reis. En ik denk heel
interessant voor de twee groepen.
Het was
heel goed. We zijn te laat aangekomen voor een eerste bezoekdag, maar we zijn
langs de specerijenmarkt gelopen en daar beland je onmiddellijk in een andere
sfeer. Dat is echt vakantie, exotisme enzovoort. Daarna hebben we iedere avond
gegeten in het kleine restaurantje naast het hotel en dat was bijzonder lekker.
Daar zaten we aan lange tafels en was er onmiddellijk heel veel sfeer tussen de
WF’ers en enkele Turken, jongere mensen. Maar daarna zijn ze altijd bij de
anderen gaan zitten.
De
tweede dag zijn wij naar Gallipoli gegaan. De derde dag zijn we begonnen met
een Romeinse waterreserve. Dat heeft niets te maken met islam. Dat is van de
6e, 7e eeuw en dat is onvoorstelbaar mooi. Een 150-tal of meer zuilen in een
enorme kelder. Het is een paleis. En denken dat ze daar voor de hele bevolking,
de paarden en de andere dieren voor hun feesten en zo genoeg water hadden voor
een stad … Dat is onvoorstelbaar. De waterleidingen … Heel mooi werk.
Dan zijn wij naar een kleine moskee gegaan. De eerste die we gezien hebben. Dat
is omdat die heel mooi was, de Rustem Pasa-moskee. Daar hebben we voor de
eerste keer gemerkt dat onze gids moest opletten als ze iets vertelde.
Heel gek … Dat hebben we gemerkt. Zij was waarschijnlijk een leerlinge uit
vrijzinnige scholen en ze was heel boeiend aan het vertellen over de
geschiedenis van die moskee en de pracht van de decoratie, van de versiering.
En zij was vergeten haar hoofddoek aan te doen. Ze kreeg een opmerking van een
van de Turkse meisjes. Dus daar heeft men voor de eerste keer gevoeld – want
het was geen heiligdom, het was een toeristische plek – dat ze moest opletten.
In Istanbul
lopen nu veel meer gesluierde vrouwen als toen ik eerst kwam. Dus enkele jaren
geleden. Veel, veel meer. En vooral veel meer meisjes. Uit scholen die modern
zijn. Want die oudere vrouwen zijn zeer duidelijk mensen die sedert enkele
jaren binnengekomen zijn. Zoals bij ons in Vlaanderen zien wij ook in bepaalde
wijken wie nog altijd leeft zoals in Anatolië en wie zich aangepast heeft en
goede scholen, Vlaamse scholen, heeft gevolgd en hier werkt als zelfstandige.
Men ziet dat heel goed. Dat is volgens mij het gevaar en de verstrakking,
namelijk dat een groot aantal vrouwen die voor gelijke rechten vechten, zullen
worden geminimaliseerd. Ik zou moeten zeggen gedegradeerd, doordat er een
nieuwe opkomst is van rijke islammeisjes. Er is nu nog een vrouw die vecht, een
redactrice die ik kende van vroeger, en ze is er nog. Ze heeft een tijdschrift
voor mensenrechten en voor laïciteit, het recht op eigen gedachten enzovoort.
En zij zegt nog altijd: ‘Vrouwen, feministen van mijn soort die trouwen, worden
geslagen totdat ze het opgeven om zelfs hun gedachten naar vrijheid te hebben.’
Ze zegt het nog.
Gallipoli
is een onvoorstelbaar historisch moment dat onze geschiedenis ook aangaat, maar
dat voor de Turken een van de beste momenten is om trots te zijn op zichzelf en
op hun leger. Je hebt dus twee aspecten. Ze hebben gelijk dat ze de
geschiedenis nog levendig houden. Wij zouden dat ook kunnen doen en beter.
Beter dan wat wij doen, niet beter dan wat zij doen. Er is een museum met het
verhaal van wat er gebeurd is. Er zijn loopgraven te zien. En de rondrit die de
bezoeker krijgt, vertelt hoe de geallieerden hebben geprobeerd heuvels op te
klimmen en daar niet in geslaagd zijn. Omdat de Turken daar telkens waren en
heel gevaarlijk naar de top van die heuvel gingen. Ze hebben heel lang
geprobeerd. Er zijn langs beide kanten heel veel doden gevallen. Het is een
tragisch moment, maar het loont echt de moeite om de plaats nog te gaan
bekijken. Want je ziet de loopgraven, je ziet ook waar ze hebben willen landen,
waar het niet gegaan is, hoe ze geprobeerd hebben de berg op te klimmen.
Enzovoort. En er bestaan zeer veel beschrijvingen daarvan in dat museum,
tekeningen, getuigenissen, … Het is heel, heel interessant. Er zijn ook overal
standbeelden van de Turken voor de verheerlijking van Ataturk en van andere
naamloze strijders. Het is wel een mooie geschiedenis in vaderlandsliefde. Er
wordt geen woord gezegd over pacifisme. De hele boel is werkelijk nog
traditioneel het ophemelen van de moed van de soldaten. Het eerbied scheppen
voor het leed dat ze geleden hebben.
Nicole
Verschoore met haar bedenkingen over Turkije na de inleefreis van het WF en UTV
naar Istanbul. Voor haar is het de vraag of Turkije wel klaar is voor de EU.
Voor uw reacties daarop of voor meer informatie kunt u terecht bij het WF zelf.
Dat vindt u aan de Vrijdagmarkt 24-25 in Gent. Telefoneren kan er op het nummer
09 224 10 75. En uiteraard is er ook de website van het WF: willemsfonds.be.
Zo,
daarmee zijn wij zijn aan het einde van HVW gekomen. Met al uw vragen en
bedenkingen kunt u terecht op onze redactie: HVW, Lange Leemstraat 57, 2018
Antwerpen. Telefoneren kan er op het nummer 03 233 70 32. Verder
is er ook de website: surfen naar h-vv.be.
Wij gaan
eruit met muziek van Pat Metheny op de achtergrond, maar volgende week zijn we
er weer. FS heeft het dan met Karel Poma, winnaar van de Prijs Vrijzinnig
Humanisme 2009, over diens boek over de verlichting. En in de bijdrage van het
VF heeft Viona Westra een gesprek met Peter Mertens. Volgende week maandagavond
op Radio 1, meteen na de nieuwsflash van 20.00 uur. Graag tot volgende
week. Daaaaag.
|